IV.
In het groote huis
der Van Vaernes, op Salemba gelegen, liep de dochter des huizes 's middags
om vijf uur nog op en neder in haar négligé.
Zij zat nu eens een oogenblik op een der rotting-canapés in de
achtergalerij, ging dan de trappen af naar de bijgebouwen; speelde met
een groote kakatoe, die zich in zijn ring schommelde, en wilde juist
op het grasperk achter de woning zich gaan amuseeren met de kippen tot
zich te roepen, toen een ontevreden vrouwenstem haar toeriep:
"Maar, Théo, 't is allang over vijven en je drentelt daar
nog heen en weer, alsof je niet wist dat over een halfuur Verheide komt.
[94:]
De stem kwam uit
een hoek der galerij, waar op een tafel het theegoed gereed stond en
waarnaast een oude heer en een iets minder oude dame in twee leuningstoelen
zaten.
"Och, Anne, laat het kind maar begaan, dat vrije leven van haar
zal toch spoedig genoeg gedaan zijn," zeide de oude heer zacht.
"Een kind! Ja, soms kinderachtig als een meisje van tien jaar,
maar anders mensch genoeg. Hebt je mij niet gehoord, Théo? Ga
toch naar de badkamer!"
"Ik heb vandaag geen trek mij te kleeden, ma! Zeg maar aan Verheide,
dat ik niet wel ben."
"En waarom niet? Dat zijn niets dan kuren; wanneer zul je die.
toch eens afleeren? Weet je dan niet, dat we van avond receptie hebben?"
"Dat ook nog? Reden te meer om mij niet te kleeden, wat dunkt u,
pa?"
"Kom, kom, Théo, laat dien armen jongen toch niet vergeefs
komen. Ach, ik weet nog zoo goed hoe hard dat is; hier mijn oude Anne,
die nu zoo wijs tegenover jou is, had in haar tijd ook wel kuren. Ik
kon maar eens in de week te Haarlem komen, en als ik dan reeds in de
verte haar gezicht in het spionnetje zag, dan dacht ik: "O jé,
't is weer mis!" Weet je nog, An, die Zaterdagmiddag, ik had juist
mijn exà..."
"Kom, papa, haal alsjeblieft die oude dingen niet meer op, want
dan wordt je vervelend, en spreek niet tegen als ik Théo iets
zeg. Zult ge nu eindelijk gaan, Théo?"
"Jawel, ma, ik zal vandaag eens probeeren hoe men zich gevoelt
als men eens zijn zin niet gedaan heeft."
"Ja, probeer het maar, wie weet hoe dikwijls je later dat moet
doen."
"Om Verheide, ma? Denkt u dat? Nu, dan bedank ik hem nog van avond."
Zij stond bij de balustrade der galerij. die eenige voeten hooger dan
de grond was geplaatst en stak haar gelaat tusschen een der ijzeren
krullen.
"Voorzichtig, Théo, ge klemt je," zei de vader.
"O neen, pa, geen nood! Wat dunkt u, zal ik er toe moeten overgaan?"
"Gekke meid, ga je baden, bedenk dat papa en ik ook nog hun toilet
moeten maken."
"O, 't is waar ook, nu, ik ben dadelijk klaar," en zij wipte
weg.
"We zullen dat kind erg missen," sprak Van Vaerne en blies
uit zijn geurige havana eenige wolkjes rook, die langs het gelaat zijner
vrouw streken.
"Wees toch voorzichtig, papa, u weet dat ik dien rook niet velen
kan. Haar missen, 't zou wat! We zullen haar geen piano meer hooren
spelen, niet door 't huis zien springen, geen chaperons behoeven op
te zoeken, om haar naar bals te geleiden, maar overigens..."
[95:]
"Ik ben aan
haar gewend geraakt; 't huis zal me leeg voorkomen zonder haar,"
hij tikte de asch van zijn sigaar weg, "wat zullen we met die ruimte
doen?" Hij dronk zijn kopje thee leeg, altijd hopende, dat zij
nu wat zou antwoorden, "en voor wie vermoei ik mij nu dag aan dag?"
