III.
De ongelukken van
de arme Dorine waren nog niet ten einde.
Nauwelijks had Emma haar scheur zoo goed en zoo kwaad als het in den
hotsen den trein ging, toegestopt, of zij kreeg haar vroolijkheid weer
terug, wipte nu eens naar het eene raam dan weer naar het andere, opgetogen
over alles, over de koeien in de weide en de lammetjes en de groene
boomen.
Het was een prachtige lentemorgen; de tulp en hyacinth bedden rondom
Haarlem waren in vollen bloei en verspreidden een heerlijken geur, die
tot zelfs in den wagon doordrong.
"Och, kijk eens hoe prachtig, hoe heerlijk; alles paars en blauw
en rood! Em, Em, zie toch wat mooie kleuren!"
Emma had haar spoorboekje voor den dag gehaald en sprak bij elken opgewonden
uitroep van Dorine met een spits mondje: "keurig, heel keurig!"
[22:]
Toen Dorine nog
altijd maar voortging met heen en weer loopen, zeide zij eindelijk:
"Ik bid je, Door, ga bedaard zitten; je maakt mij wagenziek met
dat geschommel!"
Dorine ging werkelijk zitten; maar lang bedaard blijven scheen boven
haar krachten; zij begon den mand met provisie, door tante Bertha's
goede zorgen ingepakt, na te zien.
"Och, laat dat toch rusten," verzocht Emma, "'t is nog
veel te vroeg om te gaan eten."
Maar Dorine rustte niet vóór zij een appel had gevonden
dien zij smakelijk oppeuzelde. lntusschen kwamen bij een tusschenstation
een paar passagiers in den wagon.
"Gelukkig!" zeide Emma binnensmonds; "nu zal je toch
stil moeten zitten. Foei, wat staat dat bijten in dien appel ordinair."
Dorine deed haar uiterste best om haar appel zoo geheimzinnig mogelijk
te eten; de passagiers letten trouwens weinig op de beide meisjes, en
toen de appel op was, kon Dorine, die nu niet alleen stil moest zitten
maar ook weinig praten durfde, den lust niet weerstaan om nog eens het
mandje te doorsnuffelen, ofschoon Emma's oogen haar bestraffend aankeken.
Daar waren zulke heerlijke china's appelen in, en Dorine had zoo'n verschrikkelijken
dorst! Lang bleef zij strijden met haren wensch om haar fatsoen te bewaren
en Emma niet te
[23:]
ergeren; eindelijk
kon zij het niet langer uithouden.
Met de handen in 't mandje verborgen, begon zij een van de verleidelijke
vruchten te schillen; maar haar nageltjes staken te diep door de schil
en het sap stroomde langs haar vingers. Dorine voelde dat zij een kleur
kreeg en dat Emma haar onophoudelijk aankeek; 't werd hoe langer hoe
erger: zij probeerde een stukje in den mond te steken, maar 't was zoo
sappig, dat het gele vocht haar over de vingers, de kin en het manteltje
parelde. De andere passagiers merkten het op en begonnen te glimlachen,
wat Emma vreeselijk hinderde; zoo goed en zoo kwaad als het ging, veegde
Dorine haar vlekken af en sloot het mondje, nu voorloopig van haar onderzoekingsgeest
genezen.
"Je bent nog niet in Gansvoort, en je kleeren zijn reeds bedorven,"
merkte Emma op. "Ik zou toch wel willen weten, wat tante Bertha
van mij zou zeggen als ik zoo slordig was; natuurlijk, jij bent de lieveling
en kunt niets kwaads bij haar doen."
"Zou je denken dat het vlekken gaf, Em?"
"Natuurlijk. Nu moet Em het weer goed maken, evenals zoo straks
dien scheur in je rok; en anders laat je mij links liggen, wanneer je
met je broers stoeien kunt; mooier wordt die mantel zeker niet. Maar
leg dat mandje nu toch rustig neer; je zult het nog geheel stuk maken."
Een half uur later moesten de meisjes overstappen.
[24:]
Emma had alles
bij mekaar, - haar taschje, haar parapluie en haar doekje; Dorine moest
alles zoeken. Een conducteur wees ze vriendelijk den trein aan, waarin
zij moesten stappen, en zoo pas waren ze gezeten, of Emma vroeg:
"Waar is je parapluie gebleven?"
"Mijn parapluie? Ik heb haar pas gehad."
Er werd links en rechts gezocht; vergeefs, nergens was de parapluie
te vinden.
"Dat kan ik niet helpen, juffertje," zei de stationschef,
dien zij in haar verwarring voor een conducteur aanzag.
"De trein van Amsterdam, is die er nog, mijnheer?" vroeg Emma
bedaard.
"Daar rijdt hij precies weg."
"En mijn parapluie!"
"Zal er nog wel in zitten, jonge juffrouw."
"En hoe krijg ik haar nu terug?" jammerde het meisje.
De stationschef vroeg haar adres en beloofde haar de parapluie na te
sturen, wanneer deze gevonden werd, en weinige oogenblikken later stoomde
de trein weg.
Nu begon Emma haar de les te lezen.
