VIII.
Mijnheer Bruno Gortz
werkte niet.
Hij liep op en neer, schoof zijn bril telkens in de hoogte, kruiste
de armen dan eens op de borst en dan weer op den rug, zuchtte een paar
malen heel diep, zag eens rondom zich en schudde vervolgens krachtig
het hoofd.
Hij had van nacht niets geslapen; reeds vroeg was hij gekleed geweest
en had door een verre wandeling getracht zijn geest te verfrisschen,
dien de droogste studie niet zoo suf had kunnen maken, als de woorden
van mevrouw Van Leeuwenburgh het gedaan hadden.
Eindelijk stond hij stil en zette zich neer.
"Zij, dat jonge, lieve kind, zou haar leven aan mij toevertrouwen,
zij zou mijn laatste jaren willen opvroolijken. Altijd zal ik haar voor
mij zien met haar duivenoogen, haar vriendelijken glimlach. Mijn God,
komt dit geluk uit uw hand? Mag ik 't aannemen?"
Hij sloot de oogen en vouwde zijn handen, toen richtte hij zich na een
poos op en sprak besloten:
"Waarom niet? Heb ik minder recht op huiselijk geluk dan een ander?
Waarom zal ik eenzaam mijn leven slijten als het niet noodig is? Ik
ga naar mevrouw en zeg haar dat ik 't voorstel aanneem."
Hij trok zijn overjas aan, nam zijn bestoven hoed in de hand en dacht
vol vreugde, hoe voortaan een andere zijn kleeren in orde zou houden.
hoe hij 's winters geen kachels meer zelf behoefde aan te maken en van
geen koude voeten te lijden zou hebben.
Hij had reeds eerder moeten denken aan trouwen, maar neen! nooit te
voren was er iemand geweest, geschikter voor hem dan Nora. Juist wilde
hij naar buiten gaan, toen men aan zijn deur tikte, en tot zijn groote
verbazing de persoon zelf, die hem gestoord had in zijn nachtrust, voor
hem verscheen.
[72:]
"Juffrouw
Nora,... 't doet me pleizier u te zien, excuseer mij,.... ik ben...,
't is zoo vroeg, maar... "
"Ik kom juist bijtijds," antwoordde. zij ernstig, "U
wilde uitgaan en ik moest u eerst even spreken."
"Ga zitten, Nora, juffrouw, ik heb den tijd," en de oude Bruno
was verlegen als een schooljongen, in tegenwoordigheid van zijn oude
leerling, die hij niet eens meer bij den naam durfde noemen.
Zoo zaten beiden tegenover elkander en met neergeslagen oogen begon
Nora:
"Mijnheer Bruno, papa heeft mij uw aanzoek overgebracht; 't is
wel vreemd voor ons, dat u, die zoo geleerd is, heeft kunnen denken
aan een dom, gewoon meisje zooals ik ben, maar..."
Zij viel zichzelf in de rede:
"U zal het zonderling vinden van mij, niet waar, dat ik u zelf
kom spreken over zulk een kiesche zaak, maar ik geloof, dat ik niets
beters doen kan, Papa en mama weten niet dat ik hier ben, ze zouden
het zeer ongepast vinden, doch ik weet hoe goed u is en dat u het nooit
aan iemand zeggen zal, wat ik nu doe."
"Wees gerust, Nora, spreek tot mij als vroeger!"
"Welnu dan, wij waardeeren ten volle de eer, die u en ook mevrouw
Van Leeuwenburgh ons aandoen; papa is er zeer mee ingenomen en wij hebben
veel harde woorden van hem gehad, daar wij er niet zoo over dachten,
mama en ik, maar ik ben nog zoo jong, mijnheer Bruno, en geloof me,
ik zal nooit een goede vrouw voor u worden. Zet u dus dat plan uit het
hoofd, ik kan niet met u trouwen, want als wij voor het altaar stonden,
zou ik moeten beloven wat ik niet kan."
Bruno nam zijn bril van den neus en wreef met zijn ontzettend grooten,
gekleurden zakdoek de glazen haast stuk; nooit was hij zoo verlegen
geweest, Nora moest eens weten hoe afkeerig hij den heelen dag en nacht
was geweest van datzelfde plan en hoe hij eerst van morgen er in geslaagd
was, het als iets aangenaams te beschouwen.
"Lieve kind," bracht hij er eindelijk stotterend uit, "'t
hangt natuurlijk van u alleen af, zoo gij niet wilt, kan ik er niets
aan doen."
"Ja, dat weet ik wel, maar papa is zoo boos op mama en op mij,
daar wij tegen dit plan zijn; mij dwingen om te trouwen kan hij wel
niet, maar u begrijpt hoeveel wij zouden te lijden hebben, als ik bleef
weigeren en er door mijn schuld niets van de zaak kwam."
"Dat spreekt!"
