KINDERJAREN.
I.
[1:]
In de meeste dagbladen
las men eens deze advertentie:
"Te huur voor de som van f 200 's jaars een ruim woonhuis met tuin,
in de nabijheid eener aanzienlijke stad van ons land. Nadere informatiën
enz."
"Dat is juist wat we noodig hebben, vrouw," sprak de gepensionneerde
kapitein van het O. I. leger, Van Noorden, tot zijn gade, die druk aan
het tobben was met de twee jongste harer zes kinderen. "Hier is
't niet langer uit te houden. 't Is mij of dat plafond dadelijk op ons
hoofd zal zakken. Weet je wat, ik ga eens informeeren aan 't bureau
van de krant en dan zullen we verder zien. Tweehonderd gulden, dat verwonen
wij hier voor die drie pijpenlaadjes in zoo'n drukke Amsterdamsche achterbuurt,
en 't huis is ruim staat er immers
"
"En er is een tuin bij, niet waar?"
"Nu ja, dat is minder. We zijn niet meer in de Oost en we moeten
ons schikken naar 't land, waarin we zijn, ik voor mij heb liever een
net bovenhuis, dan een tuin, dien je onderhouden moet, maar je weet,
ik doe graag je zin als je namelijk niet onredelijk zijt. Geef mij mijn
overjas, Nora, 't is koud buiten."
"En binnen ook!" zuchtte mevrouw.
"Wat zou je dan willen? Die warmte in jouw land is ook niet alles,
hé! Goddank, dat ik er uit ben! Tot straks."
Mevrouw ging voort met tobben, geholpen door haar oudste dochtertje
Nora en de kapitein kwam eerst om elf uren thuis. Hij wist nu waar het
ruime huis stond en zou er morgen heenreizen om 't zelf eens te zien;
onderweg had hij een ouden wapenbroeder ontmoet, die hem overhaalde
in 't Poolsch Koffiehuis een partijtje biljart te spelen en daar het
plafond in dat café hooger was dan in zijn eigen huis had hij
daar den avond heel pleizierig doorgebracht, Waarlijk, dat Holland was
zoo'n kwaad land niet. Mevrouw, die haar man door en door kende,
[2:]
liet hem praten;
zij wist genoeg dat haar zorgen en leed niet mochten opwegen tegen zijn
eigen gemak en genoegen.
Den volgenden morgen vertrok hij naar de aanzienlijke stad, die echter
zoo heel aanzienlijk niet was en zeker wel op de vierde rij der Hollandsche
steden zou moeten staan. De eigenaar en zijn vrouw lieten hem het ruime
huis, dat door toevallige omstandigheden bijna twee jaar had leeggestaan,
van den zolder tot den kelder zien. 't Was ruim, dit kon niemand weerspreken;
al te ruim zelfs, de stem verloor zich in de holle gangen en de groote
kamers, waarvan de kleinste bijna even groot was als twee der zoogenaamde
Amsterdamsche pijpenlaadjes.
"Maar", zei de juffrouw, "menschen uit de Oost hebben
graag veel ruimte. 't Is hier zoo frisch. Die ruiten, ja die zullen
we laten maken, en die kamers behangen, dat spreekt."
Mijnheer zag gelukkig niet hoe verfloos ramen en deuren waren; de tuin
was kleiner dan de kleinste kamer en men miste binnen alle mogelijke
gemakken, die een Hollandsch huis zoo geriefelijk kunnen maken, maar
toen de spraakzame juffrouw den heer kapitein bij haar aan huis op een
glaasje wijn inviteerde en haar goedige echtgenoot hem in de Societeit
introduceerde, waar het bier vier cent goedkooper was dan in het Poolsch
Koffiehuis en waar de kastelein hem met een "Ja, kolonel,"
antwoordde, kwam Van Noorden langzamerhand tot de overtuiging dat het
hier wel uit te houden was, dat zijn vrouw die ruime kamers zeker veel
liever zou hebben dan de Amsterdamsche en hij niets beters kon doen
dan het huis te huren. Daarbij, was bij geen heer en meester in zijn
huisgezin, zooals weleer in zijn compagnie?
's Avonds was Van Noorden weer in Amsterdam terug en verraste zijn vrouw
met de tijding, dat zij eindelijk een tehuis hadden.
