Vl.
Den volgenden morgen
reeds zeer vroeg, toen de eerste zonnestralen door de donkere gordijnen
der slaapkamer drongen, sprong Dorine het bed uit, kleedde zich gauw
aan en sloop naar buiten, waar zij een paar heerlijke uren in de vrije
natuur doorbracht.
In de boerderij kreeg zij lekkere pannekoeken tot ontbijt; zij zag hoe
de koeien gemolken werden en mocht helpen de emmers te dragen; zij voerde
de hoenders en zwanen, plukte erwtjes en boonen, ving kapellen; in éen
woord: zij beleefde een der genotvolste ochtenden van haar leven.
[42:]
Emma daarentegen
bleef rustig liggen. 't Was voor haar een eigenaardig genot, niet door
tante Bertha's stem gewekt te worden, aan geen school of lessen te denken,
maar rustig te blijven slapen, zoolang zij het goedvond.
Het was reeds goed negen uur toen Emma eindelijk het besluit nam op
te staan en zeer op haar gemak toilet te maken; zij was daar nog niet
geheel meê klaar toen Dorine met verhit gezicht en een japon,
waarop nog de sporen lagen van al haar landelijke bezigheden, binnen
stormde en dadelijk van al haar lotgevallen begon te vertellen;
"Foei, foei! Wat zie je er vreeselijk uit!" zei Emma; "hoe
zal je met die japon toekomen al dien tijd, dat we hier blijven!"
"'t Is mijn reisjurk!"
"Dat moest er nog maar bijkomen dat dit je beste was. Heb je al
ontbeten?"
"Ja, in de boerderij; ik heb melk gedronken en pannekoek gegeten."
"Neen, dat vraag ik je niet, wat je bij die boerenmenschen uitgevoerd
hebt; maar hier in huis zal het ontbijt ook wel klaar staan."
"Zou oom er bij wezen?"
"Dat geloof ik niet; maar je kunt toch zoo gekleed niet in presentie
van de bedienden verschijnen? Wat moeten ze denken van de nichtjes -
ik bedoel van het nichtje van hun mijnheer!"
[43:]
"Och, help
me dan, Em!"
"Neen, dat zal ik liever niet meer doen. Ge moet de straf dragen
van je wildheid en slordigheid, anders leer je het nooit af. Probeer
maar zelf eens je op te knappen."
"Och Em, wat is dat toch onaardig van je! Hoe kan ik mij nu van
achteren afborstelen?"
"Kom als je blieft niet aan mijn borsteltje; dat is veel te goed
voor al die modder en melkvlekken."
Dorine keek wanhopend rond; ach, waarom moest de napret altijd zoo onaangenaam
zijn. Tante Bertha had voor haar geen borsteltje ingepakt, omdat Emma
er een bij zich had en zij dit voldoende voor de twee meisjes vond;
zij sprong op een stoeltje en bekeek zich in den spiegel. Zij zag er
bestoven en bevlekt uit; ten einde raad trok zij haar kleedje uit en
begon het tegen de kast zoo hard mogelijk uit te slaan.
"Maar ben je gek geworden, kind?" riep Emma toornig.
"Zie je dan niet, wat 'n stof je maakt en hoe dat over al mijn
kleeren stuift en de meubels van oom!"
Dorine hield haar japon voor genoeg uitgeklopt; nu nam zij de vlekken
onderhanden, wreef ze uit, en toen ze niet gauw genoeg verdwenen, bevochtigde
zij ze eenvoudig met water, zonder er aan te denken, hoe het geneesmiddel
erger was dan de kwaal.
Hoofdschuddend keek Emma haar aan.
[44:]
"Knoeister!
let nu eens op, hoe je kleed er over een half uur uitziet; je hebt het
totaal bedorven."
"O neen, dat water droogt op en neemt de vlakken meê."
"We zullen eens kijken."
