II
Den volgenden morgen wist de dankbare kapitein Van Noorden veel meer; hij wist dat de kleine Leeuw eigenlijk Ferdinand van
[7:]
Leeuwenburgh heette,
dat zijn moeder een Indische dame was en op 't landgoed Leeuwenburgh
woonde, vijf minuten van zijn ruim huis: dat deze woning behoord had
aan een ouden heer, die acht jaar geleden was gestorven en toen door
erfenis was overgaan aan zijn neef, die juist als gepensionneerd resident
uit Indië terugkeerde met zijn vrouw en zoontje; deze vestigden
zich op het uitgestrekte landgoed. De man kwam zelden buiten zijne poort,
daar hij niet jong meer en door ziekte aan zijn leuningstoel gekluisterd
was. Zij scheen toen eerder een knap, jong meisje dan een getrouwde
vrouw, maar verscheen nergens; twee jaar later hoorde men dat de resident
overleden was: hij werd zonder eenige staatsie begraven; zij droeg drie
jaar lang over haar gewone zwarte kleeding een rouwchale en langen krippen
sluier, en overigens bleef alles op Leeuwenburgh zooals vroeger. Zij
leefde altijd even geretireerd en men zag haar nergens anders dan Zondags
in de kerk of met haar zoon in 't veld, waar zij groote wandelingen
maakten.
"Weet je wat, vrouw," zoo kondigde Van Noorden steeds zijn
plannen aan, "ik voel mij verplicht bij die dame een bezoek te
brengen. Wie weet hoe graag ze met ons in kennis zou willen komen; dat
was een aardige conversatie voor jou, een Indische weduwe."
"Ik heb wel wat anders te doen dan conversaties te zoeken,"
dacht zijn vrouw, maar sprak het niet hardop uit, wetende dat haar man
het nooit weten wilde hoe druk zij het had.
Hij ging naar zijn kamer, trok zijn schitterend uniform aan en kamde
zijn reeds verdunde lokken zoo glad mogelijk; toen draaide hij wat voor
den grootsten spiegel, die in de zoogenaamde huiskamer hing, (die zaal
zou eerst later worden gemeubeld) en was overtuigd, dat het toch onverantwoordelijk
was van den commandant van het Indisch leger zoo'n knap man als hij
een wenk te geven zijn pensioen te vragen, daar hij toch wegens gebrek
aan wetenschappelijke ontwikkeling geen majoor kon worden.
"Nu vrouw, tot straks," riep hij haar toe, ging in 't volle
besef zijner deftigheid de deur uit en den weg langs naar Leeuwenburgh.
't Stond, zooals Fernand aan Nora had gewezen, achter eenige dennen;
een riviertje, dat 's zomers weinig beteekende maar 's winters vrij
hoog klom, scheidde het landgoed van den weg; het huis bevond zich achter
een grasperk, waarop verscheidene hooge hoornen en ook de bedoelde dennen
en sparren stonden; het was een eenvoudig, langwerpig, vierkant gebouw,
wit bepleisterd en volstrekt niet elegant; de tegenwoordige bewoonster
had een met klimop begroeide veranda aan de beide zijden doen aanbrengen;
wijnranken omkransten de ramen en de ingangsdeur; achter het huis strekten
zich de moestuin en boomgaard uit; er stonden bloemen voor alle vensters
en niettegenstaande het gevorderde jaargetijde ook nog slingerplanten
onder de veranda; alles had een uitlokkend, gezellig en vroolijk aanzien.
[8:]
De kapitein ging
statig het steenen bruggetje over, en den met schelpzand bedekten weg
om het grasveld, maar bleef plotseling staan toen hij een vrouwelijke
gedaante op den rug zag. Zij keek door zijn stappen verschrikt om en
bleef hem verwonderd aanzien. Een kapitein in vol uniform was iets heel
vreemds op het stille landgoed.
Hij maakte een militair salut en vroeg:
"Heb ik de eer mevrouw Leeuwenburgh te spreken?"
"Excusez, mijnheer, mevrouw is,.. is niet thuis geloof ik, maar
wil u eens binnenkomen,.. och, kijk niet rond als 't u belieft. 't Is
hier nog zoo en désordre."