Of mevrouw Van Noorden dit tehuis werkelijk zoo aangenaam vond als den
klank van het woord, viel te betwijfelen. Zij ging op den avond harer
aankomst de kamers in en uit, de trappen op en af, terwijl haar man
een paar boodschappen in de stad ging doen bij bakker en vleeschhouwer,
maar zeer toevallig in de Societeit aanlandde, waar hij tot zijn grootste
zelfvoldoening 't middelpunt werd van een kring nieuwsgierigen, die
graag iets over Indië hoorden.
Hij was druk aan 't vertellen van een menigte oorlogsavonturen die hij
allen natuurlijk zelf had ondervonden en vergat spoedig hoe thuis de
kinderen aan mama's kleeren hingen en over honger klaagden.
De weinige meubels verdwenen in de groote kamers, en nu de Octoberzon
niet langer door de kleine ruiten speelde, waarvan velen nog barsten
hadden, en op 't donkere onveranderde behangsel, werd het er binnen
nog somberder en ongezelliger. Een meid had men nog niet; 't werkmeisje
was al naar huis en om haar tranen
[3:]
voor de kinderen
te verbergen, ging mevrouw voor het raam staan, met haar oogen op den
weg gericht, die over een bruggetje naar de stad leidde.
"Hoe dikwijls nog zal ik aan dit raam staan," dacht zij, "en
dien weg zien en die spoedig kale boomen, waarachter de eerste huizen
der stad verscholen zijn?"
En haar geest ging terug naar haar schoon land vol zonneschijn en bloemengeuren,
vol heldere woningen en warme, luchtige galerijen.
"Honger, ma!" riep de kleine Willem.
"Honger!" herhaalden Jan en Marietje.
"Stil," vermaande Nora, "papa komt dadelijk thuis,"
en zij sloop naar hare moeder en zag ook den weg op, maar weer vergeefs.
"Zal ik eens naar den bakker gaan, ma?" vroeg zij zacht, "misschien
heeft papa het vergeten."
"Maar je weet hier den weg niet, kindlief."
"Ik zal dien wel vinden, geef mij maar wat geld."
Ten einde raad besloot mevrouw haar maar uit te zenden, ofschoon haar
hart van angst klopte, dat het negenjarig kind eenig ongeval zou overkomen
op den korten weg naar de stad. Zij was het nog zoo weinig gewoon alleen
over straat te loopen. Zoolang mogelijk zag de moeder haar na, totdat
zij eindelijk achter de boomen verdwenen was.
Bij den eersten bakkerswinkel, dien de kleine Nora in 't oog kreeg,
kocht zij een mand vol broodjes en ging toen hard loopend weer terug,
maar even buiten de stad gekomen, struikelde zij over een grooten steen,
de mand ontviel haar armpje en de broodjes lagen links en rechts verspreid.
Schreiend stond Nora op den eenzamen weg. en zij begon ze snikkend bij
elkaar te zoeken, toen een kinderstem haar toeriep:
"Blijf maar staan, jongejuffrouw, ik zal u helpen."
't Was een knaapje van twaalf jaar, een flinkgebouwde krullebol in een
blauw kieltje met een boekentasch op den rug en een paar heldere, levendige
kijkers in het hoofd.
"Vertel maar niet thuis dat ze gevallen zijn," zeide hij,
ze een voor een oprapend en toen zonder complimenten langs zijn mouw
strijkend, "anders lust men ze niet; men kan 't haast niet zien
dat een paar in de modder hebben gelegen en 't is haast donker. Dit
is de laatste, nu heb je ze allemaal. Huil nu maar niet."
Nora dankte haar galanten cavalier en hij liep naast haar voort.
"Woont u in dat groote, nare huis?"
"Ja," antwoordde Nora verlegen.
"Foei, wat een akelig huis, dan woon ik liever in 't onze; ziet
u daar die dennen, nu daar woont mama!"
Nora scheen niet van zins de conversatie voort te zetten en vroeg een
poos later:
"Komt u uit de Oost?"
"Ja."
"Ik ook en mama ook, daarom noemen ze mij soms op school "het
[4:]
Moortje",
maar je bent nog bruiner dan ik, voorzoover ik zien kan; als ze mij
dat zeggen, dan krijgen ze er van, hoor."