Zij glimlachte ongeloovig. maar meer niet.
"Zeg, Anne, was het dan niet beter, dat we dan eindelijk gingen
rusten?"
"Waar, op Tana-abang?"
"God bewaar me, neen! Ik bedoel in een heerlijk buiten bij Velp,
of als je liever wilt in Bloemendaal of in den Haag, of waar dan ook,
in 't lieve vaderland."
"Ach, man, hoe kun je toch zoo kinderachtig zijn en verlangen naar
een land, dat je sedert - laat eens kijken, onze Albert was, toen we
hier kwamen, tien jaar oud; hij stierf met zijn drie-en-twintigste en
Théo is nu ook drie-en-twintig, dus zes-en-dertig jaar. Denk
je nu, dat je ooit. weer in Europa gewennen zult, na zes-en-dertig jaar
aan één stuk op Java te zijn geweest? Je vindt er niets
dan graven en een heel andere levenswijze dan die, waaraan je gewoon
bent, Ik zeg niet dat ik zooveel geef om Java, er is altijd veel geweest,
dat me erg tegen stond, maar ik weet wat ik hier heb en wat zal me daar
wachten?"
"Vrouw, zes-en-dertig jaar is zoo lang niet, er zal zooveel zijn
van vroeger, dat nog hetzelfde is."
"Kom, kom, sentimentaliteit! Je ziet tegen Théo's trouwen
op, maar ik ben er blij om, nu zijn we meteen van de moeder af, daarvoor
kan ze nu zelf zorgen en wat zullen we 't nu veel rustiger hebben, nu
zij eindelijk heengaat."
"Eindelijk, 't is mij nog veel te vroeg."
"Moet ze dan altijd thuis blijven met al haar kuren en gekke streken,
die reden geven tot allerlei praatjes? Kom, kom, papa, zie 't zoo donker
niet in! 't Is de derde bruid, die uit ons huis trouwt, en we schikten
er ons altijd weer in."
"Ja, de eerste was Antoinette, een knappe, flinke meid, ze had
veel van Théo, zij was stiller, zij kon zoo uitgelaten niet zijn
als soms Théo, maar ze was toch een lief, mooi ding. Jammer,
dat ze zich in het hoofd heeft gesteld boos op ons te worden. De tweede,
Marie, nu als Théo's huwelijk zoo rijk gezegend moet worden,
dan zal haar vroolijkheid ook wel langzamerhand er afgaan."
"Marie is de eenige van wie wij pleizier hebben, zij is dan ook
mijn dochter."
"En de mijne niet, An?"
"Nu, je hebt weinig gelegenheid gehad haar te bederven, zooals
de anderen; maar je sprak van Antoinette, weet je dat haar zoon hier
is?"
"Och, neen, zeker niet, Hoe weet je dat?"
"Hij is gelogeerd bij de De Reimers; misschien brengen ze hem van
avond mee."
[96:]
"Dat zou me
pleizier doen."
"Maar nu heb ik een verzoek aan je, hij weet misschien niet eens
dat we familie van hem zijn, want dan kwam hij zeker niet; laat er dus
ook niets van merken, houd je zoo dom mogelijk, vraag niet naar zijn
mama; ik zal wel alles wat ik weten wil van hem hooren."
"En waarom toch?"
"Ik heb er mijn redenen voor."
"Grootma, de badkamer is vrij," zei Théo, de galerij
binnenkomend, frisch als een ondine.
"Nu, kleed je dan gauw aan."
"Altijd commandeeren; grootpa, wat zal u toch commando's uit te
voeren hebben als ik weg ben, want ma heeft niet genoeg aan al haar
bedienden om ze te bevelen."
"Brutale meid, is dat een toon tegenover mij?"
"U is uw bestemming misgeloopen, ma, u had generaal moeten worden."
Ze ging naar haar eigen kamer en bekommerde er zich niet over, dat de
grootmoeder voortging met knorren.
't Was een kostbaar gemeubeld vertrek met een grooten psyché
en een toilettafel met parfumerieën, etagère-voorwerpen
en alle soorten van snuisterijen overladen. Een oude meid stond voor
de marmeren tafel en strooide geurige, droge bloemen tusschen eenig
wit goed voor dat zij ze in de mahoniehouten kasten rangeerde.