Dorine kamde haar gelukkig korte lokken, zoo glad mogelijk, deed een
schoon boezelaartje voor en was nu recht tevreden over zich zelf.
Emma was nu ook klaar, met keurig gevlochten haar, hetzelfde boezelaartje
van gisteren, dat er nog even hagelwit en stijf uitzag als had het pas
de kast verlaten, haar werktaschje in de hand, in éen woord:
om door een ringetje te halen.
Zij gingen de trap af, naar de tuinkamer, waar het ontbijt op haar stond
te wachten; Dorine had geen lust meer tot eten, Emma liet zich den kop
chocolade en de vanillebeschuiten heerlijk smaken; toen nam zij haar
handwerkje en ging voor het raam zitten, alsof zij midden in de stad
en niet buiten logeerde.
Dorine bleef wat aan het raam staan kijken; toen sloop ze weg, en Emma
zag haar niet terug vóor koffietijd.
"O, wat heb ik weer een pleizier gehad; ik heb in den keuken bij
Daatje aardappelen geschild en groenten schoon gemaakt, en nu heeft
Piet mij beloofd dat hij me zou leeren paardrijden!" zoo juichte
zij.
"Ik vind het heel leelijk van je, dat je mij zoo'n heelen
[45:]
morgen in den steek
laat; heel alleen moet ik mij maar zien te amuseeren."
"Maar lieve Em, dat doe ik ook!"
"Je loopt alle knechten en meiden na en gedraagt je als een echte
boerin; daar heb ik geen lust toe."
"Maar Emma, zal ik je dan straks alles laten zien? Ik weet overal
nu goed den weg."
"Dankje wel, zie maar eens hoe mooi je japon geworden is; wat heb
ik je gezegd?"
Dorine keek eens naar haar pakje, dat waarlijk van boven tot beneden
als bezaaid was met vlekken; een oogenblik scheen zij verbluft, maar
dadelijk troostte zij zich weêr.
"Och, nu kan ik er ook meê doen wat ik wil en behoef haar
niet meer te sparen; als ik t'huis kom, moet zij maar geverfd worden."
"Denk je dat de vlekken misschien meeverven? Als je zoo voortgaat,
duurt het niet lang of je zult nog nieuwe kleêren en een nieuwe
parapluie moeten hebben."
Na de koffie ging Dorine aan het zoeken en vond een mooi geïllustreerd
boek over vogels en insecten; daarna ging zij op de canapé zitten
en was spoedig verdiept in het lezen, terwijl Emma altijd maar door
bleef werken.
De gastheer had slecht geslapen en lag dus nog te bed. Plotseling legde
Dorine haar boek weg, zocht naar een inktkoker, pen en papier en begon
te schrijven, zijtjes vol.
[46:]
"Schrijf je
naar huis?" vroeg Emma.
"Ja, aan Papa en aan tante en de broêrs!"
"'t Is anders niet noodig: ik heb reeds een briefkaart gezonden
om hun meê te deelen dat wij goed en wel zijn aangekomen."
"Dat schrijf ik ook niet meer, maar ik heb zooveel te vertellen."
De lust was nog nooit bij Emma opgekomen een brief te schrijven, omdat
zij niet mondeling vertellen kon; die Dorine was toch een rare meid.
Zoo werd het dan vijf uur; en Emma zag er nog zoo netjes uit, dat zij
er niet aan behoefde te denken toilet te maken. Dorine daarentegen moest
zich verkleeden om behoorlijk voor oom te verschijnen.
De oude heer klaagde nog erger dan gisteren over al zijn kwalen; hij
had niets geslapen; een uil had zoo akelig geroepen, dat was zeker het
teeken van zijn aanstaanden dood; de nichtjes moesten maar spoedig heengaan,
want pleizier konden zij toch niet hebben bij zoo'n ouden, ziekelijken,
knorrigen man.
Dorine had gaarne iets geantwoord maar de klanken staken haar in de
keel: zij voelde zich niets op haar gemak; en toen oom haar vroeg:
"Ben je bang voor mij, kind?" was het haar niet mogelijk "neen"
te zeggen.
