II.
Intusschen zaten
Dorine en Emma in het kantoor; de laatste was druk aan het breien, maar
met Dorine's werk wilde het niet vlotten. Zij zat met de kin in de hand
naar buiten te kijken, naar den top van een grooten boom, die in een
naburig tuintje stond. Daar huppelde zoo'n alleraardigst vogeltje tusschen
de groene takken, en de blauwe lucht schemerde er doorheen, en 't was
het meisje niet mogelijk haar aandacht te bepalen bij haar les van de
vaderlandsche geschiedenis.
"Ik wou dat ik iets wenschen kon," zeide Dorine.
"Ik ook," verzekerde Emma.
"Weet je wat ik dan verlangde? Buiten te zijn in een dicht bosch,
en dan bloemen te plukken en de vogels te hooren zingen, zoo als den
vorigen zomer in Bloemendaal;
[9:]
maar dan niet netjes
aangekleed, zoo maar in mijn huispak, en bramen zoeken, en als er een
beekje in 't bosch is, met mijn bloote voeten er door heen loopen; zelfs
zou ik wel in een boom willen klimmen, als ik niet bang was mijn
kleeren te scheuren."
"Daar geef je ook wat om!"
"Voor mij zelf niet; maar als ik mijn kleeren scheur, moet papa
hard werken om een nieuwe japon te verdienen, en tante moet laat opblijven
om die te naaien. Nu zeg me eens wat gij zoudt wenschen?"
"Ach, ik geef er niets om buiten te wonen; ik zou heel graag in
de stad blijven, maar dan moest ik lid wezen van Artis en van Felix
en 's winters een paar maal naar de komedie gaan. Als ik buiten woonde,
dan zou ik er erg tegen opzien door die modderige, slikkerige wegen
te gaan; zoo ik een rijtuig had om wanneer ik wilde naar de stad te
rijden, zou ik er misschien wel willen wezen, dan zou ik ook veel logé's
vragen en feesten geven en nooit meer een boek in de hand houden om
er lessen uit te leeren. Ik wou dat ik rijk was."
"Foei, neen! Rijke menschen moeten zoo deftig zijn. Die gaan nooit
in den tuin dan met een hoed op en handschoenenaan "
"Natuurlijk, om hun vel niet te bederven."
"Kom, daar geef ik niets om! Ik zou 't allerakeligst vinden,
[10:]
altijd zoo mooi
gekleed te gaan en bang te zijn voor elk vlekje en elk scheurtje, en
ik zou geen geduld hebben altijd in een rijtuig te rijden. Verbeeld
je, als er eens mooie bloemen aan den weg groeiden, of ik zag een aardig
paadje, dat ik zou willen inslaan, dan moest ik telkens laten stilhouden!"
"Wel neen, Dorine, dat doet men niet als men een rijke deftige
dame is; dan blijft men stilletjes zitten en mogelijke bloemen en paadjes
voorbij."
"Dan bedank ik er hartelijk voor een rijke dame te zijn en blijf
liever doodeenvoudig de kleine wilde Dorine."
"Ik zou toch graag rijk willen worden," zuchtte Emma.
"Ik niet minder: dan kocht ik dadelijk een mooi pak voor papa,
en een zomermantel voor tante Bertha, en dat kapotje bij Mack, waarin
ze zooveel zin had, en voor Willem een atlas en voor Kees een nieuwen
tol en voor Fransje hobbelpaard. . ."
"Maar voor je zelf?"
"Och, dat weet ik nog niet; dat zou ik wel bedenken. Eerst zou
ik zorgen, dat wij in een groot benedenhuis konden wonen met een mooien
tuin."
"Ja, met zulke heele nette bloemperken en paadjes vol geel zand
en een prieel van geschoren palm."
"Neen, met hoog gras en flinke boomen en veel bloemen, maar die
niet zoo stijf bij mekaar stonden."
"Dan zou ik niet meer school willen gaan en geen ander
[11:]
boek in handen
nemen dan prachtig ingebonden."
"Ik niet, ik zou nog wel willen leeren maar, alleen
dingen, waarin ik zin had: algemeene geschiedenis en vreemde talen,
om allerlei boeken daarin te lezen, en dan pianospelen en zingen."
"Als ik muziek wilde hooren, liet ik iemand komen, die voor mij
spelen en zingen moest; dan behoefde ik mij niet te vermoeien met het
zelf te doen."
"Och kom, Em, we zullen toch nooit rijk worden, en 't is groote
gekheid daarover te praten. Ik zal 't maar eens in mijn hoofd zien te
krijgen, hoe de verschillende huizen op mekaar volgen. Het Henegouwsche
Huis volgt op het Hollandsche, dan komt het Beiersche. . . ."
"Ik bid je, Dorine, leer niet zoo hardop. Hoe kan ik dan mijn Fransche
dialogue leeren?"