Zij maakte de deur open en verzocht hem binnen te komen in het salon,
een fraai gemeubeld vertrek, dat Van Noorden een zucht van jaloezie
deed slaken, kort daarop gevolgd door een stil verwijt aan zijn vrouw,
die er volstrekt geen slag van had het huis prettig te maken.
"Hoe moet ik u bij mevrouw noemen?" vroeg de dame, die zeer
druk en hoogst beleefd om hem heen drentelde.
"Kapitein Van Noorden, de vader van de kleine Nora," sprak
hij en streek vol zelfbehagen langs zijn rossen baard.
"O ja, die hier in dat huis van KeIlers woont, niet waar? Hoe bevalt
het u daar?"
"Charmant juf... mevrouw, wij menschen uit de Oost zijn gewoon
aan iets luchtigs."
"Ja, dat geloof ik wel, mevrouw begint zich nu wat aan het klimaat
te wennen, maar vroeger had ik er wat 'n moeite mee om haar te leeren
wat eigenlijk tocht is, en bij u is 't erg vochtig, is 't niet?"
"Och, dat gaat nog al, ik heb 't nog niet gemerkt."
"Ja, Kellers mag blij zijn, dat 't huis zoo goed verhuurd is; 't
heeft lang leeggestaan, 't had een slechten naam; maar de menschen praten
zoo veel, dat doen ze overal en dat zullen ze in de Oost ook wel doen,
niet waar? Ik zal mevrouw ondertusschen waarschuwen."
En zij wipte weg, maar kwam spoedig terug; mevrouw had hoofdpijn, zeide
ze, en 't speet haar fameus maar zij kon mijnheer vandaag niet ontvangen.
Als het echter iets bijzonders was kon zij (de spreekster) wel de boodschap
overbrengen.
Het stelde Van Noorden natuurlijk erg teleur, dat de mooie, jonge weduwe
zich niet liet zien, maar juffrouw Emilie van Steen, die een luitenant-neef
in Indië had, kon hem zoo gemakkelijk aan 't praten krijgen, eerst
over den neef, die onder Van Noorden had gediend en toen over 't geval
waarom hij eigenlijk kwam, dat, hij spoedig zijn teleurstelling vergat,
vooral nadat de vriendelijke dame hem op een fijn glaasje madera onthaalde
en haar excuse maakte, dat zij geen sigaren kon presenteeren, daar zij
in heel Leeuwenburgh nipt te vinden waren.
"Och, die Fernand," zoo beantwoordde zij het lange verhaal,
[9:]
"is een aardige
jongen en niets verwend voor 't kind van een weduwe. Die twee aanbidden
elkander letterlijk, moeder en zoon leven voor niemand anders dan voor
mekaar, maar ik begrijp niet dat mevrouw hem op school laat gaan. Mijnheer
Bruno, mevrouw haar rentmeester, zou hem beter les kunnen geven dan
al die meesters, maar zij is bang dat hij een jongejuffrouwen-opvoeding
krijgt. Nu, ik zeg maar, op school worden de kinderen veel te wild en
ze leeren daar allerlei leelijke manieren."
"Ja, de school is een noodzakelijk kwaad," hernam met een
gewichtig gezicht de kapitein.
Eindelijk nam hij afscheid; juffrouw Van Steen beloofde spoedig bij
hen aan te zullen komen en mevrouw vele nuttige inlichtingen te geven
aangaande de steenkolen, boter en aardappelen en beiden namen afscheid
van elkander, ieder voor zich zelf overtuigd een schitterenden indruk
op de andere te hebben gemaakt.
Juffrouw Emilie hield woord: zij bracht mevrouw Van Noorden zeer spoedig
een visite en gaf haar de beste inlichtingen; zij was al jaren in dezelfde
stad geweest en wist dus alles haarfijn, beter dan mevrouw Van Leeuwenburgh
zelf, die zich met niets bemoeide, maar er op gesteld was, dat alles
er keurig uitzag. 't Kon haar niet schelen, hoeveel het kostte, doch
alles moest goed en elegant zijn. De kapitein verzekerde dat het zelfde
altijd aan zijn vrouw zeide, want goedkoop was eigenlijk duurkoop en
zoo scheen 't niet mogelijk, dat die twee met elkander in meening konden
verschillen.