"En daarom kwam ik hier om u te verzoeken, aan mevrouw Van Leeuwenburgh
te zeggen, dat u van het plan afziet, omdat u liever blijft, wat u nu
is."
"Maar dit is niet waar," riep hij nu met volle overtuiging.
Nora begon te schreien.
"Geloof me, mijnheer Bruno, 't is voor uw geluk. Ach, wat
[73:]
spijt
het me, dat u zulke gedachten heeft opgevat; ik houd heel veel van u,
maar voor uw vrouw pas ik niet.'
"En wat wilt ge nu, Nora?"
"Niets anders dan dat u het aanzoek intrekt, want anders maakt
u ons ongelukkig; papa is wel goed, maar ach! hij begrijpt niet, dat
niet alle menschen bij elkaar passen. En dan, mijnheer Bruno, laat niemand
weten, dat ik bij u ben geweest. Ik zal het nu aan mama zeggen, maar
ook niemand anders."
Zij stond op en zag hem aan met haar vochtigen, treurigen blik, en zelfs
anderen dan Bruno zouden een verzoek van haar, hoe het ook luidde, niet
hebben kunnen afslaan.
"Ik beloof 't u, Nora!" sprak hij plechtig, en in langen tijd
had de geleerde zulk een smartelijk gevoel niet gehad, als op dit oogenblik.
't Was of hij ook de jaren van geluk, die hij zich reeds in het laatste
uur voorstelde, ging afzweren.
"Dank u, mijnheer Bruno," en zij drukte met vuur zijn hand,
"wat is u toch goed! U verdiende immers niet, dat ik u ongelukkig
maakte."
"Spreek er niet meer van, Nora, 't was slechts een droom, dien
ik weer vergeten zal."
"En mag ik bij u komen, als ik eens raad noodig heb, als ik mij
ongelukkig voel en steun verlang?"
"Gerust, ik blijf steeds uw oude vriend! God make u gelukkig,zooals
gij het verdient, Nora!"
En heen was zij, als vreesde zij reeds te veel haar gevoelens te hebben
verraden.
Bruno nam zijn hoed weer op. 't Schemerde hem voor de oogen, zou het
een traan zijn? Hoe dwaas; had zij hem iets anders gezegd dan wat bij
zichzelf honderdmaal had herhaald? Maar toen hij rondkeek, slaakte hij
een diepen zucht.
Snel ging hij het huis uit naar het hoofdgebouw toe; want hij moest
nu even goed als te voren mevrouw Van Leeuwenburgh spreken.
Zij wachtte hem op dezelfde plaats als gisteren, haar gelaat stond helder
en vroolijk.
"Ha, mijnheer Gortz, brengt u de beslissing?"
"Ja, mevrouw," en in een adem liet hij er op volgen: "ik
zie van uw fraai, uw vereerend plan af, ik blijf u dankbaar voor uw
goedheid en..."
Zoo snel trekt geen wolk voor de zon en hult alles in een treurig, stormachtig
waas, als het gelaat van mevrouw op Bruno's woorden een somber en ontevreden
aanzien verkreeg.
"Dat meent u niet, mijnheer, u kan mij niet in zulk een valsche,
belachelijke positie stellen tegenover de Van Noordens; het aanzoek
is gedaan, 't is nu te laat, Gisteren had u er niets op tegen en vandaag
spreekt, u weer geheel anders. Dat zijn grillen, die mannen van uw leeftijd
en ontwikkeling volstrekt niet passen. Ik verlang niet een mal figuur
te maken."
[74:]
"Maar dat
is niet noodig, mevrouw, u behoeft slechts te zeggen, dat ik mijn verzoek
intrek; al het belachelijke komt dan op mij neer."
"En ik verkies het niet te zeggen; ik heb mij gisteren schor gepraat
met dien kalen gek."
Nooit nog had de arme Bruno zijn meesteres zoo driftig gezien; zij,
die altijd zoo kalm en onverschillig scheen, kon heftig zijn in haar
droefheid, dit had hij reeds ondervonden, maar dat toorn hare trekken
zoo ontsieren zou, neen, dat had hij nooit verwacht!
"Dan zal ik het den kapitein wel zeggen, als u het goedvindt,"
zeide hij zoo bescheiden mogelijk.
"Maar hoe komt u op dat dwaze idee? Wie is er wijzer dan ik, die
u tegen mijn plannen opgezet heeft? Mag ik dat ook weten?"
"Och, mevrouw," en hij sloeg een anderen, een bijna vaderlijken
toon aan, terwijl hij wat dichter bij haar kwam staan, "wat zou
het mij baten, als ik ook verzekerd was in de weinige overige jaren
van mijn leven een zorgvuldige verzorging te hebben, wanneer ik denken
moest, dat dit slechts was ten koste van onophoudelijke zelfverloochening,
van dagelijks onderdrukten tegenzin en smart bij het arme meisje, dat
haar jong leven aan mijn oude dagen ging verbinden? Een heiliger en
wijzer man, dan ik, zeide reeds eeuwen geleden: Die niet bereid is alles
om den beminde te lijden en hem zijn eigen wil ten offer te brengen,
is niet waardig te beminnen."
