III.
Op Leeuwenburgh
zag het er vroolijk uit; de helder verlichte huiskamer was goed verwarmd,
een welriekend poeder op de kachelplaat gestrooid vervulde het vertrek
met een frisschen geur; juffrouw Emilie zat aan een zeer fijne tapisserie
te borduren voor een werktafeltje in den linkerhoek; rechts onder een
andere lamp stond een groote tafel, Fernand zat hier te schrijven, terwijl
zijn mama tegenover hem gezeten een haakwerk in de hand hield, dat echter
niet veel vorderde, want zij luisterde naar 't geen een mager bleek
heertje, niettegenstaande de warmte in overjas en bouffante gewikkeld,
aan haar zoon uitlegde.
Het waren rekenkundige vraagstukken, die hij met zijn vlug verstand
snel begreep, terwijl ook haar geestige oogen teekenen gaven, dat zij
alles volgen kon. Soms wanneer de meester door overmaat van duidelijkheid
onverstaanbaar werd, nam zij de redeneering van hem over en legde ze
op haar manier aan 't knaapje uit. Zijn oogen flikkerden en dadelijk
weer voortschrijvend, riep hij vroolijk uit:
"Dat versta ik heel goed."
Mevrouw haakte even door, de meester begon te cijferen totdat Fernand
weer vroeg:
"En nu?"
Daar werd gebeld; juffrouw Emilie, die veel van afleiding hield kreeg
een electrieken schok, de meid maakte open en kwam kort daarna met de
boodschap:
"Een heer om mevrouw te spreken."
Een trek van misnoegen gleed over haar trekken en zij sprak:
"Ga eens kijken als het u belieft, Emilie."
Niets deed de nieuwsgierige juffrouw liever; zij ging heen en kwam spoedig
met een geheimzinnig gelaat terug en sprak half fluisterend:
"Och, mevrouw, 't is iemand die voor u komt."
Met een lichten zucht stond mevrouw op, legde haar werk neer en begaf
zich naar de deur.
"Mama," riep Fernand en snelde naar haar toe, "blijf
niet te lang weg, als u er niet is vind ik het zoo leeg."
Zij glimlachte en die zeldzame lach gaf haar een aantrekkelijkheid meer.
"Neen, jongenlief, ik kom dadelijk terug! Zorg dat mijnheer Bruno
tevreden over je is."
Hij hield haar vast en zag haar aan.
[13:]
"Mama,"
hernam hij, "wat is u van avond toch mooi."
Haar glimlach verdween.
"Kom, ga werken, malle jongen, of anders moet je morgen school
blijven," en toen ging zij de kamer uit.
Haar sleep ruischte achter haar over de steen en van de gang, als droeg
zij een zijden kleed in plaats van een doodeenvoudige lustre japon.
"Wat is mevrouw toch slordig," zuchtte Emilie en legde het
haakwerk in een mooi mandje.
"Slordig, mama slordig! Wat zegt u daar, juffrouw Emilie, niemand
is zoo netjes als mama, weet u dat wel?"
"O ja zeker, als ik er ben; maar ik zou wel willen weten hoe 't
er hier uit zou zien als ik er niet was."
Hij wierp haar een minachtenden blik toe, haalde de schouders op en
begon weer te werken. Zij ging niet meer aan haar werktafeltje zitten,
maar knoopte een gesprek met mijnheer Bruno aan over allerlei stadsnieuws
en over de Oostersche familie, die in dat nare huis van Keilers woonden
en er geen slag van hadden in Holland te leven.
Hij was te beleefd om haar in haar woordenstroom te stuiten en Fernand
rekende door, totdat bij meer oprecht dan galant Emilie vroeg, wat voor
overeenkomst er was tusschen een groote juffrouw met zwarte krullen
en een schooljongen?
"Nu, wat dan?" was haar vragend antwoord.
"Dat beiden beginnen te kakelen, zij als mama, en een schooljongen
als de meester weg is."
"Onbeleefde jongen!" beet zij hem toe, maar hij nam zonder
moeite Bruno's aandacht weer in bezit en zij zette zich zwijgend aan
haar werktafeltje.
Mevrouw bleef lang weg; eindelijk ging de voordeur toe en zij trad binnen;
zij was bleker dan zoo straks, haar oogen glinsterden buitengewoon maar
zij sloeg ze neer en nu zij opnieuw bij Fernand zat was 't blijkbaar
dat zij meester Bruno's redeneringen niet meer volgen kon. Er lag iets
mats, iets vermoeids in haar houding en toen Fernand haar vroeg:
"Is u niet wel, mama?" schudde zij het hoofd en antwoordde:
"Ik heb wat hoofdpijn in de koude zaal gekregen; ik ga vroeg naar
boven."
"Mevrouw had mij gezegd, mijn boeken gereed te leggen om ze van
avond na te zien," zeide Bruno eerbiedig.
"We zullen dat morgen doen, niet waar? Ik ben nu er niet toe gestemd."
"Gaat u nu al naar boven, mama?" vroeg de knaap.
"Ja, Fernand, maak je werk eerst af en dan kunt ge met de juffrouw
en mijnheer soupeeren."
"Maar gebruikt u van avond niets, mevrouw?"
"Breng me straks een kop thee, Emilie."
"Dat zal ik doen," zei Ferdinand.
[14:]
Een uurtje later
kwam hij met de warme thee boven in de slaapkamer zijner moeder; zij
had de lamp opgestoken en in den open haard brandde een houtvuurtje;
zij zelf zat er voor aan een klein tafeltje, waarop haar caissette stond,
en schreef.
"Mama!" riep het jongetje verschrikt, "u schreit."
Zij zette het kopje thee voor zich op tafel neer en sloeg haar armen
om hem heen met meer hartstocht, dan zij in haar gewone afgetrokkenheid
aan den dag legde en zij snikte zacht, terwijl haar hoofd aan zijn hartje
rustte.
"O Fernand," sprak zij eindelijk, "hoe zal je mij ooit
kunnen vergelden, wat ik voor jou..."
"Voor mij, mama? Wat heeft u weer voor mij gedaan? Wacht maar,
lieve mama, over een paar jaar dan ben ik een man en dan hoeft u niets
meer voor mij te doen. Ik doe alles voor u. Alles!"
"En zal je altijd van mij 't meest houden, Fernand, meer van mij
dan van... al je vrienden?"
"O mama!" en hij streelde haar hoofd, "wie van mijn vrienden
kan gelijk staan met u? Is het daarom dat u schreit, is u daar bang
voor, mama? Wees toch gerust, ik zal nog meer van u houden dan alle
menschen op de wereld."
Zij antwoordde niets en bleef nog een oogenblik zoo op haar zoon rusten,
toen kuste zij hem goeden nacht en beval hem naar beneden te gaan. Ondertusschen
had juffrouw Emilie met een veelbeteekenend knipoogen aan mijnheer Bruno
gezegd:
"Ik weet wel wat die visite beteekent; wie kan zeggen, wat er nu
nog gebeuren zal?" en toen Fernand binnenkwam vroeg zij belangstellend:
"Slaapt mama al?"
"Zal ik u wat zeggen, juf," antwoordde hij geheimzinnig, "mama
is... is..."
"Nu, wat dan?"
"Zal u het niemand zeggen?"
"Neen, zeker niet!"
"Mama is... mevrouw Van Leeuwenburgh."
"'t Is onuitstaanbaar wat kwade streken die jongen toch al niet
op die school leert. Kom, mijnheer Bruno, we moeten nu maar gaan soupeeren.
Och, trek uw overjas toch uit, ik zal u een warm kopje thee schenken
en de kachel eens flink oppoken."