Emma daarentegen kuste haar oom op het voorhoofd en vroeg hem belangstellend:
[47:]
"Heeft u werkelijk
niets geslapen, oom? Wat moet dat vervelend zijn, zoo'n heelen nacht
geen oog dicht te doen; ik wou dat ik u een beetje van mijn slaap kon
geven."
"Neen, lieve meid, jonge menschen hebben juist den meesten slaap
noodig; ouden zullen spoedig voorgoed inslapen, en dus moeten ze maar
zoo lang mogelijk wakker blijven, dat is de loop van de wereld. En hoe
heb jelui den tijd doorgebracht'?"
"Ik heb oom Theo geschreven, en zie eens, oom, wat ik hier voor
u begonnen ben!"
"Een paar pantoffels!"
"Ja oom, ik wou er u eerst meê verrassen als zè klaar
waren; maar dan kan ik er 's avonds niet aan werken als ik bij u zit."
"Je bedoeling is goed, kindlief, maar ik zal geen pantoffels meer
verslijten."
"Dat willen we niet hopen, oom."
"Och Emma, je moet het juist hopen, als je mijn bestwil wenscht;
wat heb ik aan mijn leven? 't Geeft niets dan ziekte en ellende, En
wat heb jij gedaan, Dorine?"
De strenge toon, waarop dit gezegd was, bracht Dorine geheel van streek.
"Ik heb buiten gewandeld oom, en ik heb gelezen."
"Foei, alweer lezen en buiten loopen; Emma besteedt haar tijd veel
nuttiger. Kom eens wat dichter bij; waarom
[48:]
heb je zoo'n mooie
japon aan? Die is vrij wat deftiger dan die van Emma!"
"Omdat. . . omdat . . ."
"Och, oom, vraag het haar niet, zij kan 't niet helpen," sprak
Emma met een diepen zucht.
Oom keek Dorine ernstig aan; hij begreep de meisjes verkeerd en vroeg
na een poos nadenken:
"Heeft zij alles mooier dan gij?"
Emma zweeg; nu wist zij wat oom bedoelde. Dorine echter was zoo vol
over haar slordigheid en eigen schuld, dat zij geen acht sloeg op oom's
vraag en Emma's zacht gegeven antwoord.
"Och oom, 't kan niet anders: zij is oom's eenige dochter en ik
maar zijn nichtje, ik ben er tevreden meê."
"Zoo!"
Op dit oogenblik besloot Emma haar beste japon niet aan te doen, maar
stil in het koffertje te laten rusten.
Emma sprak met oom, terwijl Dorine, met een breikous in de hand, onmogelijke
pogingen deed om wakker te blijven, over allerlei dingen hoogst verstandig
en bedaard, als ware zij niet 15 maar 25 jaar oud geweest.
Zij zat aan de theetafel, schonk de kopjes vol, trachtte precies te
weten, hoeveel suiker oom beliefde; zij was zoo zorgvol, zoo vriendelijk
als Dorine haar nooit te voren had gezien.
[49:]
"Emma schijnt
meer van oom te houden dan van mij en de broêrs en tante en zelfs
van Papa, tegen wien zij t' huis toch altijd het liefste is," dacht
zij half sluimerend; "wij krijgen nooit anders dan snibbige lessen
van haar."
Bij het naar bed gaan vroeg Emma:
"Mag ik morgenmiddag ook koffie voor u schenken, lieve oom? Ik
zit anders den heelen dag zoo alleen, wanneer Dorine naar buiten is."
"Maar kind, je zult je in die donkere ziekenkamer vervelen."
"Neen oom, ik vind het zoo prettig met u te praten, ik leer er
zoo veel door."
"We zullen kijken, lieve meid! Ga nu maar rustig slapen!"
"Wel te rusten, oom; ik zal bidden dat u goed slaapt."