[58:] VIII.
Den volgenden morgen
na het ontbijt was het oogenblik van het vertrek der beide meisjes gekomen.
"Mogen we nu afscheid van Oom nemen?" vroeg Emma aan Jacob.
"Ik zal het eens vragen."
Een oogenblik later kwam hij met bedrukt gelaat terug en zeide:
"Of juffrouw Emma maar alleen wil komen."
Verlegen en bedroefd bleef de arme Dorine achter; het schreien stond
haar nader dan het lachen; zij had haar beste kleedje aan, want het
ander was niet meer te dragen, en dit zag er nog slechter uit dan het
huisjurkje van Emma, ofschoon zij er altijd mee geloopen had.
Emma kwam bij het bed van haar oom die haar zijn klamme hand toereikte.
"Die ondeugende meid wil ik geen goeden dag zeggen," sprak
hij; "haar verblijf in mijn huis kost mij meer dan f 600. Haar
vader zal 't weten, en dan kan hij zijn dochtertje een betere opvoeding
geven."
Onverwacht kreeg Emma een aandoenlijke bui en begon het uit te snikken.
"Maar lieve kind, wat scheelt er aan?"
"Och, oom! U moet het Dorine vergeven; zij kon het heusch niet
helpen. Dat schaapje
.
[59:]
"Het dier
is niet verantwoordelijk, maar wel dat wilde kind met haar boersche
manieren, Wie laat ooit een dier, dat in de schaapskooi t'huis hoort,
in een salon? Spreek haar niet voor, Emma; 't pleit voor je goed hart,
maar ik wil liet niet. hooren, of anders word ik ook kwaad op jou!"
Nu zweeg Emma verlegen stil, en oom ging voort:
"'t Ga je goed, kind; hier heb je een klein cadeautje; pas braaf
op en leer vlijtig! Volg vooral niet het voorbeeld van je ongemanierd
nichtje.
"En mag zij u werkelijk niet groeten, oom?"
"'t Zal haar wat kunnen schelen of zij den ouden knorrepot nog
eens ziet, zij heeft al die dagen niets anders gedaan dan mij ontloopen,
nadat ze beproefde mij te vergiftigen met haar bloemen."
Emma nam altijd door schreiend, afscheid van oom; daarna stapte zij
met de troostelooze Dorine weer in het jachtwagentje, zoodat onze beide
reizigsters onder algemeen gesnik het landgoed verlieten, dat zij zoo
vroolijk en vol verwachting betreden hadden.
Waarom Emma nu zoo bedroefd was, kon Dorine niet begrijpen. Vond zij
't werkelijk zoo hard afscheid te nemen van oom; hield zij nu reeds
meer van hem dan van haar geheele familie? In elk geval, 't meisje liet
zich over haar gevoelens niet uit en de reis liep heel kalm en bedaard
zonder ongevallen af.
[60:]
Tante haalde ze
van den trein; papa was naar zijn werk; de jongens op school. Een zucht
was het eerste wat de tante ontsnapte toen zij Dorine's ontredderd toilet
zag en de parapluie miste.
"Arme meid! wat ben je weer te pas gekomen!" zeide zij.
"Ach tante, ik ben zoo ongelukkig. Wat zal..."
"Ja, van morgen is de brief van oom gekomen. 't Is weer net iets
voor jou! En Emma? Natuurlijk juffrouw Wijsheid heeft niets verloren,
niets bedorven, niets gebroken."
"Vindt u dat niet goed, tante?"
"Wel zeker kind, als je er je maar niets op laat voorstaan."
Thuis gekomen kwam tante Bertha tot nog meer treurige ontdekkingen:
de kam, een paar pantoffels, de noodige zakdoeken, zelfs een rok waren
niet meer in den koffer aanwezig; al het goed was er in gerold, schoon
en gebruikt linnen lag op elkaar, niets was meer op zijn plaats.
"'t Is ook niets aardig van je, Emma, dat ge je nichtje niet eens
hielpt met inpakken; je weet dat zij er geen verstand van heeft. Waarom
keek je de kamer ook niet na, of zij er wat in liet liggen?" knorde
tante Bertha.
"Ik heb genoeg met mijn eigen zaken te doen," gaf het meisje
ten antwoord, op zoo bitsen toon, als niemand op Bergerode het ooit
van haar had gehoord. "Ik kijk naar wel alles om; waarom kan Dorine
het ook niet?"
"Zeker, Dorine moet zich ook verbeteren; op deze manier
[61:]
gaat zij haar ongeluk
zeker tegemoet; zij kan niet op eigen beenen staan; maar als je werkelijk
een lief, hartelijk nichtje waart, Emma, zou je het hart niet hebben
haar over te laten aan haar lot en zelf voor al die dingen te laten
zorgen."
