V.
Het avondeten wachtte beide dames op Leeuwenburgh, maar mevrouw wilde
niets anders gebruiken dan een kopje thee, waarna zij met een zwijgenden
groet naar haar kamer ging.
"Mijn hemel," dacht Emilie, terwijl zij met smaak haar tweede
broodje aansprak, "wat haar zoo uit het humeur mag gebracht hebben?
Zouden ze Fernand niet genoeg hebben gefêteerd? Een raar mensch!
hoeveel jaren wonen we toch al niet samen en nog ken ik haar niet door
en door!"
Ondertusschen had mevrouw zich verkleed in haar warmste kamerjapon,
borstelde zich de lange haren uit, draaide haar lamp hooger en zette
zich met een boek neer in een gemakkelijken fauteuil, maar zij zou haar
geest niet vermoeien door het studeeren in de bladzijden vóór
haar. Met het hoofd in de hand verborgen, bleef zij roerloos zitten,
verdiept in hare eigene gedachten. Wel had haar moederhart dezen avond
getriomfeerd. Zij had aan de geheele stad getoond hoe zij haar roeping
begrepen, hoe zij haar zoon tot man gevormd had. Zijn succes kon haar
niet onverschillig gebleven zijn, maar de schoon-
[56:]
ste
rozen laten niets na dan hun geur, die reeds lang verdwenen is als men
pas den pijnlijken steek voelt van de doornen.
Een doorn had mevrouw Van Leeuwenburgh geprikt en nu greep een duister,
akelig voorgevoel haar aan.
"'t Is gedaan, mijn taak is geëindigd. Nu begint de avond."
dit was het telkens terugkomend refrein harer mijmeringen en zij streek
zich langs de oogen, tuurde op het boek, vergeefs!
Een schaduw, die langzamerhand duidelijker werd totdat ze in een gemakkelijk
te herkennen beeld voor haar stond, scheen onophoudelijk de doodsklok
te luiden van haar geluk.
Die schaduw had haar altijd als een spookbeeld voor den geest gezweefd;
altijd had zij gestaan tusschen haar en Fernand; in zijn jeugd wijdde
ze nauwelijks eenige aandacht aan die vage, nevelachtige omtrekken,
maar met elk jaar werd de figuur sterker en zichtbaarder, soms, maar
slechts voor eenige oogenblikken, nam het zelfs een gelaat aan, doch
dat duurde niet lang; een sluier bleef voor het aangezicht hangen tot
op dezen avond.
Nu zag zij het gehate beeld weer staan aan den arm van Fernand; het
zag hem glimlachend bewonderend aan, en hij boog zich ter zijde en fluisterde
zij kon niet hooren wat. Doch de blikken spraken genoeg en zij stond
op eenigen afstand, zo zag dat liefelijke spel der oogen, maar geen
van beiden bemerkten haar. Een groeve scheidde hen, zij vermoedden het
niet eens: zij was vergeten!
Met een electrieken schok sprong zij overeind; dat was een droom, een
dwaze, kinderachtige droom. Hoe onverstandig zich daaraan over te geven.
Waarom niet liever stil te rust gegaan? Morgen zou al haar angst vervliegen,
als de duisternis voor de eerste zonnestralen.
En als het toch waar was; als eindelijk de kwelgeest van haar leven,
het nooit uitgesproken, maar toch nooit vergetene schrikbeeld der toekomst,
werkelijkheid ging worden, als zij terug moest treden, glimlachend moederlijk
blijde, plaats diende te maken voor.... bevend ontgleed her gehate woord
haar lippen...
"Een schoondochter."
Snikkend viel zij in de kussens van den fauteuil terug.
"Neen, neen, ik heb alleen recht op zijn liefde. Ik heb immers
zijn geest gevormd, zijn hart veredeld, ik heb van hem gemaakt, wat
hij nu is en dan zou ik zijn hart moeten deelen met een vreemde; hij
zou haar liefhebben, o ja met een andere liefde als die hij voor mij
gevoeld, maar toch een sterkere, een door eeden bevestigde liefde, en
dan zullen er meer komen, wie zijn hart toebehoort en ik zal hoe langer
hoe meer achteruit gedrongen worden in het uiterste hoekje van zijn
hart; ik zal de grootmoeder zijn, of wel de lastige, veeleischende schoonmama,
wie 't langzamerhand genoeg zal blijken, dat ze beter deed heen te gaan,
al was het dan ook naar een andere wereld."
[57:]
Zij
was bitter gestemd; te heftig was haar vrees, dan dat zij denken kon
aan de woorden, die zoolang in haar geest hadden weerklonken:
"De liefde is niet zelfzuchtig."