Nora zag hem met eerbied en ontzag aan.
"Ga je ook al naar school?" hernam hij.
"Nog niet."
"Nu, op dezelfde school komen we zeker niet, maar je moet toch
door onze straat en dan zullen de kwâjongens je soms wel plagen,
vraag dan maar naar den kleinen Leeuw, dan zal ik je helpen. Nu bonjour,
hier langs kom je gauwer thuis; zeg me eerst hoe je heet?"
"Nora."
"Nu en ik heet Fernand, vergeet het niet, hoor, maar als je me
noodig hebt, moet je vragen naar den kleinen Leeuw; zoo kennen me alle
jongens, en alle meisjes er bij."
Een oogenblik later was Nora thuis en nog een oogenblik later bleef
er niets meer over van de provisie broodjes dan de herinnering. Met
opzet had Nora het eenige broodje, dat niet gevallen was, voor haar
mama bewaard.
"Dit is het lekkerste," had zij gezegd, maar die onoprechtheid
deed haar kleuren en toen 's avonds, ofschoon papa niet thuis was, de
kinderen naar bed moesten gaan, riep zij haar moeder bij zich aan het
bedje en fluisterde haar toe:
"Mama, de broodjes zijn allen in de modder gevallen, behalve dat
ééne," en toen volgde het verhaal van haar ontmoeting.
"Wees een volgenden keer voorzichtiger, kindlief," zeide mevrouw
en kuste haar op 't voorhoofd. "Wat hadt je toch een ongeluk kunnen
krijgen. Ach, hadden we onzen goeden Sidin maar hier om je allen naar
school te brengen."
Toen mijnheer thuis kwam scheen hij hoogst verwonderd dat bakker en
slager er niet geweest waren, maar verzuimde te zeggen dat hij de ware
reden wist van hun wegblijven: zij wachtten namelijk nog altijd op zijn
boodschap.
Zoodra 't nieuwe huishouden wat geregeld was moesten de kinderen naar
school. Vier gingen dagelijks naar de stad onder de zorg van Nora; mevrouw
wilde eerst dat de meid mee zou gaan, maar haar man vond dit een onnoodig
verwennen. Zij moest al die Oostersche gewoonten langzamerhand afleeren.
Men was nu immers in Holland.
"Alsof ik dit niet genoeg voel," sprak zij eindelijk, haar
geduld verliezend, "en dat doe jij mij daarenboven genoeg voelen
in dit nare huis en op dezen ongelukkigen stand, ver van alles."
Wat mijnheer hierop antwoordde en hoeveel stille tranen zij daarna stortte
zou niet gauw na te vertellen zijn.
Reeds den eersten middag, toen Nora met haar zusje en twee broertjes
uit de school kwam, werd zij door een hoop kinderen omringd, waarvan
de eenen aan Marietjes onmodischen hoed trokken, anderen om Nora dansten,
en tegen de kleine dapper met parapluie en tasch om zich heen sloeg,
appel- en noten-
[5:]
schillen, zelf
steenen op hen wierpen. De drie kleinen hechtten zich aan Nora's kleeren,
hard huilend en jammerend; zij trachtte de altijd aangroeiende hoop
van zich af te houden en begon in half Maleisch en half Hollandsch hen
te smeeken haar en de kinderen met rust te laten.
Maar nog heviger werd de aanval; ten einde raad, zag zij rondom zich,
niemand was er in de nauwe straat dan een van alle kanten toestroomende
menigte kinderen en zij was het middelpunt van allen; wel dacht zij
aan den kleinen Leeuw, maar hoe hem te roepen?
's Morgens was zij langs een groot gebouw gekomen, dat een jongensinstituut
scheen. Daarheen richtte zij haar blikken; die school ging juist uit
en de jongeheeren, weinig wijzer dan de straatbengels, kwamen nader
om de Oostersche kinderen in hun eenigszins raar toilet van nabij te
bezien. Daar ging het:
"Moriaan!"
"Oostersche apen!"
"Japannees!" waren de liefelijkheden, die de arme kinderen
van hun moederlandsche kameraden ontvingen.
"De kleine Leeuw," riep Nora wanhopend, "Och Jantje,
loop eens hard naar die deur en vraag naar den kleinen Leeuw."