Mevrouw Van Leeuwenburgh echter scheen de kennis met de Van Noordens
niet te willen voortzetten. Haar zoontje had in de eerste dagen na het
gebeurde met Nora altijd het viertal afgehaald en eerst toen hij overtuigd
was, dat zij in vrede hun weg konden gaan, liet hij die gewoonte varen.
Eenige malen had de kapitein gelegenheid gehad de jonge weduwe van nabij
te zien, als zij naar de stad gaande hem tegen kwam. Zij was niet bijzonder
lang, maar haar slanke gestalte deed haar grooter schijnen dan zij werkelijk
was; haar gelaat was niet regelmatig schoon, doch een paar groote zwarte
oogen, een warme tint, die haar eerder voor een Italiaansche dan een
Indische zou doen aanzien, en een rijken schat van donkere, glanzende
lokken schonken iets onweerstaanbaar interessants aan haar voorkomen;
dan voegde zij nog bij haar statigen gang een natuurlijke elegance,
die zich aan haar eenvoudigste toilet mededeelde en die onverwachte
bezoekers op haar landgoed in twijfel deden staan of haar ochtendjapon
van katoen of satijn was.
Het stond Van Noorden maar half aan dat zij hem niet het minste bewijs
gaf of zijn bezoek was opgemerkt, en dat zij zijn groet steeds met voorname
stijfheid, al was 't dan ook op de gracieuste manier, beantwoordde.
"Dat is je eigen schuld," sprak zijn vrouw dan, waarom heb
je haar ook nageloopen?"
[10:]
"Noem je dat
naloopen, een eenvoudige beleefdheidsplicht? Zal ik je zeggen, wat haar
hindert? Dat mijn vrouw niet is meegekomen; als ze nu bij ons terugkwam,
dan zou 't wezen of ze mij een contra-bezoek bracht, en dat past hier
in Holland, niet?"
"In de Oost wel?"
"Nu, ik zeg maar, dat zij een kapitale vrouw is, ik mag zoo gaarne
die elegance in een vrouw zien, dat bewijst een ontwikkelden geest."
Zijn vrouw zag hem spottend aan; al was haar opvoeding niet geweest
wat men gewoonlijk een gesoigneerde gelieft te noemen, zoo had zij toch
natuurlijk doorzicht genoeg om in te zien, dat de kapiteins-epauletten
't bij haar man niet konden verhelpen dat hij de zoon was van zeer geringe
luitjes uit een Noord Hollandsch dorpje.
Nora kroop naar 't hoekje van den haard, waar mama steeds zat als zij
niet zooals gewoonlijk in de weer was, en haar hoofdje op mevrouws schoot
leggend, fluisterde zij:
"Ik vind u mooier dan Fernand's mama."
Toen hoorde de kapitein, die sedert een half uur geen beter tijdverdrijf
vond dan in de kachel te poken, die woorden.
"Wat blieft je," vroeg hij op sarrenden toon, want hij was
van avond in geen te best humeur en vond in zijn hart dat heele Holland
een ellendig land, "jouw mama mooier dan die lieve dame, nu dat
mocht ze willen. Eens misschien, toen ik haar nog niet kende, maar daar
moet die Albert alleen de gelukkige getuige van geweest zijn."
"Ne parlez pas de ces choses en présence des enfants,"
zei mevrouw en boog haar hoofd op Nora's lokkig kopje en 't meisje voelde
dat een traan daarop gleed. Zij drukte zich nog vaster aan haar moeder
en beiden zagen naar de vurige kolen, die helder in de schemering gloeiden
en waarin de kapitein onophoudelijk pookte. 't Kind dacht er aan hoe
't mogelijk was te doen wat men haar altijd voorhield, evenveel te houden
van papa als van mama, en de moeder zag een visioen voor haar geest
oprijzen van voorbijgegaan zonnig geluk.