Zij dacht er niet aan; 't was immers onbillijk, dat zij nu zou moeten
ter zijde gaan, om een onbeduidend persoontje als Nora te laten heerschen
over haar afgod, haar trots, haar eenig kind.
Lang bleef zij achterover liggen; eindelijk richtte zij zich op en wierp
zich te bed. Afmatting na haar hevige gemoedsaandoeningen sloot haar
spoedig de oogen; zij sliep vast zonder droomen, zonder benauwende vizioen
en eerst laat in den morgen toen de vroolijke lentezon door de ramen
viel en op het tapijt een groote ruit teekende, versierd met slingers
van wijngaardranken, opende zij de vermoeide oogen.
Haar eerste beweging was te glimlachen over haar voorbarige smart en
zorgen van gisteravond. Van hoe weinig hangt onze stemming af voor een
geheelen dag en de daaruit zoo vaak volgende handelingen! Was in plaats
van een zonnig, helder daglicht, een grauwe mist in hare kamers gevallen,
dan zou mevrouw Van Leeuwenburgh niet zoo gemakkelijk al haar nachtelijke
bekommeringen hebben afgeworpen; zij had met het ontwaken opnieuw den
last gevoeld, die op haar schouders gelegd was, het leven zou haar vervelend
en zwaar zijn voorgekomen en in plaats van haar angsten te hebben aangezien
als het gevolg van een overspannen geest, zouden zij haar nog grooter,
nog belangrijker zijn voorgekomen dan te voren.
Zij stond haastig op, zette zich voor haar toilettafel om met haar coiffure
een begin te maken. toen er aan de deur getikt werd.
"Binnen!" riep zij, en Fernand trad geheel gekleed binnen,
een kop koffie in de hand.
"Ik maakte me ongerust over u," zeide hij. "Emilie vertelde
me, dat u gisteravond niets gebruikt had en zoo stil was; ik vreesde
voor een ongesteldheid."
"'t Was niets," antwoordde zij glimlachend, "een weinig
hoofdpijn: ik ben niet gewoon onder zoo vele menschen te komen, dat
heeft me duizelig gemaakt."
"En is u nu geheel heter?"
"O ja; zet het kopje neer, Fernand, dank je wel voor de attentie.
En hoe hebt ge je geamuseerd?"
"Uitmuntend; ik ben pas om twee uur thuis gekomen."
"Van belang! Wat ben je dan aan het feestvieren geweest; 't doet
me pleizier dat alles zoo goed is afgeloopen. 't Heeft mij veel inspanning
gekost, zoo onverschillig en koud te blijven in het gezicht van al die
menschen, die, ik voelde het, elk mijner trekken bestudeerden."
"Maar, lieve mama, mocht men dan niet zien dat u trotsch was op
uw zoon?"
"IJdele jongen, wie zegt je, dat ik het was?"
[58:]
Hij
zat op de breede vensterbank, zooals hij het als knaap zoo dikwijls
plachtte doen terwijl zijn mama haar lange vlechten maakte of aan haar
bureau zat te schrijven, en hij haar allerlei vragen deed over zijn
werk, zijn lectuur of zijn plannen in de toekomst.
"Zeg niet dat ik ijdel ben, mama, neen dat wil ik niet zijn; ijdelheid
is banaal, ijdelheid is dom. Ik vind het zoo armzalig te hooren: die
lof zal hem ijdel maken, dus we moeten dat jonge mensch niet te veel
prijzen. Alsof er iemand is, die beter dan ik zelf weet, hoe weinig
't aan mij ligt iets werkelijk goeds te maken. De inspiratie komt niet
van mij, ik moet hem terugkaatsen, dien hemelschen straal, en ach! ik
die hem ontvangen heb in vollen luister en glans. kan het beste oordeelen,
hoe flauw het beeld is, dat ik teruggeef; en zoo, dunkt me, lieve mama,
moet u nooit heel tevreden over mij zijn, want u had zeker een ander
ideaal voor oogen, toen u bezig was uw opvoedingsplan te ontwerpen."
Had mevrouw Van Leeuwenburgh haar eigen gevoel den vrijen loop gelaten,
zij was opgestaan, zij zou hem vol vuur het voorhoofd gekust en uitgeroepen
hebben:
"Neen, Fernand, neen, lieveling! Zooals ge nu zijt en niet anders
had ik u gedroomd, maar ach! Beloof toch dat nooit een vreemde zal staan
tusschen u en mij!"
