VI.
Bruno Gortz ontving
den volgenden morgen een boodschap van zijn mevrouw, dat zij hem noodzakelijk
spreken moest.
Hij rukte zich los van zijn werk, dat vandaag juist bijzonder goed vlotte,
en begaf zich naar het hoofdgebouw; in de huiskamer vond hij mevrouw,
die met haar caissette voor zich eenige papieren in orde bracht.
"Ha, mijnheer Gortz, 't doet me pleizier, dat u gekomen is, en
nog wel zoo spoedig; neem plaats, we zijn alleen thuis. Emilie is naar
haar naaivereeniging en Fernand de stad in, we kunnen dus eens gemoedelijk,
zonder gestoord te worden, een woordje spreken."
Bruno boog zwijgend en vroeg zich min of meer ongerust af, waarheen
mevrouw wilde.
"Ik zag juist na," ging mevrouw voort, "hoeveel diensten
ik zooal van u genoten heb, De lijst is niet klein, Gortz."
"O, mevrouw! hoe zou ze lang genoeg kunnen zijn... U weet, hoe
ik altijd Fernand en u... ach, u weet het... altijd heb ik mijn best
gedaan om. . . ."
"Ik weet het, mijnheer Bruno, ik ben er van overtuigd en ik zie
de noodzakelijkheid in u te beloonen, recht koninklijk te beloonen."
"Mevrouw," en hij maakte een beweging als om op te staan,
"nu bedroeft u mij!"
"Dat volstrekt niet! Ge weet mijn plannen nog niet eens, en nu
wilt ge reeds u daartegen verzetten. Met geld beloont men zulk een vriendschap
als de uwe niet; cadeaux heb ik u genoeg gegeven. Wat blijft me over?
Ik wil u het hoogste schenken, waarop de mensch hier beneden aanspraak
mag maken. Geluk!"
"Maar ik ben gelukkig; mevrouw, wat zou er aan mijn geluk ontbreken?
Fernand dagelijks zien, u behulpzaam zijn, mij verheugen in zijn triomfen,
en verder leven tusschen mijn goede boeken, wat zou ik meer wenschen?
Een ding slechts," en de goede man kneep zijn oogen toe en plooide
zijn mond tot een
glimlach, die geheimzinnig heeten moest, overtuigd als hij was iets
recht aangenaams te zeggen, "hier vroolijke kinderstemmen te hooren.
Een tweeden kleinen Fernand opnieuw onderwijzen..."
Hij kon niet zien hoe mevrouw ongeduldig met haar eene voetje over het
andere streek en dus vermoedde hij niet, welke moeite zij had om haar
gelaat den gewonen kalmen plooi te doen behouden.
"Dat is een zaak van latere zorg; maar, Bruno, ge zult mij niet
doen gelooven, dat gij op uw leeftijd, want ge zijt nog sterk
[64:]
en ziet er niet
oud uit, geen andere wenschen hebt. Wat zoudt ge zeggen van een nette,
lieve woning, een vroolijke huiskamer, die op uw studeerkabinet uitkwam,
een vrouwtje, dat gij het uwe kondt noemen en wie weet... nog een paar
engelenkopjes misschien om u heen."
Een lichtstraal blonk even op het perkamenten gelaat van den geleerde,
doch dadelijk weer schudde hij het hoofd.
"Een mooi vizioen, dat u mij voortoovert, mevrouw! Maar ach! 't
is het vizioen van den kleinen Columbus; dat geluk past mij niet meer,
ik ben te oud er voor. Ik zou me niet kunnen plooien naar de wenschen
en de gewoonten eener vrouw, hoe goed zij ook was. Wellicht zou ik haar
niet gelukkig kunnen maken!"
"Zij zal uw geluk moeten nastreven, Gortz, en dat zal ze ook uitmaken,
als zij haar karakter slechts naar het uwe weet te voegen, als zij zacht,
geduldig, niet veeleischend, in haar meisjes leven weinig gewoon is,
als zij uwe studiën begrijpt en uw talent hoog vereert."
"Maar zulk een vrouw ken ik niet."
"Dat zullen we eens zien. Laat me oprecht spreken; 't is altijd
één mijner illusiën geweest, dat gij en Emilie...
O schrik zoo niet, mijnheer Bruno... ik zie nu wel in, dat zij niet
waard is in uw schaduw te staan, dat zij u alleen zou willen nemen om
van haar oudvrijsterschap verlost te worden, en was ze eens uw vrouw,
dan maakte zij u rampzalig door haar kleingeestigheid, haar weinige
ontwikkeling; maar ik ken er één... Zeg, mijnheer Gortz,
vertrouwt u mij als ware ik uw zuster?"
"O, mevrouw! dat weet u wel!"
"Nu, herinnert gij u niet, dat een vriendelijke hand eens uw kamer
uit de grootste wanorde tot een keurig interieur herschiep? Dat zij
met verstand uw boeken wist uit te zoeken en te rangschikken. Weet ge
van wie die hand was?"