Beiden zwegen een poos, en tegen de gewoonte was 't nu Emma, die weer
't eerste sprak:
"Zeg eens, Door," "zou je denken dat wij nooit rijk werden?"
"Ik twijfel er zeer aan, Em! je ziet toch zelf hoe hard papa moet
werken om geld voor ons te verdienen. Daarom ben ik ook besloten mijn
examen te doen, zoodra ik 18 jaar oud ben."
"Ik zal er wel nooit doorkomen! Ik houd niets van leeren, en onderwijs
geven vind ik nog veel akeliger. Hoe gelukkig zijn
[12:]
toch de meisjes
Penner, dat zij aan geen examen behoeven te denken, dat ze een rijtuig
hebben en geen hutspot ooit op tafel krijgen!"
"Kom, ik zal blij wezen als ik mijn heele leven door zulken heerlijken
kost kan krijgen als vanmiddag!
"Ja, je bent het ook nooit anders gewoon geweest, maar ik had zoo'n
heerlijk leven in lndië! Toen ik 5 jaar oud was, had ik al een
allerliefst eigen wagentje met een lief paard ervoor en een meid alleen
om mij te bedienen, en ik hoefde niets anders te eten dan wat mij beviel."
"Je bent verwend, en ik verheug mij dat ik het nooit werd. Tante
Bertha zegt, de gelukkigste mensch is degene, die zich in alles weet
te schikken."
"Tante Bertha heeft goed praten," zuchtte Emma; "maar
ik verzeker je dat ik alle rijke meisjes benijd."
"O foei, benijden neen, dat kan ik niet doen, en als ik verlangde
rijk te worden, zou 't zijn opdat papa niet meer zoo hard behoefde te
werken, terwijl tante een meid kon nemen en niet zoo veel trappen te
klimmen had."
"Maar zeg eens, Door, wat zou er in dien brief aan je pa gestaan
hebben; ze schijnen er nu nog over te praten."
"Ik weet het niet, en 't kan mij trouwens ook weinig schelen. 't
Zijn mijn zaken niet. Het Bourgondische Huis regeerde van. . . ."
"Als ik je toch verzoeken mag, niet hardop!
[13:]
Eerst den volgenden
morgen vertelde tante aan de beide meisjes, dat zij uit logeeren moesten
gaan.
"Bah, bij dien ouden brommigen oom!" riep Dorine.
Emma dacht een oogenblikje na.
"Is die oom rijk?" vroeg zij.
"Verschrikkelijk! Hij woont op een groot buiten en kan drie uur
lang op zijn eigen grond rijden."
"Dus hij houdt een eigen rijtuig en paarden?"
"Verscheidene. geloof ik zelfs!"
"Hoe prettig!" En de anders zoo flauwe oogen van Emma begonnen
te schitteren.
"Woont hij geheele buiten, tante?" vroeg nu Dorine op haar
beurt.
"Ja, en er is een groot bosch bij zijn huis en een vijver en een
prachtige tuin."
"En mag ik daar logeeren? Wat is 't jammer dat de jongens niet
mee gaan en u, tante Bertha, en papa!"
"Ja kindlief, ongenoodigde gasten laat men t'huis."
"Tante, krijg ik nu nog een nieuwe japon, vóór ik
op reis ga?"
"Maar tante, mag mijn daagsche jurkje ook mee, om aan te doen als
ik in het bosch ga wandelen?"
Tante beloofde alles en ging dien middag uit om zeer eenvoudige, maar
nette japonnen, precies gelijk aan elkander voor haar nichtjes te koopen.
[14:]
"'t Zal mij
benieuwen hoe de beide japonnen er uit zullen zien als ge terugkomt."
"O tante, ik zal er zoo netjes op zijn," beloofde Dorine.
"Ik zou niet weten, hoe ik 't moest aanleggen om ze te bederven,"
zeide Emma.
"Je moet het mij leeren, Emma, hoe jij de kleeren netjes houdt;
heb ik iets nieuws aan, dan komt er den eersten dag den besten een vlek
op."
"Och, je, moet maar oppassen," verzekerde Emma heel wijs.
Tante Bertha had het druk; de beste kleedjes voor Emma en Dorine moesten
wat opgefrischt worden met een nieuw lintje en nieuwe knoopen; Dorine's
japon moest zelfs gekeerd worden. Dan verrichtte ze nog wonderen, om
van drie hoedjes twee te maken, die er nogal aardig uitzagen.
"Ze zijn allerliefst," riep Dorine; "tante, wat is u
toch knap!"
Emma bleef met haar hoedje op voor den spiegel staan en zuchtte, dan
zette ze het naar voren, dan weer naar achteren, zonder dat het haar
scheen te kunnen bevallen; eindelijk nam zij het af, gaf 't hier en
daar een deuk, haalde het lint op, verschoof een bloem, paste het weer,
en begon er hoe langer hoe ontevredener uit te zien.