"Natuurlijk ben ik weer de oorzaak van alles; 't is mijn schuld.
Nu er op mij niets te zeggen valt, moet ik ook nog boeten voor de schuld
van die sloddervos. Als men een hond wil slaan, vindt men altijd een
stok."
"Maar kind, wat voor toon sla je tegen mij aan? 't Schijnt dat
je op Bergerode je heel anders voordeedt; oom is ten minste vol lof
over je beleefdheid en je zachte manieren, waarvan ik niets bemerk;
de arme Dorine heeft alle ondeugden."
"Ik werd daar ook heel anders behandeld dan hier; u geeft mij de
schuld van alle mogelijke kwaad doet Dorine uitvoert en weet niet wat
mij toekomt."
"Heb je van mijn leven! Verbeeld ge je misschien dat je al de eenige
erfgenaam van je oom bent! Ik zou maar wat wachten en je niet met een
dooden vogel verheugen."
"Ik kan 't niet helpen dat u meer van Dorine houdt dan van mij,
maar 't is niet mooi dat zoo te laten blijken."
Tante Bertha kon haar ooren niet gelooven; zoo had zij haar nichtje
nog niet gezien, en zij besloot er met haar broer over te spreken.
Toen de heer De Ridder t'huis kwam, begroette hij de meisjes zeer ernstig,
en Dorine aanziende, sprak hij:
[62:]
"Kind, kind,
ik heb een zwaar hoofd in je toekomst. Verwijtingen zal ik je niet doen,
want ik denk dat je al verdriet genoeg zult hebben van het gebeurde;
maar laat het je een les wezen voor het vervolg."
De heer De Ridder was altijd even bedaard; hij werd nooit driftig, maar
elk zijner woorden klonk steeds zoo goed doordacht en beslist, dat het
een diepen indruk maakte op zijn kinderen, veel dieper dan zware straffen
of bittere verwijtingen. Dorine deed bij zich zelf de belofte, die zij
reeds herhaaldelijk gedaan had, beter op te passen en meer zorg voor
haar goed te hebben.
Over Emma sprak tante Bertha toch niet met haar broer; want dan zou
zij ook alles moeten vertellen wat haar lieveling misdaan had door het
vergeten van haar goed; zij liet Dorine aan Jacob schrijven, en het
achtergelatene werd haar nagezonden.
Voor de broers was het natuurlijk een groote teleurstelling dat Dorine
zooveel van die heerlijke dingen had moeten achterlaten; toch waren
zij tevreden met al 'tgeen zij nog meebracht, en als zij aan het vertellen
was over de merkwaardigheden van Bergerode, dan vergat zij al haar zorgen
voor een oogenblik, en ook de minder prettige wijze, waarop zij het
landgoed verlaten heeft.
Overigens was zij nu minder wild en slordig dan voorheen; zij legde
zich met ijver op haar studiên toe, met veel meer
[63:]
ijver dan Emma,
die lusteloos en nadenkend scheen en altijd met looden schoenen naar
school ging.
Zoo verliep een maand na hun reis, toen, terwijl de familie aan tafel
zat, een telegram werd binnengebracht. De heer De Ridder las het met
een zeer ernstig gezicht en zeide daarna op plechtigen toon:
Kinderen, uw oom Bergerink is van nacht overleden."
Emma werd doodsbleek; Dorine sloeg de handen in elkaar.
"Och, die arme oom! Wie had dat kunnen denken, reeds zoo spoedig!
Ben je erg bedroefd. Em? je hield zoo veel van hem!"
Maar Emma bleef er bleek en peinzend uitzien, van droefheid zag men
echter geen spoor.
"Ik moet morgen vroeg vertrekken, Bertha," sprak de heer De
Ridder; "pak dus mijn goed in, ook mijn rok en wilte das, want
reeds overmorgen wordt hij begraven."
"'t Spijt me dat oom mij geen excuus heeft kunnen geven voor het
breken van die vaas; dat zal me altijd verdriet doen," zeide Dorine.
"Kom kind, dat kon je immers niet helpen, wat dat schaap uitvoerde,"
trooste tante Bertha.
"Ja, maar oom dacht er anders over, en nu is hij gestorven zonder
dat hij 't begrepen heeft."
Den volgenden morgen reeds zeer vroeg vertrok de vader naar Bergerode;
Dorine en Emma gingen als naar gewoonte naar school. De laatste was
echter bijzonder stil en afgetrokken:
[64:]
telkens als er
gebeld werd scheen zij op te schrikken.