"Wat ben je dan toch ook vreeselijk onnadenkend; zie nu naar mij.
Ik heb eerst geteld, hoeveel pakjes ik had, een, twee, drie, en toen
hield ik ze bij mekaar, en dan is het met mogelijk iets te verliezen."
[25:]
"Ach, wat
is 't toch jammer van die mooie parapluie! Zou ik ze terug krijgen,
Em?"
"Dat kan je begrijpen. Die eene heer zag er precies uit als een
zakkenroller, en ik wed dat hij 't ding onmiddellijk meegenomen zal
hebben."
"Foei, je mag zoo liefdeloos niet oordeelen, Em. Ik geloof zeker,
dat ik mijn parapluie terug krijg."
"Verheug je dan maar met een dooden vogel; maar ik moet zeggen,
je reist al heel ongelukkig: eerst je japon gescheurd, dan je mantel
vol vlekken, en nu je parapluie weg."
Dorine antwoordde niets meer; zij keek bedroefd uit het raam, en een
kwartier lang klonk haar stemmetje niet; maar toen spoorde men door
een bijzonder mooie landstreek. Een dorpje lag zoo allerliefst tusschen
bloeiende appel- en kerseboomen, dat Dorine al haar ongelukken en leed
vergat en verrukt uitriep:
"Kijk eens, men zou zeggen allemaal bruidsbouquetten! Em, is dat
niet prachtig?"
"O ja, bijna zoo mooi als je verloren parapluie."
"Hoe onaardig van u, mij weer daaraan te herinneren, ik had 't
bijna vergeten."
"Je krijgt ze immers terug, zei men je!"
De reis liep verder zonder ongevallen af, tot bij het dorpje Gansvoort,
waar de meisjes uitstapten.
[26:]
Op het perron van
het kleine station kwam een knecht in livrei naar hen toe.
"Zijt u de dames De Ridder?" vroeg hij.
Emma werd een duim grooter van trots, omdat hij van dames sprak, en
antwoordde zeer ernstig:
"Ja, dat zijn wij; komt u van Bergerode?"
"Om u te dienen, dame!"
"Die knecht verstaat zijn wereld," dacht Emma, en vroeg toen
aan Dorine of ze nu al haar zaakjes bij zich had.
"Ja, ze had niets vergeten."
"Het rijtuig wacht op de dames," sprak de knecht; "hebben
de dames ook bagage?"
Emma gaf met een hoog gewichtig gezicht haar reçu aan den knecht
over en stapte deftig, zooals het een "dame" paste naar het
rijtuig, een lief jacht wagentje. Maar Dorine was niet te houden, zoodra
zij een heusche ponny en een heusch wagentje zag, waarin zij rijden
mocht.
"Och, mijnheer," zeide zij tot den knecht, die ook koetsier
scheen, "mag ik naast u op den bok zitten en een oogenblikje de
leidsels vasthouden?"
"Maar Dorine," zeide Emma, verontwaardigd omdat haar nichtje
zoo weinig "damesachtig" was, "wat overkomt je? Stap
nu in; wat zal oom van zoo iets onbehoorlijks zeggen?"
"Is dat onbehoorlijk?" vroeg Dorine naïef.
[27:]
"'t Lijkt
of je geen opvoeding hebt ontvangen, dat je zoo iets nog vraagt."
Dorine was verlegen; zij had nooit de meerderheid van haar nichtje zoo
gevoeld als nu, en besloot haar tot voorbeeld te nemen.
Emma voelde zich recht op haar gemak, toen zij in het jachtwagentje
had plaats genomen en langs een mooien weg door een welvarend dorp voortreed.
Dorine had veel te kijken: kippen, duiven, ganzen, bloemen, een watermolen
wekten haar bewondering ieder oogenblik op.
"Hoe heerlijk, hoe heerlijk dat we buiten kunnen logeeren,"
riep zij uit de volheid van haar hart, en klapte in de handen.
"Stil toch!" vermaande Emma; " die man toch zal van ons
denken dat wij aan, niets gewoon zijn! Je moet niet vergeten dat wij
de nichtjes van zijn mijnheer zijn en ons niet moeten voordoen als een
paar naaistertjes."
Dorine echter had de grootste moeite stil te blijven zitten; er was
zooveel nieuws, zooveel moois rondom haar, dat zij 't wel had kunnen
uitschreeuwen.
"Hoe jammer dat de jongens hier niet zijn," dacht zij hardop;
"wat zou Willem hierin en Kees daarin pleizier hebben gehad!"
En zij begon te bedenken hoeveel zij hen te vertellen zou hebben als
ze thuis terug was.
[28:]
Kort daarop reed
het wagentje door een groot steenen hek, dat toegang gaf tot een breede
oprijlaan, aan 't einde waarvan een ouderwetsch rood steenen huis stond,
aan weerszijden van een paar torens voorzien, waardoor het iets kasteelachtigs
in zijn voorkomen had; het zag er overigens omber uit, want alle blinden
waren toe, ofschoon de zon op dit uur niet eens den gevel bescheen.