"Maar wat doe je toch, kind?" vroeg tante knorrig.
"Ach tante, ik kan met zoo'n dol van een hoed bij oom komen!"
[15:]
"Een dol van
een hoed? En ik heb er nog juist de bloemen op gedaan van mijn eigen
zomerhoed, terwijl Dorine zoo tevreden is met een paar oude veeren."
"Dorine kan 't ook wat schelen of zij een omgekeerden groentemand
of een veeren tokje op heeft; maar ik bedank er hartelijk voor mij zoo
te laten toetakelen."
"Ondankbare meid, ik heb er zooveel moeite voor gedaan. Oom Theo
heeft al onkosten genoeg van die reis; ik kan bij hem niet aankomen
met een verzoek om nieuwe hoeden voor jelui."
"Wil je misschien met de mijne ruilen?" vroeg Dorine goedig.
"Ik zou je danken, zoo'n suikerschepper."
"Maar wat wil je dan eigenlijk?"
"Niets, ik zal hem zelf wel opknappen."
"Daar bemoei ik me niet meer mee; knoei zoo veel je wilt. Ik raak
je hoed niet meer aan."
Emma ging werkelijk aan het veranderen, maar aanstaan deed haar het
hoedje toch in 't geheel niet.
"De meid van de Penners ziet er nog fatsoenlijker uit dan wij.
Tante heeft niets geen smaak," pruttelde zij.
"Zeg dat toch niet," verzocht Dorine. "Zij heeft er zich
zooveel moeite voor gegeven."
"Dat kan ik niet helpen. Zij heeft niets geen verstand van hoeden
opmaken; daarvoor zijn immers de modistes!"
"Maar dat kost weer geld!"
[16:]
"O foei, dat
ellendige geldl Waarom ben ik toch niet rijk gebleven? Maar hoor eens,
Door, geloof je niet dat die oom Bergerink een bijzondere reden heeft
om ons te logeeren te vragen?"
"Ja, hij wil kennis met ons maken."
"Maar waarom? Hij heeft geen kinderen, hij is rijk; zou hij er
niet aan denken ons beiden of een van ons tot erfgenaam te maken?"
"Daar heb ik werkelijk nog niet aan gedacht."
"Ik geloof 't zeker; anders zouden oom en tante zooveel onkosten
niet maken om er ons heen te zenden."
"'t Kan me weinig schelen; ik zal er niets liever of minder lief
om zijn."
Maar toen eindelijk de gewichtige dag aangebroken was, en de meisjes
zich klaar maakten om naar het station te gaan, riep de heer De Ridder
haar bij zich.
"Hoort eens, meisjes," sprak hij, "er hangt van uw uit
logeeren gaan meer af dan ge denkt; ge zijt beiden nu al zoo oud, dat
ik gerust met u spreken kan over het groote belang, dat aan dit reisje
verbonden is. Oom heeft een ontzaglijk fortuin en geen kinderen; doch
dit alleen is geen reden om vriendelijk tegen hem te wezen. Ik behoef
het u niet op het hart te drukken, lief en voorkomend tegen den ouden
heer te zijn, niet omdat uw toekomst er waarschijnlijk mee gemoeid is,
maar omdat hij oud en eenzaam is en
[17:]
behoefte heeft
aan liefde. Vóór u, Emma, ben ik niet bang: gij zijt altijd
even beleefd en voorkomend, maar Dorine, u zie ik met een zwaar hart
vertrekken.
Beloof me dus, dat je bedaard en vrouwelijk zult wezen en geen wilde
streken uithalen."
"Och papa, dat zal moeilijk gaan, nu de jongens er niet bij zijn."
"Gedraag u echt meisjesachtig en bedaard; wil je mij dat beloven?
"Ik zal mijn best doen, papa!"
"Nu dan, kinderen, God geleide u!"
De jongens gingen allen mee om de meisjes weg te brengen, op Fransje
na, die bij tante Bertha bleef. Dorine vond het recht prettig; de eene
droeg een tasch, de andere een parapluie, de derde een doekje; zij had
het vreeselijk druk en beloofde Kees mooie torren mee te brengen voor
zijn insectenverzameling, en Willem gedroogde dennenappels, en aan Jozef
als het eenigszins kon een eekhoorn.
Emma daarentegen stapte deftig aan den arm van haar oom en sprak met
hem hoogst verstandig over familiezaken.
Zij wilde weten hoe oom familie van haar was, hoeveel kinderen hij had
gehad, hoe lang zijn vrouw al dood was, en zoo al meer. Soms keek ze
geërgerd naar het vroolijke troepje.
"'t Lijkt wel een kostschool. Niets is zoo burgerlijk dan met zoo'n
heelen stoet naar het station te gaan."