Maar zij weerhield zich; kalm stak zij hare vlechten om haarschildpadden
kam en antwoordde:
"Noem het boek niet onsterfelijk, vóór 't eenige
geslachten overleefd, en den mensch niet goed, vóór hij
den strijd des levens medegemaakt en dan overwonnen heeft. Maar tot
nu toe klaag ik niet, integendeel!"
Nora kwam een paar uur later langs Leeuwenburgh, met haar broertjes
en zusjes, die een vrijen middag hadden. Zij gingen naar een heuvel,
die het begin van een groote door dennenbosschen afgewisselde heide
uitmaakte, en vanwaar men veel schaduw en een fraai gezicht op de stad
kon hebben.
't Was een heldere, zonnige namiddag; alles was in het eerste tijdperk
van ontwaken en jeugdige kracht. De Maartsche stormen schenen uitgewoed;
de zon gaf warmte, de zoele zuidwestenwind joeg de nevelen voor zich
uit; overal, als hadden zij een wachtwoord ontvangen, haastten zich
de struiken hun knoppen te doen zwellen en nieuwsgierig loerde de jonge
blaadjes uit de gescheurde hulsels, om toch spoedig te weten, waarom
een stem hen geroepen had tot leven en bloeien.
De hemel was zoo glad en effen als kon daar nooit meer een wolkje aan
verschijnen om onweer of regen aan te kondigen; de zwaluwen keerden
terug en de ooievaars zochten hun nesten op; 't scheen of alle herinnering
aan ouderdom, zwakheid, dood of lijden van de wereld weggevaagd was,
of er niets dan geluk en vreugde bestraald werd door die heldere, vroolijke
zon, in de schaduw dier bloeiende of tenminste uitbottende boomen, bij
dien
[59:]
frisschen
lentegeur, welke uit bosschen en weiden omhoog steeg.
Nora had al dikwijls schoone lentedagen bijgewoond, en de zon zien schitteren
met een kracht en glans, welke aan een tropische natuur ontleend scheen,
maar zij had er nooit zoo op gelet als vandaag. Tot nu was het leven
voor haar niet veel meer geweest dan een opvolging van boterhammen snijden,
aardappelen koken, kinderkleeren naaien, vitterijen van papa aanhooren,
ergernissen over meiden en winkeliers verdragen, niets anders dan de
gewone sleur van een leven, dat in de onmiddellijke worsteling met het
koudste proza nauwelijks het bestaan vermoedt van een hooger geestelijk
leven.
Maar vandaag was alles anders; 't scheen of om haar alles bezield was,
of de bloemen vriendelijk naar haar opzagen, de vogels met hun vroolijk
geklapwiek en zacht getjilp haar toeriepen: "Hier zijn we weer,
kent ge mij nog?" of de zon haar fluisterde van vele schoone dagen
na deze; alles, alles scheen veranderd!
Zij had er nooit aan gedacht, hoe lief de stad daar lag, hoe aardig
het riviertje in de verte leek, omzoomd als het werd door wilgen en
populieren; zij wandelde als in een toovertuin.
"Zou het land, dat de kleine Columbus in zijn verbeelding zag,
schoon er zijn dan dit?" vroeg zij zich af en vermoedde niet, hoe
't aan haar eigen gemoed lag, dat zij alles in zulk een wonderlicht
aanschouwde. De knapen liepen vroolijk onder de dennen. Marietje en
een schoolkameraadje van haar vlochten kransen van boterbloempjes en
meizoentjes. Nora zat op een hoogte met mos begroeid aan den rand van
het bosch.je en daar zij nooit met leege handen zitten kon, breide zij
druk aan een paar kousjes voor Jozef.
"Nora," hoorde zij plotseling roepen; verschrikt zag zij op,
Fernand stond iets verder. Zij bloosde van verwarring, en liet haar
kluwentje vallen. Hij raapte het op en zette zich naast haar.
"Ik zag u langs komen," zeide hij, "ik was in den moestuin,
die hier tegen den heuvel uitkomt. Hebt ge een goeden nacht gehad? Mama
is met hoofdpijn thuis gekomen."
"Dat spijt me, 't was ook erg warm in de zaal. Ik geloof dat ze
nog gestookt hebben; maar ik heb goed geslapen, ofschoon ik wel droomen
moest van Columbus. 't Was zoo aandoenlijk, en als men dan weet hoe
het met hem afgeloopen is," zij bloosde hevig, terwijl ze hem aldus
een blik vergunde in haar schatkamer van kennis. "Dat hebt ge ook
zeker in uw gedicht verhaald, Fernand."