Emma streek haar mantel glad, wierp een blik in de glazen van het rijtuig,
om te zien of haar hoedje wel zoo netjes mogelijk stond, en richtte
toen een laatste waarschuwing tot Dorine.
"Wees nu niet al te robbedoesachtig! Denk wat oom je gezegd heeft!
Vergeet ook vooral niet de groeten te doen van je papa en tante Bertha,
en oom Bergerink te vragen, hoe 't met zijn gezondheid is."
"Moeten we dat beiden doen?" vroeg Dorine.
"Neen, hou je maar liever stil, dat zal beter zijn; ik zal wel
het woord voeren."
"Och ja, toe Em, als 't je belieft."
De meisjes stapten uit en gingen de trappen op, die zich vóór
den hoofdingang bevonden; een oude, grijze bediende maakte de deur open;
deze was lang zoo eerbiedig niet als de koetsier.
"Zoo, juffertjes," zeide hij, "bent u goed overgekomen?
Ik moet zeggen, ik had er een zwaar hoofd in, en ik zei al
[29:]
tegen mijnheer;
zoo'n paar kleine meisjes zoo ver alleen laten reizen, dat is toch ook
gewaagd; maar 't schijnt dat de jeugd van vandaag beter bij de hand
is dan in mijn tijd. Ik weet ten minste wel dat mijn vader zaliger mijn
zusjes niet zoo ver als van Amsterdam tot Weesp alleen had laten reizen.
Maar als een mensch oud is, beleeft hij al zoowat."
"Wat is dat een onbeleefde, oude babbelaar," dacht Emma; en
ze vroeg op voornamen toon:
"Wacht mijnheer Bergerink ons nu dadelijk?"
"Wel neen, jonge juffertje; hoe heet u, dat is eenvoudiger en korter."
"Zij heet Emma en ik Dorine," haastte zich 't meisje te zeggen,
terwijl haar nichtje een kleur kreeg van kwaadheid over de toenemende
familiariteit van den ouden man, welke Dorine niet scheen te bemerken.
"Nu dan, Emma en Dorientje, zal ik maar zeggen, ik zal je naar
jelui kamer brengen, en dan kan je buiten gaan wandelen; maar pas dan
op dat je niet in den vijver valt. Oom ligt nog te bed, hij heeft een
slechten nacht gehad en zal wel niet opstaan vóór het
diner."
"Wat is dat pleizierig! En mogen we dan vrij in den tuin wandelen,
mijnheer?"
"Je moet geen mijnheer zeggen, maar Jacob; dan zeg ik ook Dorientje."
[30:]
"Dat is heel
goed, Jacob; en mag ik dan ook de paarden zien en de kippen en de eenden?"
"Houdt u zoo veel van dieren? Nu, dan zal ik je de hertebeesten
en de pauwen en de schapen ook laten zien."
"Zijn die er allemaal? O wat is dat heerlijk!"
Intusschen ging Emma statig naast haar vroolijk nichtje en den ouden
knecht voort; zij vond het niets pleizierig dat zij zoo aan haar lot
overgelaten werden en dat bedienden hier het hoogste woord schenen te
voeren. Veel liever had zij dadelijk met haar oom kennis gemaakt.
"Hier is jelui kamer," zei Jacob; "ga je nu maar wat
opfrisschen, en dan loop je die gang maar door en de trap af, daar zal
ik mijn zoontje Piet laten staan, en die kan jelui den weg wijzen naar
den tuin en de dieren."
"Heel goed, Jacob, heel goed," riep Dorine, " tot straks!"
De kamer voor beide meisjes bestemd was zeer groot; er stond een ouderwetsch
ruim ledekant in, en alle meubelen waren door en door stevig en stijf
van vorm. De gordijnen hingen in zware plooien neer,
"Foei, wat is 't hier donker: ik zou 't hier niet kunnen uithouden!
Heb je lang werk! Em, dan ga ik je maar vooruit naar beneden, naar den
tuin."
"Ik ga niet naar den tuin. Ik geloof, dat het niet beleefd is door
het huis en den tuin te zwerven met de bedienden, vóór
wij kennis met oom hebben gemaakt."
[31:]
"Blijf je
dan hier?"
"Ja zeker."
"En. . .en moet ik dan ook in deze donkere kamer blijven zitten?"
"Je kunt doen wat je verkiest, ik blijf hier; ik ga mijn kleeren
uitpakken en uithangen: dan verkreukelen ze niet langer in het koffertje."
"Dat moest ik ook eigenlijk doen, of wil je 't voor mij. . . .
"Je weet, ik bemoei er me liever niet mee. Ik zal met mijn kleeren
doen wat noodig is, en doe gij 't ook met de uwe."
"Nu ja, ik zal 't van avond doen, de zon schijnt zoo mooi en ik
ben zoo nieuwsgierig naar den tuin en de dieren."
"'t Is maar te hopen dat het niet regent, nu je. geen parapluie
hebt."
"O foei, waarom moet je mijn pleizier weer bederven door van die
parapluie te praten?"
"Je hebt het alleen aan je eigen slordigheid te wijten. Je hoeft
ook niet te denken, dat je de mijne krijgt; want je bederft ze toch,
als je ze niet wegmaakt."