IV.
De winter was langzamerhand voorbijgegaan, en met de eerste stralen der lentezon verdween in mevrouw Van Noorden's geest de herinnering aan zoo menigen somberen, grauwen dag, wan-
[15:]
neer
de kachels niet wilden trekken, de kinderen over de kou klaagden en
de kapitein brommend en ontevreden 't huis uitliep om eerst zeer laat
in den avond thuis te komen, met zichtbare bewijzen, dat hij in de heldere
societeitszalen niet alleen warmte en gezelligheid had gezocht.
Maar nu scheen de zon in de ruime zalen door de nog niet vervangen gebarsten
ruiten, en de madeliefjes kwamen tusschen het gras van 't tuintje kijken
en werden zoo gauw zij hun witte kopjes omhoog staken door de jubelende
kinderen geplukt; de kachel brandde slechts zeer matig; niemand klaagde
over de kou als er eens vergeten werd, kolen daar op te doen, en mevrouw
Van Noorden dacht weer aan haar geliefd Sumatra terug, doch met zekeren
innigen weemoed en niet met dat onweerstaanbare, wilde verlangen van
eenige maanden geleden.
Haar man was door zijn societeitsvrienden geïnviteerd op eenige
voetreisjes in den omtrek en ofschoon men, zooals hij uit den grond
van zijn hart verzekerde, thuis moeilijk buiten hem kon, nam hij de
invitatie aan.
De kinderen kwamen van school; elk had een bouquetje viooltjes op de
markt gekocht voor mama; Nora alleen had niets, maar toen de kleinen
met hun boterham in de hand in den tuin gingen spelen sloeg zij vertrouwelijk
den arm om hare moeder en sprak zachtjes:
"Mama, ik heb geen bouquetje voor u gekocht, want u had er al vier,
maar ik heb bij den koekebakker twee taartjes gehaald en mamaatje-lief,
mag ik die naar den kleinen Leeuw brengen; hij is zoo ziek. Neeltje,
de meid van zijn mama, heeft gezegd, dat hij misschien zou sterven."
"Sedert wanneer is hij ziek?" vroeg mevrouw belangstellend,
"ik heb er niets van gehoord."
"Hij is de heele week niet op school geweest, zei Neeltje (we zijn
met haar samen naar school gegaan); 't was zoo erg. - Mag ik eventjes
die taartjes brengen?"
"Maar, kindlief, misschien zal Fernand die taartjes niet eens mogen
eten."
"Dan zal zijn mama die wel voor hem bewaren. Toe, maatje, mag ik
dan gaan?"
"Nu ga dan, kindlief! en wees vooral niet lastig." Mevrouw
Van Noorden wist hoe Nora altijd haar kleinen cavalier een dankbaar
hart toedroeg, en zij zelf mocht den vluggen knaap ook gaarne. 's Winters
was hij dikwijls bij de kinderen gekomen, hij maakte scheepjes voor
Willem en Jantje, teekende voor Nora en Marietje of bracht appelen mee
voor Dorus en Toon; maar al was hij dan ook nog zoo druk aan 't spelen,
wanneer het zeven uur sloeg, stond hij onmiddellijk op en sprak hoog
ernstig:
"Ik moet nu naar huis; mama wacht op mij," en als men hem
toch wilde overhalen om te blijven, dan klonk het nog veel ernstiger:
[16:]
"Ik
mag mama 's avonds niet alleen laten, er zijn wel veel menschen thuis
maar ik ben toch alléén mama's zoon en ik moet zorgen
dat mama zich niet verveelt."
Hij schaamde zich ook niet over zijn gehoorzame onderdanigheid bij zijn
overige kameraden, die volgens een bij jongens van dien leeftijd bijna
algemeene gewoonte, er gaarne op pochten, dat zij niets gaven om 't
geen de oude heer of de oude vrouw gezegd had.
"Neen!" was zijn fier antwoord, "ik ben de eenige beschermer
van mama, ik mag haar geen verdriet doen," en nooit zou hij op
straat vechten, ofschoon hij sterker was dan veler der grootsten, daar
mama dit niet fatsoenlijk vond.
De vensters van Leeuwenburgh waren allen gesloten; de deur stond aan
en de schel was omwoeld. Nora stond bedremmeld voor de deur en misschien
had ze daar nog veel langer gestaan. als niet juist juffrouw Emilie,
die uit de stad terug kwam haar gezien had en dadelijk vroeg:
"Wel, lieve kleine, wat kom je hier doen; vragen naar Fernand?
Och, 't is erg, die arme jongen!"
"Ik heb iets voor hem meegebracht," stotterde het. kind, "en
ik zou het hem graag zelf brengen."
"Zelf? Er mag niemand bij hem komen dan zijn mama, maar wacht eens
even, ik heb 't zoo dikwijls gezegd, dat hij niemand meer herkent en
mevrouw wil 't niet gelooven. Ga met mij mee, kindje, hoe heet je ook
weer?"