Zij voelde zich voor een poos zestienjarig, het schoonste der Padangsche
meisjes, maar met de schoonheid eener roos, die slechts even in den
morgenstond hare vochtige blaadjes ontvouwt en naar de zon blikt om
dadelijk, nadat een slagregen haar gebogen heeft, verkleurd en geurloos
van haar stengel af te hangen.
Hij was pas uit Europa gekomen de jonge, geestige controleur Albert,
zijn vader bekleedde een gewichtige betrekking op Batavia en zij was
slechts de dochter van den logementhouder. Zij zagen elkander op een
bal en spoedig was het woord uitgesproken dat hun leven aan elkander
zou hechten; zijn ouders maakten vele tegenwerpingen, hij zette zijn
plan door, geholpen
[11:]
door haar vader,
die zulk een brillante partij voor zijn dochter niet had durven droomen.
Zij trouwden zonder de ouderlijke toestemming, en nog voor één
van beiden tot de erkenning kon komen dat hun geluk te duur was gekocht,
sleepte de cholera in weinige uren den jongen man naar het graf.
Ida was op zeventienjarigen leeftijd weduwe en weldra moeder; haar vaders
zaken gingen achteruit en de familie op Batavia wilde niets weten van
de haar opgedrongen schoondochter. Juist toen de nood zich op het hoogst
liet voelen kwam kapitein Van Noorden bij Ida's vader en vroeg hem de
hand zijner dochter; zij weigerde eerst maar gaf eindelijk toe aan de
herhaalde smeekingen haars vaders ten wiens laste zij nu was, in de
hoop, dat nu ook de toekomst van haar dochtertje verzorgd zou zijn.
Kort na haar tweede huwelijk ontving zij van Alberts moeder een hoogst
koel briefje, waarin deze haar meer beval dan verzocht de kleine Theodore
aan hare grootouders af te staan. Ida weigerde en Van Noorden, die nog
in de wittebroodsweken was, gaf haar groot gelijk, verzekerende dat
niets de pretentie van die groote burgerlui kon evenaren. Maar toen
werd Nora geboren en daarna kwam er nog een en zijn liefde werd door
den tijd niet vuriger, hij begon iets te mompelen van het zorgen voor
anderman's kinderen; de grootvader schreef nu een hartelijken, dringenden
brief, waarin hij mevrouw Van Noorden een flink jaargeld beloofde, mits
zij haar kind afstond. De kapitein vond het voorstel aannemelijk, zij
verdedigde haar eigendom zoo lang zij kon, maar toen het lot van de
kleine hoe langer hoe harder werd, toen deze elke onaangenaame bui,
elken aanval van Van Noorden's kwaad humeur door klappen en harde woorden
moest afboeten, bezweek de arme moeder en zond haar kind onder goed
geleide naar Batavia.
En ofschoon zes andere kinderen onophoudelijk haar liefde en zorgen
in beslag namen, was haar moederhart nog steeds blijven hechten aan
die eerstgeborene, aan Alberts dochter, die zij niet meer had teruggezien),
want toen zij naar Europa vertrekkend te Batavia kwam, was de familie
juist naar de Preanger vertrokken, en hen nareizen wilde Van Noorden
niet, hen afwachten nog minder. Een paar maal in het jaar ontving zij
brieven van haar dochtertje, maar hun toon zei genoeg hoezeer dat hart
van haar moeder was vervreemd; zij was ongetwijfeld gelukkig bij haar
rijke grootouders, die haar aanbaden en verwenden, gelukkiger dan Nora,
op wier kinderlijke trekken reeds zorg te lezen stond, en toch hoe dikwijls
had deze haar niet gezegd:
"Ik zou nooit met Theodore willen ruilen, want zij heeft zulk een
lief mamaatje niet als ik," en dan vroeg de moeder zich met schrik
af, of zij wel 't recht had gehad haar kind te berooven van haar liefde
ten koste van stoffelijke welvaart.
"Nu vrouw, soupeeren we vanavond niet," zoo onderbrak de kapitein
norsch haar
mijmeringen.
[12:]
"Kom, Nora," zei mevrouw, "steek de lamp aan," en 't werkelijke leven begon alweer in al zijn eentonigheid.