"Ik heb er niets van in portefeuille. Zie je, wat ik gisteren voorlas
is maar een fragment van iets, dat misschien pas klaar zal komen, als
ik twintig jaar ouder ben en er meer talent toe heb."
"Een heldendicht?"
"In dat genre tenminste; maar ik heb den dood van Columbus reeds
beschreven."
[60:]
Zij
zag hem smeekend aan.
"Ik zal je 't manuscript eens voorlezen, als je wilt."
"O Fernand, hoe graag!"
"Je komt zelden bij ons."
"Och, we hebben het zoo druk."
"Je vergaat bij u aan huis in proza. Weet je eigenlijk wel, waartoe
poëzie dient?"
"Ja, nu weet ik het! Is dat geen poëzie, die heerlijke lentemiddag,
die zon, die bloemen, die lieve vogeltjes? Mijnheer Bruno heeft me veel
verteld over poëzie en verzen, maar nu eerst begrijp ik, wat hij
meende."
Fernand zag haar aan, terwijl hij schijnbaar gedachteloos haar kluwen
op en neer wierp.
Wat had hij zich vergist in dat meisje; nimmermeer zou hij haar een
verwelkt knopje noemen; wat kaatsten haar oogen, haar glimlach de lentezon
terug; hoe verstandig sprak zij en hoe eenvoudig bleef zij in haar beweringen!
Zou hij eer hebben van die verandering, had hij door zijn poëzie
leven gegoten in het steenen beeld? Was 't hem nu reeds gegeven een
zending te vervullen door zijn talent? Fernand kon het idee van ijdel
worden zoo ver van zich afwerpen als hij wilde, een gevoel van zelfbehagen
onderdrukken vermocht bij niet, bij de gedachte dat hij een sluimerend
gevoel in een meisjesziel opgewekt en er een kracht aan gegeven had,
die haar geheel en al bezielde en verhief.
Dat de kleine Nora altijd tot hem opgezien had en hij een ruime plaats
in de kleine wereld harer gedachten innam, vermoedde hij niet.
"Houdt je van verzen?" vroeg hij.
"Ja, zeer veel!"
"Versta je Fransch?"
Blozend knikte zij van ja.
"Ik heb hier een boekje bij me waar ik een paar fransche beschrijvingen
vond van een morgen als deze. Wil je eens hooren?"
"Ik vind de werkelijkheid mooier," sprak zij toen hij gedaan
had met het voorlezen, maar zeer verlegen en zacht.
"Ik ook, maar Nora, de kunst is slechts een nabootsing van 't werkelijke,
en daarom moet zij door te streven naar iets ideaals de natuur zien
te overtreffen, want iets zal altijd aan het schoonste voortbrengsel
van kunst ontbreken: het leven!"
En zoo bleven zij praten, of liever, hij sprak en zij luisterde toe;
hij verhaalde haar van de wonderen, die hij gezien had op reis, van
de overblijfselen der klassieke oudheid in Athene en Rome, van de pracht
der Italiaansche paleizen en den luister der Spaansche kathedralen,
van de heerlijkheid der natuur in Madera en Sorrente, maar hij zweeg
over zijn aandoeningen, zijn geestdrift en dweperijen. Dat aan te hooren,
was Nora nog niet waardig.
[61:]
Voor
beiden ging een uur te snel om; de kinderen speelden in de schaduw der
dennen; Marietje en haar vriendinnetje alleen slopen naderbij en luisterden
mede. Het was dus zeer onverwacht dat een stem, die noch zacht, noch
melodieus klonk, van terzijde riep:
"Fernand, uw mama wacht reeds twee uur lang op u om te wandelen!"
en Emilie kwam op een eerbiedwaardigen afstand er aan gewandeld.
"O foei!" riep Fernand, "wat ben ik lomp geweest! 't
Is schande dat ik mama zoo lang liet wachten. Bonjour, Nora, tot een
van deze dagen."
Hij zag naar 't kluwen, dat hij onder het praten bijna geheel afgewonden
had en was er verlegen mede.
"'t Is niets," sprak zij verschoonend, "ik zal het wel
opwinden," en hij gaf het haar in de hand.
Met jongensachtige vlugheid wilde hij den heuvel afloopen, doch raakte
in het garen verward. Marietje merkte het 't eerst, dat hij tusschen
twee draden liep en gierde het uit van 't lachen. Nora haalde hem in,
juist toen hij aan den ingang van den moestuin stond en bevrijdde hem
uit het lastige spinneweb.
Emilie zag het tooneel, zij was bijziende en meende niet anders dan
dat Nora nader was gesprongen om nog een tête à tête
met Fernand te hebben. 't Was haar de moeite waard, dit eens bij wijze
van grap aan mevrouw Van Leeuwenburgh te vertellen.Gisteravond reeds
had zij 't hare gedacht van die twee.
