VII.
Nora stond voor
het geopende raam, dat uitzicht gaf op den tuin, het waschgoed te strijken
en te vouwen; zij neuriede onder het werk, zag eene naar buiten, waar
haar moeder en de meid aan het bleeken waren, en maakte bij zichzelve
de opmerking, dat het vandaag zulk mooi weer niet was als gisteren.
Er dreven
groote wolken voor de zon en 't waaide meer.
"t Kan in dit akelige land geen twee dagen achter mekaar goed weer
zijn,"pruttelde haar mama.
Nora was het vrij onverschillig hoe 't buiten was, haar gemoed blonk
van zonneschijn; zij zag alles frisch en vroolijk in, en begreep niet
hoe zij, in een andere stemming, dat vouwen en bleeken een allervervelendst
werk had gevonden.
Haar papa kwam binnen, brommend over den tocht, die uit het open raam
viel, over den rommel van 't kinderspeelgoed; zij hoorde 't nauwelijks.
Er werd gebeld; zij wilde naar de deur gaan.
"Blijf aan je werk," klonk het van haar vaders lippen, "ik
ga reeds openen."
Hij kwam binnen met een hoog ernstig gelaat en een fijne enveloppe tusschen
de toppen zijner vingers.
"Een missive van Leeuwenburgh," en hij zag Nora van ter zijde
aan. 't Meisje voelde dat ze in een seconde wit, rood en weer wit werd,
dat hare handen beefden en zij een servet opvouwde als een zakdoekje.
Haar vader opende langzaam het couvert en zeide op afgemeten, deftigen
toon ook tot zijn binnentredende vrouw:
"Ik ben verzocht onmiddellijk naar Leeuwenburgh te komen daar mevrouw
mij over een hoogst gewichtige zaak spreken moet."
"Zeker over den tuin," zei mevrouw Van Noorden onverschillig.
"Dat denk ik niet, ze zal misschien den een of anderen dienst van
mij willen hebben of wel zal zij nu beginnen te spreken over haar zoon."
Een blik zijner vrouw deed hem zwijgen; zonder het te weten
[67:]
of
te willen, had de bedaarde, zorgvolle lda een grooten invloed op hem
verkregen, waarvan hij zelf zich het minst bewust was.
"Ja, ik hoorde zeggen, dat Fernand plan had naar Indië te
gaan, misschien moet ze inlichtingen hebben, maar het beste is, dunkt
me, dat ge je klaar maakt en spoedig heengaat."
"Zal ik geen schoon boordje omdoen; ook mijn manchetten hebben
hun eerste frischheid verloren."
"Kom dan mee; ik zal je helpen."
Toen haar ouders weg waren, liet Nora de handen rusten en zag naar buiten;
de zon kwam van achter een wolk te voor schijn en wierp gouden vonken
in de kamer door het reeds dikke loof van winterklimop op den achtermuur.
Alles, tot zelfs de gewone en verweerde meubels, kaatsten licht terug.
Zij hield de handen voor de oogen, want zij duizelde, als door den overvloed
van glans, die plotseling straalde in hare ziel.
De blik, het woord van den vader, deed haar denken aan iets, wat nooit
te voren in haar geest was opgekomen; zou het kunnen zijn? Mevrouw Van
Leeuwenburgh wilde haar vader spreken over... Neen, zij kon er niet
aan denken, het was dwaasheid. Zij ging naar de keuken, verwisselde
den bout van haar strijkijzer en verjoeg alle gedachten, die oprezen
in haar brein, want zij
mocht er niet aan denken. Haar verstandige mama had gelijk; het gesprek
zou over zaken loopen en over niets anders maar toch bleef, zonder het
te willen, Nora's hart sneller kloppen, zoolang haar vader uit was;
soms verraste zij, die anders zoo vlijtig werkte en nooit opzag. zichzelve
in een lange droomerij, terwijl haar handen op het strijkijzer rustten
en haar oogen de bewegingen volgden van een paar vroolijke vlinders,
die tusschen de dorre takken van een appel boompje fladderden.
"Men kan toch moeielijk werken als 't zulk mooi weer is,"
zeide zij tot haar moeder.
"'t Is veel kouder dan gisteren; we hebben nog geen zomer. Maak
toch wat voort, 't is dadelijk twaalf uur."
En Nora repte zich hoe langer hoe meer; doch haar gedachten gingen een
tooverwereld in en haar oogen verrieden wat haar mond niet uitsprak.
"De wereld is toch overal mooi, mama," zeide zij om toch iets
te zeggen.
"Hier is 't maar een uithoekje der aarde, Indië, dat is de
ware wereld."
De huisdeur werd van buiten ontsloten; met een beklemd gemoed zag mevrouw
Van Noorden hoe haar dochter plotseling haar hoofd omkeerde en een schok
scheen te gevoelen; zij zeide echter niets, maar in haar hart stortte
zij een gebed, om haar lieveling, die wellicht nu haar eerste smart
zou gevoelen, bij voorbaat aan haar Vader in den hemel aan te bevelen.
