VII.
Den volgenden middag
werden de meisjes tegen één uur bij hun oom geroepen;
maar Dorine was nergens te vinden.
Emma kwam stil en bedaard bij het bed zitten; zij was door en door bescheiden
en sprak niet veel; maar toch, toen zij na een paar uur vertrekken moest,
omdat oom op ging staan, wist de oude heer dat zij geen gelukkig leven
had; dat tante Bertha en Dorine haar telkens deden voelen,
[50:]
hoe zij 't genadebrood
at; hoe de kinderen des huizes steeds, voorgetrokken werden, en hoe
zij zich eenzaam en verlaten voelde; want Dorine was een verwende, wilde
meid, en de jongens waren erg lastig en ondeugend. Oom was wel goed,
maar toch, zij kon 't genoeg bemerken dat hij haar goed, lief, eigen
vadertje niet was.
lntusschen had Dorine behoefte gevoeld om haar gastheer op de eene of
andere manier een bewijs te geven van haar erkentelijkheid; met woorden
zag zij er geen kans toe, en zij besloot dus bloemen voor haar te laten
spreken.
Zij plukte een groot bouquet van muurbloemen, hyacinthen, seringen en
gouden regen, zoo prachtig in haar oog als zij nog nimmer gezien had;
dit zou zij oom geven. En zoo kwam zij dan tegen etenstijd binnen met
haar schat, dien zij nauwelijks met haar vingertjes kon omspannen; een
heerlijke geur verspreidde zich door het vertrek.
"Oom," zoo wilde zij haar rede beginnen, mag ik u . . .."
"Breng weg die bloemen, breng weg! Hoe kun je mij daarmee zoo plagen;
foei, wat ben je toch een ondeugend kind! Weet je dan niet, dat oude,
ziekelijke menschen zoo'n sterken reuk niet kunnen uitstaan, dat het
hun nog erger maakt? Maar dat kan je niet schelen. Je bent een akelig,
onnadenkend-schepsel! Jacob, smijt die bloemen weg!"
Dorine ging stilletjes zitten, terwijl de knecht zich verwijderde met
haar mooi bouquet; onwillekeurig kwamen
[51:]
haar de tranen
in de oogen: zij was niet gewoon zoo hard te worden toegesproken. Gedurenden
den geheelen maaltijd durfde zij zich niet verroeren, noch eenig geluid
geven; oom zeide haar niets meer; Emma daarentegen vertelde altijd maar
door van Java, van Amsterdam, recht verstandig, precies als een groot
meisje, en oom scheen haar met het grootste pleizier aan te hooren.
Waarom kon Dorine die anders zoo wist te praten, dat doen? Waarom was
zij zoo bang voor oom? En stellig zou Emma dat alles aan papa oververtellen;
waarlijk, Dorine voelde zich dien avond recht ongelukkig.
Overigens had ze zeer veel pleizier op Bergerode: zij leerde rijden
op de ponny en allerlei boerenwerk doen; of wel zij nam een mooi boek
mee en ging in den tuin of in het bosch op een lief plekje zitten lezen.
Het waren pretigge dagen; 's avonds alleen, wanneer zij oom gezelschap
moest houden, verveelde zij zich en voelde zich niet op haar gemak,
want oom scheen hoe langer, hoe minder van haar te houden. Zoo gingen
er tien dagen om; toen zij op zekeren avond tot haar oom sprak:
"Ik wilde u iets vragen, lieve oom!"
"En wat dan, kind?"
"Mag ik hier bij u blijven?"
"Bij mij blijven? En waarom?"
"Om u gezelschap te houden en thee en koffie
[52:]
te schenken en
u de courant voor te lezen; ach, lieve oom, 't is of ik hier veel meer
thuis ben dan in Amsterdam. Ze kunnen me daar zoo missen!"
En zij begon te snikken.
"Arm kind! Ja, ik begrijp 't heel goed: je wordt daar maar geduld,
en ik zou niets liever willen dan je hier houden. 't Spijt me erg, dat
ik toen. .. indertijd... maar dat is nu te laat. . . je gaat nog op
school en 't zou je in je studiên hinderen, als je hier bleef."