Jantje baande zich een weg en gilde uit al zijn macht:
"Leeuw, Leeuw, kleine Leeuw!!"
"Wie roept mij?" en de wakkere jongen, die een van de laatsten
de speelplaats verliet, stapte op straat. "Wat is hier te doen?
Moet je mij hebben, ventje?"
"Ja, Nora roept."
"Nora? Is dat je zusje? Waar is zij?"
De kleine wees naar zijn zuster.
"Zoo, plagen ze haar, ik dacht het wel! Wacht maar, ik zal er een
eind aan maken."
En hij ging naar 't meisje toe, deelde links en rechts eenige fiksche
klappen uit en plaatste zich naast haar.
"Wie heeft nu nog wat te zeggen?" vroeg hij met even veel
fierheid in de stem als de dapperste ridder sans peur et sans reproche
kon ten toon spreiden. "Wie die kinderen wat kwaads doet, krijgt
met mij te doen! Verstaan? 't Is schande, dat jullie zoo'n paar vreemde
stumperds met je honderden aanvalt."
En allen gingen verbluft op zij.
"En jij ook, Piet, dat had ik niet van je gedacht, jongen! Ik help
je morgen niet met je thema's, dat verzeker ik je: de jongens van onze
school moesten wijzer zijn, of anders was 't beter dat ze naar de bewaarschool
gingen; kom maar, Nora, neem je zusje bij de hand, ik zal met de jongentjes
gaan."
En ongehinderd ging de kleine stoet voort. Onderweg vertelde de kleine
Leeuw met zichtbare voldoening staaltjes van zijn dapperheid en van
het ontzag, dat de anderen voor hem koesterden. Ze hadden hem vroeger
ook geplaagd, maar hij had er
[6:]
gauw een eind aan
gemaakt; nadat hij den grooten, sterken Dorus de Pauw op den grond had
gegooid, daar bij die pomp, durfde niemand meer wat tegen hem uitrichten.
Nora hoorde hem in stille bewondering aan.
"Maar zulke kleine kinderen als jullie," ging hij voort, "mogen
niet alleen naar school gaan; toen mama hier pas woonde, moest de meid
me altijd brengen, maar nu ben ik al te groot."
"De meid heeft het te druk," antwoordde Nora.
"Heeft je mama dan maar één meid?"
"Ja."
"En hoeveel kinderen zijn er?"
"Zes."
"Nu, dat is te weinig, één meid voor acht menschen.
Wij zijn maar met ons tweeën, mama en ik, en wij hebben twee meiden
en een tuinman, dan nog juffrouw Emilie en mijnheer Bruno, dat zijn
ook half en half bedienden, al zegt mama van neen, dat maken er vijf,
neen zes. Hoeveel had jelui er dan noodig, vier en twintig geloof ik,
juist! Acht is viermaal meer dan twee en zesmaal vier is vier en twintig.
Maar ik geloof dat twee meiden wel genoeg zouden zijn, dan behoefde
je niet alleen naar school te gaan."
Ze waren voor de deur van Van Noorden gekomen.
"Weet je wat," zei de kleine ridder ernstig, "ik zal
je morgenochtend komen halen en dan gaan we samen naar de stad. Is dat
goed?"
Nora knikte en zag hem met een blik vol dankbaarheid aan; eerst thuis
raakte haar tongetje los en zij, die anders evenals haar moeder meer
stil dan spraakzaam was, gaf een waarlijk welsprekend verslag van haar
avontuur.
Mevrouw beefde bij de gedachte aan het gevaar, door haar lievelingen
geloopen; de kapitein was opgetogen over de dapperheid van den kleinen
Leeuw.
"Dat is eerst een jongen," riep hij, "daar komt nog eens
wat van. Hoe heet hij, zei je?"
"Fernand Leeuw, denk ik."
"Domme meid; dat is zijn bijnaam immers. Hij zal wel heel anders
heeten; wacht eens, ik moet den ouden heer Bakers er eens naar vragen,
die kent ze allen."
En onder dit voorwendsel verliet hij 's avonds zijn huis, waar hij zich,
niettegenstaande de hooge zalen en de groote ruimte, minder op zijn
gemak voelde dan in de gezellige Societeit.