"Wat scheelt je toch; Ik heb je nog nooit zoo gezien!" zei
tante Bertha. "Verwacht je iets?"
Tante scheen niet erg bedroefd over oom's overlijden. 't Was dan ook
moeilijk, want zij kende hem nauwelijks. In haar gedachten ging zij
na, hoe geheel anders hun omstandigheden nu zouden worden; want zij,
haar broer en Emma waren de eenige bloedverwanten, welke de oude man
had!
Alles ging nu veranderen: zij werden rijk en behoefden niet meer te
passen en te meten om rond te komen; een zucht ontsnapte haar bij de
gedachte aan haar schoonzuster, Dorine's moeder, die niets dan zorgen
en ziekten had gekend. Reeds bij haar leven had Bertha het huishouden
waargenomen, en zij beminde Dorothea als haar eigen zuster.
Welk een zegen echter voor haar broer, zijn jongens nu een goede flinke
opvoeding te kunnen geven en niet langer gedrukt te worden door de zorg
voor Emma!
"Ik wed dat Emma nog een legaat krijgt," dacht tante Bertha.
"Arme Dorine, dat schaap heeft het hare verspeeld! Oom is altijd
een zonderling man geweest; toen broer Dirk stierf en zijn dochtertje
in bekrompen omstandigheden achterliet, wilde hij zich haar niet aantrekken,
onder voorwendsel dat haar vader over zee was gegaan. En nu is hij met
dat nest zoo ingenomen geraakt, - meer dan zij verdient."
Daags daarna moest Emma schoolblijven, want zij kende
[65:]
geen harer lessen;
zij klaagde over hoofdpijn en Dorine, die met haar in een bedje sliep,
merkte op dat zij 's nachts onrustig was en weinig of in het geheel
geen slaap scheen te hebben.
Den derden dag was het Zondag, tegen den avond zou de Heer de Ridder
t'huis komen; tante Bertha wachtte hem met een kop thee en een boterham,
want de kinderen hadden reeds gegeten,
Bij den eersten oogopslag bemerkte zijn zuster dat hij er ter neergeslagen
en bezorgd uitzag; op al haar vragen gaf hij slechts een kort antwoord
en reeds om negen uur zeide hij tot tante:
"Zend de kinderen nu maar naar bed, Bertha!"
Zij gehoorzaamden allen onder den indruk van 's vaders ernstige stemming.
"'t Is geen wonder dat papa stil is; papa komt ook van een begrafenis,"
zei Dorine.
"Bah," zei een der jongens, "ik heb geen trek naar Bergerode
te gaan. Ieder komt er zoo stil van terug, Emma keek als een oorworm,
en zelfs Door scheen haar zondagsoortje versnoept te hebben; dat komt
van de lucht daar."
Toen de kinderen allen in hun bedjes lagen, ging tante naar beneden
terug, naar de huiskamer, waar de Heer de Ridder met de hand onder het
hoofd blijkbaar in treurige gedachten verdiept zat.
[66:]
Emma was stil naast
Dorine gaan liggen, maar de slaap ontvluchtte haar oogen; nog geen vijf
minuten later was haar nichtje in kalme rust verzonken en nu stond Emma
onhoorbaar zacht op, trok haar sokjes aan, sloop de kamer uit, gleed
de trap af en na zich overtuigd te hebben, dat niemand haar zag, bleef
zij aan de deur der huiskamer staan luisteren.
"Maar hoe," hoorde zij tante zeggen, "hoe is dat mogelijk,
alles zegt ge! alles!"
"Op een paar onbeduidende legaten aan de bedienden en eenige goede
instellingen na, verder f 1 000 aan elk der jongens en een jaargeld
van f 500 aan u."
"En aan u en Dorine niets!"
"Neen, Dorine is veel te lichtzinnig en te slordig en ik geef haar
geen goede opvoeding."
"Maar hoe onrechtvaardig toch! Die arme, goede meid, hij moest
ze beiden maar eens kennen, zooals ik ze ken. Welk een teleurstelling
toch, dat er een testament was."
"Klagen er over helpt niets, Bertha! Oom was vrij, met zijn geld
te doen wat hij wilde en nu hij goed vond Emma tot zijn universeele
erfgenaam te maken mogen wij niet klagen."
Het hartje van Emma scheen niet meer te kloppen, nu was het haar of
zij duizelde, of zij zich moest vasthouden om niet te vallen.
