De volgende morgen
vond Céline nog steeds in haar met bloed bevlekt bruidskleed,
de diamanten om armen en hals. Zij dacht aan niets anders meer dan aan
haar doodzieken, nog steeds bewusteloozen man. Hij was nog niet bij
kennis geweest, maar den geheelen nacht hadden hevige benauwdheden,
hoesten en bloed spuwingen elkander afgewisseld.
De dokter was niet op de plaats en kon eerst laat in den morgen terug
zijn; wat zij vermocht deed Céline, zij had geen tijd tot treuren,
geen tijd tot nagedachte, geen tijd zelfs tot vreezen.
Tegen acht uur glimde er een straal van bewustzijn in de verdoofde oogen.
"Vrouw," fluisterde hij en iets als een schaduw van een glimlach
speelde hem op de lippen; met moeite bewoog hij even de hand om op haar
bevlekt kleed en parure te wijzen.
Nu eerst zag Céline de wreede tegenstelling en plotseling was
het of een stroom van wanhoop zich een weg baande door een dam van wezenloosheid
en zelfvergetelheid; zij zag hem aan met een half waanzinnigen blik
en toen staarde zij met afschuw en walging naar
[57:]
haar besmeurden
opschik en zij vluchtte weg uit de kamer. Instinctmatig snelde zij heen,
zoo ver mogelijk, tot zij in de logeerkamer der bijgebouwen zich in
veiligheid waande en daar zich radeloos op den grond wierp.
"O God! laat mij ook sterven, ik kan hem niet overleven,"
jammerde zij, vergeefs worstelend om tranen; "ik kan 't niet langer
dragen, ik kan 't niet aanzien."
Eindelijk gaf haar smart zich lucht in een bitter, niet te bedaren gesnik,
zij voelde zich machteloos, 't was of alles in haar zich oploste in
tranen en zuchten. Hoe lang zij daar lag, wist zij niet te berekenen;
zij had een gevoel of zij daar altijd moest blijven, altijd door schreien
tot haar leven wegstroomde met haar laatsten traan, haar laatsten kreet
van pijn.
Een hand greep haar aan den schouder, een ernstige stem riep haar:
"Mevrouw, mevrouw!"
Zij verroerde zich niet, zij bleef onbeweeglijk met haar hoofd op de
armen gedrukt.
"Mevrouw, mevrouw! Hij heeft u noodig. Rudolf roept om u!"
Toen sprong zij op en zag met haar verwilderd gelaat, waarom verwarde
haren hingen, den dokter aan alsof zij hem niet herkende.
"Mevrouw, u moet zich staande houden voor dien korten tijd."
"Ik kan niet meer," antwoordde zij dof, "ik wil ook sterven,
dokter!"
[58:]
"Neen, mevrouw,
geen noodelooze opwinding! Sta op, ga u verkleeden; zoolang er leven
is, is er immers nog hoop!"
Voor 't eerst sprak hij in haar tegenwoordigheid het woord "hoop"
uit. 't Kostte hem moeite, want nooit was 't zoo slecht op zijn plaats
geweest. Zij zag hem aan of zij niets verstond; toen sprong zij eensklaps
op, bond haar haren hoog, rukte haar sieraden af en ging zwijgend heen;
de dokter keerde naar den zieke terug, die met gesloten oogen, wasbleek
en afgemat, in de hooge kussens leunde.
"Céline," zeide hij haast onhoorbaar.
"Zij komt dadelijk," antwoordde de dokter.
Rudolf knikte met het hoofd; een oogenblik later, toen zij er nog niet
was, keek hij nog eens rond maar zonder iets te zeggen.
Eindelijk verscheen zij, bijna even bleek als hij, maar verfrischt en
verkleed in sarong en kabaya; zij boog zich liefkoozend over hem en
vroeg of 't beter ging.
"Wat een verschil met gisteren, ik heb toch niets onvoorzichtigs
gedaan," lispelde hij, "wèl dokter?"
"'t Is de ziekte," antwoordde de dokter, "het moet eerst
erger worden om te kunnen beteren."
Hij schudde het hoofd en glimlachte droevig.
"Neen, 't is het begin van het einde. Blijf bij mij, Céline,
laat mij niet meer alleen!
"Neen, nooit meer!" verzekerde zij en kuste hem de moede oogen
toe.
[59:]
Hij hield haar
hand in de zijne en drukte die tegen zijn wangen. Céline zag
vragend den dokter aan, hij begreep die stomme vraag en haalde de schouders
op.
"Van avond kom ik terug," sprak hij afscheid nemend, "en
breng u ook droppels mede, mevrouwtje!"
"O, dokter, 't zal wel moeten gaan zonder droppels."
Hij bleef dien dag buitengewoon mat en stil; nu en dan alleen verscheurde
een droge, benauwde kuch zijn borst.
Tegen den avond ontwaakte hij uit zijn dommeling en sprak bij tusschenpoozen.
"Wat een kort geluk, Céline, wat een korte liefde, nog geen
twee maanden."
Zij fluisterde hem toe:
"En toch is die liefde sterker dan de dood."
Wijd opende hij zijn oogen.
"Ja, je hebt gelijk, een eeuwigheid is niet te lang om elkander
zoo te beminnen. Niet vaarwel, tot wederzien!"
Toen hij haar weer zag schreien.
"Onze hoop sterft niet. . . . wees gerust! Je bent mijn laatste
zonnestraal, mijn laatste - misschien mijn eenig' geluk geweest dat
ik niet verdiende. Laten wij ons vastklampen aan de hoop op wedervinden.
. . ."
En na eenige oogenblikken:
"Ik dank je voor alles, Céline alles heb ik je te danken
zelfs die hoop! . . .. Je hebt
[60:]
mij beter gemaakt
dan ik was.. . . je gaf mij nieuw leven. . .. zooveel goeds was in mij
gestorven. . .. je hebt het weer opgewekt weer doen bloeien ik dank
je ik dank je. . . ."
Hij kuste haar handen lang en innig.
"Groet je . . .. onze moeder en ons beider zusters. . . . je moet
naar Holland gaan en . . . . laat mijn herinnering toch geen beletsel
zijn voor je geluk."
"0 neen neen! Je blijft mijn man, mijn bruidegom in eeuwigheid.
Laat mij dien troost, Rudolf!"
Hij zweeg, altijd haar handen in de zijne gedrukt.
"Ik wil leven voor zieken en ongelukkigen tot het oogenblik dat
ik zelf. . . ."
"Beloof niets, vrouw! Wij hebben het aan ons zelf gezien, hoe weinig
men meester is van zijn toekomstige gevoelens en gedachten. Zelfs in
het gezicht van den dood!"