Van Noorden kwam binnen; zijn gelaat stond hoogst tevreden, en voor
't eerst dacht ook mevrouw:
[68:]
"Zou 't mogelijk
zijn?"
"Dag vrouw, dag dochter!" was zijn ongewone groet.
"Goede tijding?" vroeg mevrouw.
"Zeer goed!"
Hij streek zijn hoed - een zoogenaamde kachelpijp - secuur glad, legde
hem op tafel, ging voor den spiegel staan, streelde zijn eigene en geleende
haren, en toen een paar malen zijn kin en sik, keerde zich om, liep
deftig in de houding van een veldheer tegenover zijn staf, of liever,
van een haan tusschen zijn kippen, langs de tafel, zonder vrouw en dochter
aan te zien en begon eindelijk:
"Ik heb een lange conferentie gehad met mevrouw Van Leeuwenburgh."
"Dat viel me nog al mee. Ik had je zoo gauw niet thuis verwacht."
"Och, wat weet jij er van! Is de koffie klaar?"
"Nu, wat zou dat?"
"Wil je zoo goed zijn daarvoor te zorgen; ik moet mijn dochter
alleen spreken."
"En heb ik geen recht daarbij te zijn?"
"Versta je mij niet? Alleen, onder vier oogen heb ik gezegd!"
Zwijgend ging mevrouw Van Noorden heen, overtuigd als zij was, dat haar
man veel te koppig was om toe te geven, en uit medelijden voor de arme
Nora, die altijd door streek, zonder op te zien, maar wier toestand
van spanning zij besefte.
't Scheen ook zeker iets smartelijks wachtte haar dochter niet, een
onverhoopt geluk misschien.
"Nora," sprak de kapitein plechtig, "ga zitten, kind!
Zet dat strijkijzer neer!"
Zij gehoorzaamde, verborg haar bevende handen onder haar voorschort
en terwijl zij vlak tegenover haar vader zat, vermeed zij hem aan te
zien, maar vestigde haar blikken op 't stukje blauwe lucht, dat zich
tusschen de takken van den appelboom vertoonde.
Wat zij in die angstige spanning dacht, wist zij later niet meer, maar
nimmer zou zij in de toekomst naar den hemel door dien dorren boom zien,
zonder te denken aan dit oogenblik.
"Ik moet u spreken over een ernstige zaak, kind! Je bent mijn oudste
dochter! Ik heb je lief, boven al je andere broertjes en zusjes - dat
had zij nooit vermoed - want je bent het ook waard - hij had dit eerst
dezen morgen leeren inzien- je zijt een lief, zacht, huishoudelijk kind
met een plooibaar karakter, en nu ben je toch op dien leeftijd..."
Een vogeltje kwam op een der takken zitten en tjilpte zoo hard 't slechts
kon.
"...dat men denken moet aan een stand in de wereld. Toen zij zoo
oud was als jij, had je moeder reeds haar tweeden man. 't Is mijn grootste
zorg steeds geweest, iemand te vinden
[69:]
je waardig, doch
licht doet zich de gelegenheid daartoe niet op, dat zult ge wel gemerkt
hebben. Onze fortuin is niet van dien aard, dat we casino's en andere
bals frequenteeren kunnen. Verbeeld je dus mijn verrassing, toen ik
een huwelijksvoorstel voor je ontvangen moest van onze goede, lieve
mevrouw Van Leeuwenburgh voor haar..."
Van Noorden raapte een knoopje op van den grond.
"Wat ben je toch altijd even slordig. Van wiens buis is die knoop
toch? Wanneer zal ik je eindelijk leeren eens Hollandsch te worden?"
Nora nam het knoopje en zag haar vader vragend aan. Deze wist den draad
zijner rede nog niet zoo gauw terug te vinden en begon weer:
"Nu, wat dunkt je? Beter voorstel kon niet komen. Hij is wel niet
jong meer, doch dat is minder. Zoo'n spring-in-'t-veld is ook niet alles;
ik moet je zeggen, dat ik altijd het grootste respect heb gehad voor
mijnheer Gortz."
Nora barstte niet in tranen uit; bleeker kon zij niet worden; eenvoudig
haalde zij de handen onder het voorschoot weg, stond op, nam het strijkijzer
weer in de hand en streek werktuigelijk over het laken, dat op de tafel
uitgespreid wal; de vogel tjilpte nog altijd tusschen de takken, de
zon speelde als te voren met licht en bruin, een minuut was voorbijgegaan,
maar Nora scheen het toe, dat de geheele wereld veranderd, of alles
even koud, even afschuwelijk geworden was.
"Nu, wat zeg je er van, antwoord me nu! Mevrouw wil dien goeden,
besten Bruno vorstelijk beloonen. Zij laat een prachtig huis voor hem
zetten, zij geeft u een huwelijksgift mee; alles uit vriendschap en
dankbaarheid jegens Gortz en uit sympathie voor ons, Indischen. Ik heb
mevrouw dan ook hartelijk bedankt, en beloofd ook uit jouw naam, dat
wij van haar aanbod met alle bescheidenheid zouden gebruik maken."