Ondertusschen ging Fernand snel naar binnen, verwisselde zijn tuinhoed
met een andere en kwam glimlachend naar zijn moeder toe.
"Wat heb ik mijn tijd verpraat, lieve mama, u moet het me niet
kwalijk nemen, ik ben ter uwer dispositie."
Mevrouw Van Leeuwenburgh dacht dat Fernand bij Gortz was geweest; zij
maakte zich gereed en verklaarde dat het juist nu de beste tijd was
om te wandelen.
Zij gingen dan samen uit, langs een fraaien weg, die de rivier op een
afstand volgde, en eindigde bij een nette uitspanning, waar zij een
verversching gebruikten.
Fernand verhaalde niets van zijne ontmoeting; hechtte hij er zoo weinig
waarde aan of wel zweeg hij omdat hij bij ondervinding wist, dat zijn
mama hem niet graag over mooie of lieve meisjes hoorde spreken?
Thuis gekomen, was het lang over den gewonen tijd van 't diner; Emilie,
wier zwakke maag een zorgvuldige verpleging eischte en vooral geen onregelmatigen
levensregel verdragen kon, had reeds in de keuken gegeten en was nu
naar de stad gegaan om een paar boodschappen te doen, zoodat zij eerst
een uur later, nadat Fernand van zijn mama afscheid had genomen om den
avond bij een vriend door te brengen, gelegenheid had mevrouw alleen
te spreken.
[62:]
Beide
dames zaten onder de veranda thee te drinken. Emilie was druk aan het
maken van een anti-macasser in frivolité; mevrouw las.
"U is laat thuis gekomen,"zei Emilie.
"Ja, maar we zijn ook niet vroeg uitgegaan."
"Ik heb toch gelachen om dien Fernand!"
"Gelachen, hoe zoo?"
"Och, hij is nog zoo onhandig om met dames om te gaan, dat heeft
hij op reis waarlijk niet aangeleerd."
Mevrouw las door, doch haar gedachten waren ergens anders.
"Hij zal u zeker wel verteld hebben, uit wat voor aangename conversatie
ik hem opgeroepen heb, om met u te gaan wandelen?"
"Ja, dat wist ik wel!"
"Hij zat zoo aardig in dat groen van het dennenboschje, omringd
door drie meisjes."
"Drie meisjes? Wat voor meisjes?"
"Twee waren van den kapitein, wie de derde was weet ik niet; de
twee jongste kwamen ook pas veel later. 't Speet me wel voor dat klaverblad;
hij scheen ze goed te amuseeren."
Mevrouw zag haar suivante stijf en sterk aan; nooit had zij van Emilie
gehouden, zij was aan haar gewend en kon moeielijk buiten haar huishoudelijke
diensten, maar op dit oogenblik begreep zij niet, hoe zij zooveel jaren
lang dat spitse gezicht, die kleine oogen en die dunne lippen in haar
onmiddellijke tegenwoordigheid had kunnen verdragen, zoo hatelijk scheen
haar juffrouw Emilie nu toe.
"Dat wil ik wel gelooven, dat hij ze amuseerde," hervatte
zij koel, "eerder dan dat hij zich onhandig bij die kinderen gedroeg."
"Dat had u moeten zien, toen hij als een op heeterdaad betrapte
schooljongen op mijn stem wegliep; en hoe die Nora hem achterop kwam;
wat er toen gebeurde, dat weet ik niet, maar hij boog zich... enfin,
u weet dat ik wat bijziende ben."
"Ik begrijp niet hoe ge over zulke nesterigheden kunt praten,"
antwoordde mevrouw minachtend en zette haar lectuur voort met een beweging,
die Emilie allen lust ontnam het gesprek te vervolgen. Geen trek van
mevrouw's gelaat deed vermoeden, dat haar hart onstuimig popelde, haar
slapen hoorbaar klopten; zij voelde zich als op een waggelend rotsblok,
met een afgrond onder haar, terwijl zij een boomtak moest grijpen om
zich daaraan vast te klemmen. Maar wat was die reddende boomtak?
Haar voorgevoel was niet ijdel geweest; Fernand had een samenkomst met
Nora gehad en haar er niets van verteld; dit was het begin van haar
ellende. Nora stond reeds hooger bij hem aangeschreven dan zij, voor
wie hij een geheim had, het eerste van zijn leven.
Toen Fernand thuis kwam, vond hij zijn mama niet meer, zij was reeds
naar hare slaapkamer gegaan.