"Ajo baboe!" zeide Théo, "we moeten ons haasten."
"Uw kleeren liggen klaar, nonna."
Werkelijk was op de sofa een volledig toilet uitgespreid, tot aan de
bottinnes, die op de mat de voetjes, welke zich in hen steken moesten,
schenen te wachten.
"Maak je mijn haar op, baboe?"
"Ga maar zitten, nonna."
Théo zette zich voor de toilettafel, nam een boek ter hand en
liet de oude meid haar krullen uitkammen, hier en daar opsteken, een
kam van granaten en een diamanten speld er in steken, toen pas keek
zij in den spiegel.
"O foei, baboe, dat is leelijk, diamanten en granaten, neem die
speld er uit."
"Nonna, dat staat juist zoo lief! Een bruid moet mooi zijn."
"Ik ben een veel te oude bruid, baboe, die mag zoo koket niet zijn
als een jonge, Droeg mijn mama als bruid veel ienten-ienten?" [Juweelen]
"Uw mama was zoo mooi."
"Natuurlijk, anders was zij niet met papa getrouwd; en toen zij
voor den tweeden keer bruid was?"
"Ach, toen had ze te veel tranen in de oogen om juweelen in het
haar te dragen."
[97:]
"Dus dan ben
ik nu een even vroolijke bruid als mijn mama toen ze hertrouwde?"
"Nonna huilt immers niet?"
"Neen, dat wel niet, maar toch, baboe, 't is niet prettig te trouwen."
"Nonna's moeten het doen."
"En als ze niet willen?"
"Dan is 't niet goed, neen, mijn hart is zoo blij dat ik eindelijk
mijn nonna als penganten [Bruid] mag zien, dat ik daags na de bruiloft
een groote sedekah [Godsdienstige maaltijd] zal geven. De kokki wil
mij helpen koken, en de koetsier zal zorgen, dat ik de wagenkamer kan
gebruiken."
"En als ik niet gelukkig ben, baboe?"
"Waarom zou nonna niet gelukkig zijn, uw toewan is immers een toewan
blanda."
"Ach, goede baboe, je meent het best, maar ik kan je alles niet
zeggen; zeg, baboe, hoeveel mannen heb je gehad?"
"Twee; een heb ik te Padang achtergelaten en met den andere ben
ik hier getrouwd, dat was een bangsat [Schurk], hij heeft mij al mijn
ringen en geld ontstolen en is toen met een officier naar Ambon gegaan,
ik heb er niets meer van gehoord. Maar de toewan blanda doen dat niet;
kom, nonna, kleed u nu aan, toewan Pereida zal dadelijk komen."
"Maar ik trek die blauwe japon niet aan, die is te opzichtig, geef
mij mijn donkerroode en mijn zwart kanten fichu."
Snel ging zij voort met haar toilet.
"Baboe, ben je niet blij," vroeg zij weer, "dat je nu
bij mij komt wonen?"
"Allah! nonna! daarom ben ik zoo blij; als u hier niet was, zou
ik geen dag willen blijven, de njonja besaar (groote mevrouw) is niet
goed voor de menschen."
"Zal ik 't wel zijn, baboe?"
"Pestie (zeker), nonna heeft een goed hart en al knort ze, dan
weten de menschen wel dat zij het niet zoo meent."
Théo stond nu voor den psyché en draaide zich heen en
weer om te zien of de plooien onberispelijk vielen, de baboe kroop op
den grond, om den rok rechts en links wat neer te trekken, bewonderend
zag zij haar nonna aan en sprak goedkeurend:
"U is mooi als een njonja resident."
"Laat Verheide dat niet hooren," dacht zij, juist reed een
rijtuig de lange laan klapperboom en in, die van het bek naar het huis
voerde door een grasperk, dat menige Hollandsche weide jaloersch kon
maken.
"Daar is hij!" sprak Théo met een lichten zucht, en
zonder een laatsten blik te werpen op den spiegel, ging zij naar de
voorgalerij.