"Nora."
"Nu Nora, zoo heette mijn nicht, freule Van Tol, ook, loop nu voorzichtig
op je teentjes en volg mij maar de trap op."
Ademloos ging Nora met haar mede, zij kwamen in de gang boven waar dikke
loopers elken stap deden verstommen en voor een der deuren stonden zij
stil; het was Fernand's kamertje, dat in het grootere vertrek zijner
mama uitkwam. 't Was een lief hoekje, maar waarin een sterke geur van
medicijnen heerschte, de damasten gordijnen evenals de stores hingen
omlaag; zijn boekenkastje stond naast zijn draaibank. Zijn horloge tikte
op het tafeltje en hijzelf lag op de witte kussens, met hoog gloeiend
gelaat en van de koorts schitterende oogen.
Verlegen naderde Nora; een meid stond bij het ledikant, want zijn mama
was er niet, zachtjes legde Nora de twee taartjes op het nachttafeltje
en zag naar den zieke.
"Och Heer, wat heb je meegebracht?" fluisterde Emilie vrij
hard, "die mag hij toch niet eten. Fernand, Fernand, kijk eens
wie hier is?"
Hij sloeg zijn oogen op het kleine meisje, maar met zulk een verwarde
uitdrukking dat Nora schrikte en begon te schreien. Hij had haar niet
herkend en Emilie triomfeerde omdat zij gelijk had.
"Wie is hier toch?" zei een stem in de aangrenzende kamer,
en behoedzaam werd de deur tusschen de twee vertrekken geopend; mevrouw
Van Leeuwenburgh kwam binnen; zij was
[17:]
doodsbleek
en haar rijke lokken waren eenvoudig in een Indische kondé vastgehecht,
maar haar huistoilet was toch onberispelijk; zij zag beurtelings Emilie
en Nora aan.
"Van wie is dat kind?" vroeg zij.
"'t Is Nora van Noorden, mevrouw, en hij heeft haar niet herkend."
Mevrouw Van Leeuwenburgh ging terug in 't soort van salon, dat zij verlaten
had.
Een oude geestelijke stond bij de tafel; het was de pastoor der kerk,
waartoe zij behoorde.
"Mevrouw," zeide hij hartelijk en drukte haar hand, "misschien
verlangt God dit offer van u."
"Neen," riep zij met hartstocht, "dit kan God niet van
mij vragen, Fernand is mijn alles."
"En heeft Hij geen recht op alles?"
"Hij is immers een liefdevolle God, waarom moet ik Hem 't eenige,
wat ik heb, afstaan?"
"O, mevrouw," en zijn stem klonk ernstig, "ge zijt een
sterke vrouw, en ik zal tot u spreken als waart gij nog veel sterker;
er kan een verschrikkelijk ongeluk voor u komen. Welnu, zie het onder
de oogen, draag nu reeds uw vrees met onderwerping, omdat God het wil."
"En waarom wil Hij Fernand's... "
"Wilt gij Hem ondervragen? Wie zal u kunnen zeggen, hoeveel smarten,
hoeveel teleurstellingen uw kind bespaard blijven, als God hem nu tot
zich roept? Och, mevrouw, ik zou u kunnen toeroepen, wat de dokter u
straks zoo dikwijls herhaalde. Hij is erg maar nog niet gevaarlijk,
doch alles is mogelijk; laten wij ons bij voorbaat wapenen met kracht."
"En ik.. leven zonder hem?"
"Mevrouw, God schenke uw jongske een spoedig herstel, maar bedenk
vóór alles, God's wil geschiede en zelfs de moederliefde
geeft u het recht niet zelfzuchtig te zijn."
Zij bleef staan met gebogen hoofd en traanlooze oogen; zij liet den
geestelijke vertrekken zonder een woord meer te spreken. Toen richtte
zij het hoofd op en huiverde; in haar blik stond geen onderwerping te
lezen, eerder een geest van verzet; daar zag zij Nora staan, die bitter
schreiende haar aanzag en door een van die plotselinge wendingen, aan
het vrouwelijk gemoed zoo eigen, barstte zij zelf in tranen uit en omhelsde
het kleine meisje.
"Bid voor hem, Nora," zeide zij, "God verhoort gaarne
een kindergebed."
Maar dadelijk weer haar van zich afstootend, riep zij uit:
"Neen, als het moedergebed niet helpen kan, wat zou dan het uwe
baten?"
Zij zette zich voor het ziek bedje neer en droogde de groote zweetdroppels
af, die op Fernand's voorhoofdje lagen. Nora sloop weg naar huis.
[18:]
"Mama," zeide zij vertrouwelijk, "ik houd niet van Fernand's mama; zij doet zulke rare dingen, zij is heel anders dan u, toen ons Phientje stierf, en u was toch ook bedroefd."