"Dat kind heeft het er op aangelegd; zij begreep, dat die oude
man haar kon bevoordeelen en daarom heeft zij zich
[67:]
zoo lief mogelijk
tegenover hem voorgedaan, 't Is zoo'n doorslepen schepsel,"
"Foei Bertha, zoo moogt ge niet oordeelen. Emma heeft er niets
kwaads mee bedoeld; zij is beter in oom's smaak gevallen dan Dorine,
dat is haar schuld niet en 't zou natuurlijker wezen als gij 't haar
dan de goede Emma kwalijk naamt."
"Dorine kan niet veinzen, zij is helder als glas, zooals zij hier
is, zoo heeft zij zich ook in Bergerode getoond; maar Emma, hoe jong
zij ook is, zit vol berekening, Ik vertrouw haar niet."
"Nu praat ge weer heel liefdeloos, Bertha; natuurlijk spijt het
mij ook erg dat het zoo afgeloopen is, maar ik kan er niets aan doen
en ik zal er het kind niet minder liefde om betoonen."
"Verwonderlijk, dat oom u nog als bestuurder van haar goederen
heeft benoemd."
"Hij kon er niets aan doen, ik ben haar voogd, door haar eigen
vader aangesteld; het voogdijschap kon hij me niet ontnemen."
"Maar wat zullen we nu beginnen! Wilt ge het haar vertellen? Ik
geloof niet, dat het goed zal wezen; 't geeft haar nog meer verbeelding
dan zij al heeft."
"'t Zal toch wel dienen; de wensch van oom is, dat zij op Bergerode
komt wonen tot hare meerderjarigheid."
Emma hoorde dat haar oom opstond; vreezende ontdekt
[68:]
te worden als luistervink,
kroop zij weer even zachtjes de trap op, als zij die was afgekomen en
stopte zich naast de rustig slapende Dorine onder de dekens.
Nu eerst werd het haar duidelijk welk groot nieuws zij daar vernomen
had.
"Erfgename van Bergerode, schatrijk, zij de arme wees van gisteren.
't Was niet om te gelooven! Hoe jammer dat zij nog zoo jong ,vas, dat
zij afhankelijk bleef van oom en tante Bertha, nog bijna negen jaren.
't Was lang, maar 't deed er niet toe, zij was rijk, zij behoefde niet
meer te studeeren voor haar examen, niet meer dankbaar te zijn aan oom
en tante. Al dat prachtige zilvergoed en die bosschen en dat groote
huis, 't was alles van haar, alles, alles! Zij zou lust hebben gehad
het uit te schreeuwen, Dorine wakker te schudden, maar toch was er iets,
wat haar belette zoo geheel gelukkig te zijn, als zij wilde.
Kom, dat zou ze wel vergeten, ze had niets anders kunnen doen, daarbij
zij kon het niet helpen, dan maar liever gedacht, wat zij zou doen met
haar rijkdom.
"Een mooie zomermantel koopen met echte, spaansche kant en een
hoedje met groote witte veer en dan een paar gouden armbanden en ten
minste tien japonnen voor elk seizoen; dan zou ze alle dagen uit rijden
gaan in het mooie mandewagentje. Zou ze oqk leeren paardrijden, wel
zeker, waarom niet;
[69:]
het stond toch
zoo mooi zoo'n lange amazone; dan zou iedereen denken dat ze al lange
rokken droeg en een heerenhoed op, wat zou haar dat chique staan.
En alle dagen wilde zij odeurtjes gebruiken, jockey-club en heliotrope
en ilang-ilang, nooit meer Eau de cologne, foei, dat was zoo ordinair.
Ook zou zij op reis gaan, 's zomers naar een badplaats, waarvan de meisjes
Penners vertelden, daar zag men zulke mooie toiletten, en daar wandelden
de dames met groote waaiers, in plaats van parasols; 's winters ging
zij naar Parijs om de opera's te zien.
Zij zou dan heel veel diamanten dragen en als de menschen vroegen: Wie
is dat mooie blonde meisje met die prachtige juweelen? dan antwoordde
men: "Dat is die rijke eigenares van Bergerode.
Wie weet of er dan geen prins zou komen om haar ten huwelijk te vragen;
Dorine zou ze meenemen om haar gezelschap te houden; hoe jammer dat
zij zoo onhandig was. anders was het veel pleizieriger een nichtje dan
een vreemde tot kamenier te hebben, maar ze zou haar toch nooit als
er anderen bij waren Emma mogen noemen. Neen, dan moest ze mademoiselle
zeggen of madame.
Ze wilde Bergerode ook heel nieuw laten opbouwen, een mooi wit huis
met spiegel ramen en balkons en dan meubelen geheel naar den nieuwen
smaak.
[70:]
En zoo maakte zij zich luchtkasteelen en toen zij eindelijk in slaap viel, droomde zij van niets anders dan van haar nieuw geluk en rijkdom.