"En wanneer moet ik weg, oom? Ik voel me hier zoo geheel en al
op mijn gemak."
"Hoe is het mogelijk, kind, en 't is hier zoo stil en somber!"
"'t Is hier zoo rustig; t'huis kan ik geen oogenblik bedaard zitten
en nadenken; en als ik niet naar school moest zou ik smeeken om mij
niet meer terug te zenden naar Amsterdam."
"Maar je zult verstandig zijn en denken dat je nog veel te leeren
hebt."
"Ja, oom, daar denk ik aan, en daarom zal ik maar niet meer er
op aandringen."
"Ik heb nog zelden zoo'n verstandig kind gezien," zei de heer
Bergerink later tot Jacob; en toch niets wijsneuzig: ze blijft zoo recht
kinderlijk bij al haar gezond oordeel."
"De andere is vrij wat aardiger," sprak de bediende;
[53:]
"ieder kent
haar reeds en houdt van haar; zelfs de dieren loopen haar na als zij
buiten komt."
"Ik heb haar niet verzocht hier te komen om vriendschap met de
dieren te sluiten," zeide de oude heer bits.
Den volgenden dag zeide hij tot Emma, dat zij overmorgen weer naar huis
moesten, daar anders zulk een lange vacantie beiden te veel in haar
studiën achteruitzette.
Emma zuchtte diep, en Dorine's ogen schitterden. 't Was heel prettig
daar buiten, maar toch verlangde zij zeer naaar Papa, Tante en de broers.
"Ja, ik begrijp het wel. de jongejuffrouw verveelt zich bij haar
ouden oom; nu, ik moet ook zeggen, aan je gezelschap verlies ik al heel
weinig."
"Och, lieve oom, u moet dat Dorine niet kwalijk nemen," smeekte
Emma zacht. "Ze is zoo gaarne buiten en ze houdt zoo veel van dieren."
"Ik zal dat onthouden," sprak oom knorrig.
Dien dag had Dorine nog veel toebereidselen te maken, vooral met het
oog op al hetgeen zij haar broers wilde meebrengen: zij had nu van alles:
konijnen, een lam, een paar jonge meerlen, gedroogde vlinders, bloemen,
bladeren, zelfs een verzameling steenen.
"Maar hoe zullen we met dien heelen rommel reizen?" vroeg
Emma verbitterd.
"Ik zal er voor zorgen."
[54:]
"Gij zorgt
nogal voor iets, zooals voor je parapluie, die je nog niet hebt gekregen."
Maar Jacob en Piet beloofden haar, alles goed in te pakken; het lammetje
werd in een kooi gedaan, en de konijnen in een mand; de meerlen kregen
een plaats in de hoedendoos.
"Maar wat zal zij toch in 's hemelsnaam met zoo'n lam op een bovenhuis
doen?" vroeg Emma. "Wees toch wijzer, Jacob, wij kunnen zoo'n
menagerie niet gebruiken; waar moet je ze bergen?"
" Wel, op zolder," zei Dorine beslist.
"Daar zal je Papa niet op gesteld zijn;'t gaat me wel niet aan,
maar ik moet met je samen reizen, en daarvoor bedank ik."
"Je kunt het als bagage laten opschrijven."
"Daar bemoei ik me niet mee; maar in den waggon komen al die vuile
beesten niet."
"De jongejuffrouw is hier lang zoo zacht niet als binnen,"
zeide Jacob tot Dorine. De goede oude vond het niets aardig, dat zij
Dorine's onschuldige lief hebberijen zoo dwarsboomde, want hij mocht
haar vrij wat liever dan de preutsche Emma.
Tegen den middag kwam Dorine, na een laatste bezoek aan haar lievelingsplekjes;
in huis terug, toen zij langs de groote zaal komende, plotseling voor
Emma stond, die er bleek en ontdaan uitzag.
[55:]
"Wat is er
gebeurd'? Je kijkt of je je zondags-centje versnoept hebt," zei
Dorine.
"Och, 't is niets, ik ben maar wat bedroefd omdat ik afscheid van
oom moet nemen."
