I.
"Papa, daar
is een brief voor u!
Met deze woorden kwam de 14-jarige Dorine De Ridder haar vader te gemoet,
die van zijn kantoor terugkeerde.
"Zoo kind."
En haar verwarde lokken strijkende van haar voorhoofd, waarop hij toen
een kus drukte, sprak hij:
"Wat zie je er uit, Rientje! Waar ben je toch weer geweest?"
"Och pa, ik heb op zolder wat gymnastiek gemaakt en gestoeid met
de jongens."
"Altijd stoeien met de jongens! Bedenk toch dat je een meisje bent
en je broers van jou zachtheid moeten leeren; integendeel, je wordt
zoo wild als geen van hen. Neem liever een voorbeeld aan Emma, hoe oppassend
en stil zij is; ik wed, dat ze zoetjes bij tante haar lessen zit wieeren
of te naaien, en niet haar tijd verknoeit met op zolder te spelen."
[2:]
"De jongens
houden ook niets van Em. Ze is zoo saai."
"Ik wou dat mijn dochtertje een beetje van die zoogenaamde saaiheid
had van haar nichtje."
"Dat zou ik niet willen, pa, en daarbij, ik ken altijd mijn les
op school; vraag u dat maar aan de juffrouw, terwijl Em er uren op zit
te suffen en nog niet zoo goed alles weet."
"Verontschuldigingen, kind, die voor mij geen waarde hebben; als
je mij een groot pleizier wilt doen, word dan wat vrouwelijker en minder
wild: 't is niet alleen alles behalve mooi voor een meisje, eruit te
zien als een Zigeunerkind, maar ook schadelijk voor de beurs, want je
komt niet zoo lang toe met je kleeren als Em."
"Eeuwig die Em! Kom, papaatje, wees u maar tevreden met uw dochtertje;
ik wed dat u mij toch niet tegen Emma zoudt willen ruilen."
"Maar toch zou je mij gelukkig maken, als je wat ordelijker en
netter werdt."
"Ik zal mijn best doen, papa. . . ."
"Dat heb je al zoo dikwijls beloofd."
"Och ja, - maar ziet u, ik wou dat we buiten woonden, en dat ik
vrij kon spelen in 't heerlijk gras. 't Is hier zoo benauwd, en ik kan
niet stil zitten."
De vader antwoordde niets meer op deze wonderlijke verontschuldiging,
maar trad, door zijn dochtertje gevolgd, in de achterkamer, die tot
huisvertrek diende.
[3:]
Emma, het nichtje,
dat voor het raam zat te breien, met een lesboek voor zich, stond op
zoodra haar oom binnen kwam en gaf hem een welkomstkus. Zij zag er veel
netter uit dan de wilde Dorine; haar blonde vlecht was keurig in orde,
geen vlekje was op haar witten boezelaar te zien; in één
woord, men kon geen grooter verschil bedenken dan tusschen de beide
nichtjes. Dorine's korte bruine haren schenen geen anderen kam te kennen
dan haar vijf vingers; haar boezeltje was van een paar inktvlekken voorzien;
er was een groote scheur in haar japon; maar toch zouden de meeste menschen
met meer pleizier naar de kleine wildzang kijken dan naar de bleeke,
keurig nette Emma: Dorine's oogen immers schitterden van vroolijkheid
en levenslust, een guitige lach speelde om haar frissche lippen, haar
wangen waren zoo blozend als men slechts zelden van een stadsmeisje
ziet; maar wat vooral ieder aantrok, dat was de door en door goedige
uitdrukking van haar gezicht.
"Dag Emma, dag beste meid!" sprak de vader "ben je zoo
vlijtig aan het leeren?"
"Ja oom, ik heb mijn fransche thema reeds af, en nu leer ik mijn
les, terwijl ik tante beloofd heb vóór het eten nog 5
naadjes aan de kous te breien."
"Flink zoo, meisje, flink! Als je zoo voortgaat, zal het je altijd
goed gaan in de wereld."
De heer De Ridder was ook keurig netjes, in zijn kleeding
[4:]
en in al zijn doen
en laten; en zonder de groote orde, welke hij in al zijn zaken had,
zou 't hem zeker zeer moeilijk zijn gevallen, met een betrekkelijk klein
inkomen voor zijn groot huishouden te zorgen.
Twee jaar geleden was Dorine's moeder gestorven, en na dien tijd nam
een ongetrouwde zuster van den heer De Ridder het huishouden waar, dat
uit vijf jongens, Dorine en het arme ouderlooze nichtje Emma bestond.
Emma was het kind van den oudsten broer van den heer De Ridder, die
in Indië gestorven was, kort na zijn vrouw. Zij werd geheel als
kind des huizes behandeld, zelfs aan Dorine tot voorbeeld gesteld; alleen
tante Bertha had veel meer met de wilde Dorine dan met Emma op.
Een brief scheen tot de zeer merkwaardige gebeurtenissen in het huishouden
te behooren, want zoo wel tante Bertha, die de tafel kwam dekken - een
vaste meid hield zij niet - , als de beide meisjes zagen vol verwachting
den vader aan, in de hoop iets van den inhoud te vernemen.