[18:]
Eindelijk toen
de meisjes in een wagon 2de klas zaten, kropen een paar jongens voor
de aardigheid naar binnen, en de anderen bleven voor het portier staan.
"Je weet heel goed, wat ik bedoel; Door: van die stevige bruine
torren; het liefst had ik zoo'n vliegend hert" zei er een.
"Zal ik er een levende voor je bewaren in een doos?"
"Als 't kan; maar anders, met zoo'n paar blauwe kapellen kun je
me ook dol pleizier doen."
"Heb je het netje aan tante Bertha gegeven om 't in te pakken?"
"Ja; maar ze zei dat de stok niet in het koffertje kon; toen heb
ik 't er maar afgedaan."
"Och ja, een steel is altijd te krijgen."
"Maar vergeet mijn eekhoorn niet, Door; je moet een boerenjongen
maar een kwartje beloven; ik zal je het kwartje eerlijk teruggeven,
dat beloof ik je."
"Neen, dat hoeft niet, ik zal 't wel betalen, dan is 't meteen
een cadeau voor je; ofschoon, op mijn verjaardag heb je mij een paar
oorlingen van maar 15 cent gegeven."
"Maa het volgende jaar krijg je iets van dertig cent."
"En als je mooie varens tegenkomt, droog ze voor mij; je weet,
ik heb er vele noodig, en herinner je nog, welke ik heb."
"Ja zeker, maar dan moet je mij ook beloven, alle dagen mijn duifje
eten te geven en naar mijn bloemen te zien als tante geen tijd heeft."
[19:]
"En breng
je ook een paar konijntjes voor me mee? van die grauwe, die zoo precies
op hazen gelijken. Toe zus, dan krijg je ook mijn flaubert te leen."
"St," riep Dorine met een zijdelingschen blik naar haar vader
en Emma, en zich toen vooroverbuigend: "je hadt 'm mij mee moeten
geven, dan had ik een heuschen haas voor je geschoten."
"Dat is niets voor meisjes," merkte Jozef ernstig aan.
"En als ik u was, Kees, zou ik stilletjes den wagen uitgaan,"
zeide Emma, die zich sinds lang ergerde over het onbehoorlijke gedrag
van haar neven en nichtje; "de conducteur komt de kaartjes reeds
afvragen."
"Nu, dag zus, vergeet het niet."
"Maar dan moet jelui mijn duif en mijn bloemen ook niet vergeten
en de complimenten doen aan Jan en aan Fritsje" . . .
"Foei, die complimenten aan den trein, wat staat dat burgerlijk,"
dacht Emma met opgetrokken neusje. Zij gaf haar oom een kus, knikte
de jongens genadig toe, en riep Dorine, die het nog altijd druk over
de torren, het eekhorentje, de duif en de konijnen had, toe om zoo niet
door het raam te kijken en stil te gaan zitten maar het meisje luisterde
niet.
"Compliment aan tante Bertha en aan Fritsje. Dag Jozef, dag Willem,
dag Paatje, dag Dirk..."
En 't was of zij. hen minder duidelijk zag; ze streek langs haar oogen,
en haar handschoentje was vochtig van
[20:]
tranen. Zoo lang
zij kon wuifde zij hen goeden dag, terwijl Emma dood bedaard was gaan
zitten.
Eindelijk, toen vader en broers uit het gezicht verdwenen waren, haalde
Dorine haar zakdoekje voor den dag en ging van het raam weg.
"Krak," zei haar rok, en tot haar grooten schrik bemerkte
zij dat haar japon vastgezeten had tusschen het portier en nu met een
groote scheur losraakte.
"Ach, wat is dat jammer! Reeds in 't eerste oogenblik!" klaagde
zij.
"Je eigen schuld, waarom ga je nu ook niet rustig zitten? Foei!
wat een leelijke winkelhaak; en wat valt die in 't oog!"
"Och Em, wat moet ik nu beginnen."
"Dat komt van dat oneindige wuiven en complimenten maken; laat
me eens kijken, misschien kan ik 't wel naaien."
Emma haalde haar taschje voor den dag, nam er naaigereedschap uit, dat
alles keurig ingepakt was. en begon de scheur dicht te stoppen.
"Wat ben je toch engelachtig lief," sprak Dorine opgetogen.
"Nu zie je hoe pleizierig het is, als men alles bij de hand heeft
en orde op zijn zaken houdt."
"Ik wilde dat ik wat meer op je leek," verklaarde Dorine zeer
nederig.
"Wen je dan al die drukte en beweging af. Ik werd er
[21:]
verlegen door!
alle menschen keken er ons op aan, toen je zoo'n drukte maakte."
"Dat is waar, 't staat niet netjes; maar we hadden nog zooveel
met mekaar te praten'"
"Jelui raakt ook nooit uitgepraat."