"Is 't dat alleen?"
Tegen haar gewoonte hield Emma hier geen strafrede over Dorine's zelfzucht
en ging stil de trap op; Dorine trok nu voor den laatsten keer haar
beste jurk aan, die al duidelijke sporen van het dagelijksch gebruik
vertoonde, en zocht toen in afwachtig van de etensbel haar menagene
op. De kooi met het blatende lammetje stond in een hoek van de gang;
Jacob had het van zijn moeder willen ontwennen, maar het ging moeilijk,
want het dier verkoos maar niet te zwijgen.
Dorine wilde het troosten, en maakte zelfs in haar al te grooten ijver
het deurtje van de kooi open.
In een oogwenk vloog het dier naar buiten; daar kroop het door de op
een kier staande salondeur, en het meisje snelde het achterna. 't Was
bijna geheel donker in het groote ruime vertrek; eerst kon zij niets
zien of onderscheiden, maar daar zag zij plotseling het schaap in de
nabijheid van een der groote Chineesche vazen. Zij sprong vooruit, de
deur sloeg toe, maar reeds dadelijk klonk een luid gerinkel door het
vertrek; de vaas viel van haar voetstuk in duizend scherven.
[56:]
Doodsbleek en roerloos
bleef Dorine staan; zij had er niet het minste besef van hoe de zaak
zich toegedragen kon hebben; het schaap scheen te dicht bij de vaas
gekomen te zijn, maar hoe kon dit kleine dier dat groote voorwerp omgegooid
hebben? Jacob en Daatje de keukenmeid, door het gerinkel gelokt: stormden
naar binnen, en Dorine stond daar als een arme zondares. Boven werd
hard gebeld: die Chineesche vazen waren oom's trots; telkens als hij
iets hoorde rollen of breken, vroeg hij:
"Zijn 't mijn vazen?"
Nu had hij weer het geweld gehoord en wilde precies weten wat er gebeurd
was; men moest hem de waarheid zeggen. Ofschoon Jacob alles zoo verschoonend
mogelijk voorstelde, was hij zeer verontwaardigd en boos op de arme
Dorine. Zij mocht niet aan tafel komen, en hij liet na den eten zijn
rentmeester komen om hem een brief aan haar vader te laten schrijven.
Emma was liever en vriendelijker dan ooit te voren; zij vroeg excuus
voor Dorine; zij kon het niet helpen, het was haar lammetje wel, maar
zij was niet verantwoordelijk voor zijn wandaden, en daarbij, Dorine
was nog zoo jong en zij werd zoo verwend.
"Dat doet je goed hart alle eer aan, kind, dat gij je nichtje zoo
verdedigt, naar ik blijf er bij, dat Dorine een zeer onnadenkend kind
is, van wie mijn neef nog veel verdriet zal beleven. Een geluk is 't
dat zij u in de nabijheid
[57:]
heeft en dat je
een gunstigen invloed op haar kunt oefenen; maar die menagerie gaat
niet mee."
Op haar slaapkamer zat Dorine, die alleen ha moeten eten, wanhopig te
schreien.
"Maar begrijp je toch hoe dat gebeurd is, Em?" vroeg zij telkens.
"'t Dier is er nauwelijks bij geweest; het voetstuk of de vaas
moeten stellig stuk geweest zijn. Wat denk jij er van?"
"Ik weet het niet; de vaas is gebroken en dat is het voornaamste;
hoe, dat komt er niet op aan!"
Dorine vond het recht lief van Emma, dat zij haar niets verweet en het
gebeurde niet uit haar eigen aanroerde.
"Zie je wel," ging zij voort, "de zilverkast staat er
vlak naast, en daar boven staat die mooie zilveren bal, welken oom op
zijn 25-jarig huwelijksfeest heeft gekregen en waarop al die namen geschreven
staan."
"Wat doet dat er nu toe?"
"Niemendal, dat is waar, ik dacht alleen
misschien heeft
iemand dien er willen afnemen, en is hij toen tegen de vaas gevallen."
Emma zeide niets meer; zwijgend ging zij naar bed, Dorine schreide zich
in slaap.