Maar de heer De Ridder sprak geen woord, stak den brief in zijn portefeuille
en vroeg of 't eten klaar was.
Weinige oogenblikkeen later zette men zich aan tafel; de vijf jongens
kwamen binnen, Jozef, Willem, Kees, Dirk en Fritsje, die pas drie jaar
oud was, en lieten zich de hutspot goed smaken. Zoo deed ook Dorientje.
Emma daarentegen at weinig; zij hield niet van door elkaar
[5:]
gekookt eten; alleen
toen er rijst met bessensap nakwam, gebruikte zij een beschuitje met
bessensap.
"Ben je niet wel kind?" vroeg haar oom bezorgd.
"O ja wel, oom."
"Maar je eet zoo goed als niets."
"Ik kan geen hutspot eten; 't spijl me wel, maar ik kan er niets
aan doen."
"Dat zijn allemaal kuren," zeide tante knorrig. "Kinderen
moeten eten van alles wat er op tafel komt; zie de jongens en Dorine
eens aan, met hoeveel smaak zij peuzelen. We kunnen toch voor jou geen
aparten pot klaarmaken."
"Dat behoeft ook niet, tantelief; ik ben tevreden met een beschuitje."
"Maar eet dan een boterham met rookvleesch of ham."
"Dank u wel, oom; ik ben heel tevreden."
"Laat haar begaan: lekkerbekken moeten zich beteren of honger lijden."
"De nuf is bang, dat zij een boerenkleur krijgt," zei Wiliem.
"Ze vindt zoo'n bleek gezicht veel mooier."
"Als ze te veel at, zou ze nog meer moeite hebben om haar lessen
te leeren," sprak Kees.
Emma draaide het hoofd om en begon een huilend lipje te trekken.
"Zwijgt jongens, geen woord meer!" gebood de vader.
"Ik wil niet hebben dat je Emma plaagt."
[6:]
Het maal liep verder
in stilte af; toen er gedankt was zei de heer De Ridder tot de jongens:
"Gaat naar boven, je werk maken. Fritsje blijft natuurlijk hier."
"Kom je mee, Door?" vroegen zij.
Dorine had grooten lust mee te gaan, maar de vader sprak:
"Neen, Dorine en Emma gaan op mijn kantoorte werken en ik moet
je spreken, Bertha."
Toen alle kinderen de kamer verlaten hadden, vroeg tante:
"Heb je slechte berichten gekregen, Theo?"
"Neen, maar iets heel vreemds, van oom Bergerink."
"Mijn goeie hemel, dat is voor 't eerst in tien jaar, geloof ik!
"Als het niet langer is; je weet, dat zijn eenige zoon Otto tegen
oom 's zin naar zee is gegaan, en niet meer terug kwam. Na dien tijd
leeft oom zeer teruggetrokken en gaat met niemand om; van de familie
heeft hij ook niemand meer willen zien, en nu, schrijft hij me, of liever
't is zijn rentmeester die me uit zijn naam schrijft, dat zijn einde
nabij is, en hij niet wil sterven voor hij kennis heeft gemaakt met
de jonge leden zijner familie; het liefst met de meisjes, want jongens
zijn zoo onhandelbaar, en vraagt mijn dochtertje en Emma te logeeren."
"Maar Theo, de bedoeling is duidelijk."
[7:]
"Dat vind
ik ook; hij wil zijn testament maken. Wat moet ik er op antwoorden?"
"Je moet de meisjes zenden, dat spreekt."
"Dunkt je dat? Ik hou er niet van, erfenissen na te jagen. Waarom
moet oom kennis met de meisjes maken? 't Is immers eenvoudig dat hij,
zooals 't recht en billijk is, zijn fortuin gelijk onder ons verdeelt."
"Dan kwam jij met je zes kinderen er 't slechtst af. Maar wat oom
van plan is, gaat ons volstrekt niet aan; hij wil kennis met de meisjes
maken, en dat mogen we niet beletten. Oom is altijd heel zonderling
geweest."
"Maar 't zal haar zoo achteruit zetten in haar studiën."
Tante glimlachte alsof ze zeggen wilde:
"Wat zal meer in haar belang zijn, die studiën of wel de erfenis
van oom?"
"Hoor eens Theo," zei ze hardop, "we kunnen er niets
aan doen. Oom is een man van den dag; hij is de eenige broer van onze
moeder, en dus is 't onze plicht aan zijn verlangen te voldoen. Wanneer
wil oom hebben dat de meisjes komen?"
"Zoo spoedig mogelijk, schrijft die rentmeester."
"Maar dat kan niet: ze hebben geen geschikte kleeren om aan te
doen; Dorine is geheel uit haar blauwe japon gegroeid. Emma zal met
haar groene nog wel toekomen, maar zij moet toch een nieuw hoedje hebben."
[8:]
"Zeker; ik
sta er op dat ze netjes voorden dag komen. Wanneer denk je klaar te
zijn; van daag over 14 dagen?"
"O neen, bepaal maar gerust over een week. Ik zal dadelijk aan
den gang gaan. Weet je ook hoe lang ze wegblijven?"
"Daar wordt niet over geschreven."
"Nu, ik zal zorgen dat ze goed hebben voor een week of drie."