"Nog niet!"
"Toch zeker van iemand, die meer eerbied heeft voor uw eigenaardigheden
dan Emilie bijvoorbeeld. Ik weet wie het meisje is, dat hoog tegen u
opziet, dat zonder moeite zich zou kunnen verzoenen met de gedachte,
haar leven naast u door te brengen. Wat zegt ge van zoo'n lief, net,
verstandig vrouwtje?"
Hij schudde het hoofd.
"Ge kent haar goed, zij komt nu en dan bij u op de kamer en als
een fee brengt ze alles in orde om u heen. Raad nu eens, Bruno!"
"Toch niet... Nora?"
"Zeker. Nora, dat lieve, vriendelijke kind, heeft met onze meiden
uw kamer getransformeerd, zonder iets in de war te brengen; in haar
bescheidenheid wilde zij het niet eens voor u weten. Kom nu, mijnheer
Gortz, wat dunkt u, zou zij nu niet alle vereischten hebben, die u wenschen
kan in een echtgenoot?"
[65:]
"Maar, mevrouw,
ik heb er nooit aan gedacht. Nora is zoo jong, zij zou mijn dochter
kunnen wezen."
"Des te beter. Jeugd schikt zich in alles, dus ook in uw zonderlingheden."
"Maar ik ben haar veel te ernstig."
"Nu, Nora is ook geen dartel kind, zij heeft haast geen jeugd gekend;
de zorgen hebben haar vroeg tot ernst gestemd."
"Zij zal niet willen."
"Dat moeten we nog eerst zien. Wil u?"
"Maar, mevrouw, mijn hoofd is zoo verward door dat onverwachte
denkbeeld. Ik weet niet hoe het op te nemen: ik heb sedert mijn jeugd
nooit aan trouwen gedacht."
"Voor goede dingen is het nooit te laat. We zullen uitspreken,
niet waar? Hier hebt u den plattegrond van Leeuwenburgh. Dit is uw huisje,
nu zullen we hier," en zij trok met haar potlood een lijn, "een
afsluitingsmuurtje maken, dat stuk van den moestuin zal ik u afstaan,
en dan laat ik uw cel tot den grond toe afbreken en op de plaats daarvan
een huisje zetten van twee verdiepingen; twee ramen en een deur aan
de voorzijde, drie vensters op zij, een veranda achter! We zullen het
kooitje zoo lief mogelijk maken voor uw aardig vogeltje."
"Mevrouw, u is wel goed, u is te vriendelijk! Maar ik kan geen
vrouw onderhouden; wat ik bezit, dat weet u wel, vliegt door mijn vingers,
't is voor mijn boeken."
"Of voor uw armen, niet waar, goede mijnheer Bruno? Maar als men
zooveel jaren gewerkt heeft voor anderen, dan wordt het ook eens tijd
aan zichzelf te denken. Trouw met Nora, maak haar gelukkig, en 't overige
volgt van zelf. Verbeeld u maar, dat zij mijn dochter is, dan begrijpt
u wel, dat zij niet zonder een bruidsgift het moederlijke huis verlaten
zal."
"U maakt mij de zaak zoo gemakkelijk, mevrouw, dat ik niets te
doen heb dan maar aannemen."
"Ik zal ze u nog gemakkelijker maken, als u wilt; ik zal spreken
met den vader en dan, als u van zijne toestemming zeker zijt, dan behoeft
u slechts een visite in gala bij het meisje te maken en de zaak is beklonken."
"Laat mij wat tijd, mevrouw, om over uw voorstel na te denken.
't Is zoo verrassend! Nora trouwen, ik had er nooit aan gedacht, ofschoon
ik haar altijd een lief, zacht kind heb gevonden."
"Dat is zij zeker! O, ik zou u beiden zoo gaarne gelukkig willen
zien; wie weet of ik, als u getrouwd zijt, geen betere betrekking voor
u vinden kan; ik heb een zwager in den Haag, die zeer veel invloed heeft
bij het ministerie, misschien zal hij kunnen bewerken, dat gij bibliothecaris
wordt aan de een of andere landsinrichting."
Bruno stond op; hij beefde van ontroering en leunde met de eene hand
op de tafel.
"Zoo beloon ik," vervolgde mevrouw, "aan u is het er
gebruik
[66:]
van te maken. Wil
u zich nog bedenken, of geeft u mij volmacht de familie te polsen?"
"Iets beslissends doen, omevrouw!"
"Neen, neen, niets dat beslissen kan! Een eenvoudig onderzoek,
waarna wij verder zullen zien en nog eene de zaak in overweging nemen.
Och, Bruno, wat zal het Fernand genoegen doen te hooren, dat u mijn
plan goedkeurt; maar ik leg u een diep geheim op, vooral tegenover hem."
Nauwelijks was Bruno heengegaan of mevrouw Van Leeuwenburgh schreef
haastig eenige regels en riep een der meiden om deze naar kapitein Van
Noorden te brengen.