Nora streek door.
"Maar bevalt je mijn voorstel niet. Zeg toch één
woord, hoe vindt je het idee?"
"Ik weet het niet."
"Wat! laat me dat nog eens hooren, wat 'n dom antwoord; wat zijn
dat voor liplapsche kuren; dat bloed zit er in en al ben je ook al je
heele leven in Holland geweest, dat gaat er nooit uit. Ik heb je expres
alleen willen spreken, omdat ik bang was voor een of andere dolle exclamatie
van je mama en nu, wat geef je me tot antwoord? Een domheid! O, ik begrijp
het wel, je hadt liever dat jongmensch tot man gehad, maar ik voor mij,
ik vertrouw je veel liever aan zoo'n bezadigd, kalm man als Gortz, dan
aan zoo'n verwaanden leeglooper als Fernand."
Nora nam de hoopen goed, die zij gestreken had, bijeen en verliet de
kamer.
Van Noorden stond in beraad haar bij den arm te vatten en
[70:]
te dwingen een
antwoord te geven, doch hij deed het niet, en liet haar begaan.
Boven gekomen in de ontzaglijke kamer, die de hare werd genoemd, legde
zij het linnengoed op de tafel en viel toen met het hoofd in de handen
snikkend daartegen aan.
Zoo vond haar mevrouw Van Noorden, die, zonder haar man eerst te spreken,
Nora naar boven gevolg was.
"Mijn kind, mijn lief kind" en zij sloot Nora's hoofd in hare
armen, "ik dacht het wel, het was niet om hem, dat zij papa liet
roepen."
Lang bleef Nora wenen en in de armen harer moeder, haar vertellende
wat papa gezegd had, en eerst toen de ruwe stem van den kapitein beneden
riep:
"Ida, is de koffie nog niet klaar?" richtte zij het bedroefde
hoofdje op en snikte: "Ga naar beneden, mama, ik kan niet!"
"Blijf maar gerust hier, Nora, ik zal je koffie boven brengen."
"En wat zal papa zeggen?"
"Ik zal hem vertellen dat jij je bedenkt. We zullen je immers nooit
dwingen tot een huwelijk."
"Dat weet ik wel, maar ach! 't is mijn eigen schuld. Hoe kon ik
zoo dwaas zijn, ik dacht..."
"Ja, ik begrijp 't wel, ik dacht het ook een oogenblik, maar spreken
we er niet over. 't Is altijd zwaar een teleurstelling te lijden, Nora-lief,
maar zoo is het leven en God wil het zoo. Tot straks dus, ik zal bedaard
met papa spreken en je zult zien dat alles goed afloopt."
Nora begon opnieuw te schreien toen haar mama vertrokken was. Het leven
scheen haar zoo'n ondragelijk zware last toe; tot nu toe was het alles
behalve aangenaam en vroolijk geweest, maar eigenlijke smart was haar
vreemd; zij was tot voor eenige dagen geleden er aan gewend; zij had
de vreugde niet gekend, zij was als het ware voortgegaan langs een eentonigen,
kalen weg maar plotseling vertoonde zich aan haren geest een schitterend
beeld; zij had de lippen gezet aan den bedwelmenden beker, die het vooruitzicht
op 't geluk geeft, en nu werd die beker van haar lippen geslingerd,
nu was het tooverland verdwenen. Zij begreep, dat het slechts een niet
te vergeten droom was geweest, en dat zij nu weer jaren en jaren lang
datzelfde pad van vroeger volgen moest. Was het huwelijksvoorstel kort
te voren haar gedaan; zij had het aangenomen, daar het verbetering zou
brengen in de positie harer moeder; zij kon dan een paar kinderen bij
zich nemen, zij zou niet gescheiden zijn van mama. Bruno was een goede,
achtenswaardige man, en het huwelijk scheen haar toch niets anders toe
dan een opeenvolging van dagen vol zorg, angsten en eentonigheid. Zij
was er aan gewoon en schrikte er niet voor terug. Nu echter voelde zij
zich neergeworpen van een hoogte, van licht beroofd, uit een schoone
wereld verstooten, onverstandig
[71:]
en vernederd in
haar eigen oogen; maar lang bleef zij niet in die neerslachtige houding.
Zij stond op, bergde, soms nog snikkend, het waschgoed in de kasten
en bij 't diner scheen er niets bijzonders met haar gebeurd te zijn,
alleen het gelaat haars vaders stond strak; er schenen stormen verscholen
in de onweerswolken, die over zijn voorhoofd streken. Hij had met ruwe
stem tegen zijn vrouw gezegd:
"Goed, weiger dit voorstel als je wilt. Ik sta er op en zoo niet..."
Moeder en dochter voelden dat zij een zwaren strijd te voeren hadden
en dat de vrede in huis gevaar liep.