Mevrouw Van Leeuwenburgh beet op haar fijnen pennehouder, om haar toorn
te onderdrukken; Bruno vervolgde haast fluisterend:
"Ik heb het gezien, mevrouw, hoezeer de ouderdom en de daarvan
bijna altijd onafscheidelijke ziekten egoïstisch kunnen maken en
ik weet ook dat een vrouw in staat is veel van hem te verdragen aan
wien zij geketend is. U heeft het mij getoond, mevrouw, en daarom huiver
ik bij de gedachte, een bemind schepsel door mijn schuld de helft slechts
te laten verduren van wat ik u zag dragen."
Als door een inwendigen steek getroffen, rees mevrouw Van Leeuwenburgh
op, en met van drift fonkelende oogen beet zij Bruno toe:
"Op zulk een familiairen toon verwacht ik uw intieme gevoelens
niet te hooren; u heeft zich stuitend ondankbaar gedragen jegens mij
door uw dubbelzinnige handelingen. Ik heb het mijne gedaan; 't is uw
zaak, die ik voorstond op uw verlangen, - zij wist toch dat Bruno haar
niet zou tegenspreken; - verandert u als een windwijzer in een nacht
van plan, dan kan ik er niets aan doen. Ik zeg niets meer aan wien ook
over deze zaak, en u kan nu zelf de kastanjes uit het vuur halen, maar
vergeven doe ik u dit gedrag nimmer!"
Geheel verbluft maakte Gortz een diepe buiging en verliet
[75:]
haar; de weeke
stemming waarin Nora hem gebracht had, was verdwenen; hij zou niet meer
ontgoocheld kunnen geweest zijn, als hij voor zijn oogen een engel in
een draak veranderd had gezien, dan nu hij die zachte, goede mevrouw
in zulk een onverdiende, onredelijke gramschap zag ontvlammen; sidderend
dacht hij er aan, hoe alle vrouwen misschien zoo waren en hoe wellicht
Nora ook eens voor hem zou kunnen staan, trillend van verontwaardiging
om een kleinigheid.
"Zij is anders zoo goed, maar toch, 't is lastig als iemand niet
overtuigd wil wezen van zijn onrecht. Ik geloof, dat ik Nora danken
moet voor hare oprechtheid; zij voorzag het zeker, dat lieve kind, hoe
ze mij soms zou moeten tergen, want een vrouw is en blijft een vrouw,
zij kan er niets aan doen, als een duiveltje luid in haar borst begint
te piepen, maar ik zeg toch uit volle borst: "Goddank! beter ten
halve gekeerd!"
Toen Bruno langs hare ramen kwam, tikte mevrouw er op en voegde hem
kortaf toe:
"Geen woord van dit alles aan Fernand!"
Hij boog toestemmend en was blijde, spoedig uit hare oogen te zijn.
Zij verborg nu het gelaat in de handen.
"Alles loopt mij tegen, die zaak moet een wending nemen, 't kan
niet zoo blijven; zou het dan moeten, zou Nora... Ze waren goed bij
mekaar gekomen, die twee! Dat hij ouder is maakt niets uit, hoe kunnen
twee menschen, door geen band aanéén gehecht, die gisteren
mekaar nog vreemd waren en van daag door een belofte voor hun leven
lang vastgekluisterd zijn, hoe kunnen zij dit dag aan dag, jaren lang
samen leven, zonder onophoudelijk toegeven en gedurige moedeloosheid,
al zijn ze ook even oud! Ik had dat kind graag geholpen, mits zij niet
meer stond tusschen Fernand en mij, maar nu ligt alles in duigen, omdat
die vervelende oude ik weet niet wat voor verhevene beschouwing van
de liefde heeft. Heeft een moeder ooit haar zoon bemind zoo als ik,
en is zijn geluk niet mijn eenig doel? Met Nora werd hij diep rampzalig."
Bruno had den kapitein geschreven, dat hij zijn aanzoek introk, wat
Van Noorden zoo kwaad maakte, dat hij dien geheelen volgenden middag
en avond in de Societeit doorbracht en 's avonds thuis kwam in een toestand,
die zijn vrouw alles behalve eervol toescheen. Hij bedreigde den ouden
Gortz met een duel en vroeg werkelijk een paar zijner mede-societeitsklanten
om getuigen te willen zijn; daar deze wijzer waren kwam van de zaak
niets, doch de namen van Bruno en Nora raakten door zijn onverstandig
gedrag op vele tongen en maakten een onderwerp van gesprek uit op verscheidene
theevisites en dameskransjes. Ook Fernand's naam werd er tusschen in
gefluisterd. Zijn mama hoorde alles behoorlijk vergroot door het microscoop
der overbrenging en eindelijk na lang dralen en overwegen, nam zij een
moedig besluit.