XIII.
Nadat de bezoeker
vertrokken was, ging Emma naar haar oom die met tante Bertha aan het
praten was over het verzoek van den heer Smithson.
"Wie is die man en wat is de reden van zijn komst, oom?" vroeg
zij ronduit.
"De heer Smithson is een oud vriend van Otto Bergerink, en hij
schijnt het vertrouwen ook van diens vader te hebben genoten, en nu
verzoekt hij op grond dier oude vriendschap een betrekking op Bergerode."
"Is er een betrekking hier open?"
Tante Bertha verwonderde zich hoe langer hoe meer over den bazigen toon,
dien haar nichtje begon aan te slaan, maar zeide niets.
"Eigenlijk niet, maar ik. . . . . "
[104:]
"Nu oom, als
er geen betrekking open is. zie ik niet in, waarom er werk moet gezocht
worden voor den een of anderen leeglooper, die toevallig een vriend
van oom's overleden zoon is. Dat kost maar geld."
"Kind, hoe kom je er toe zoo te spreken," riep tante Bertha
verontwaardigd.
"Omdat ik ouder word en begrijp, dat hoe meer geld hier uitgegeven
wordt, hoe meer schade het voor mij is."
"Geloof je dan, meisje" vroeg de Heer de Ridder "dat
ik een cent overtollig uitgeef?"
"Neen oom, tot nu toe niet."
"In het vervolg zal het evenmin gebeuren, maar nu dwing je mij
gevolg te geven aan een plan, dat sinds lang in mij opgekomen is en
dat ik misschien, wanneer ik Smithson kan vertrouwen, zal uitvoeren."
"Dat zou wel dwaas zijn" bromde tante Bertha.
"Neen, 't zal het verstandigste wezen! Welnu dan Emma, mijn betrekking
in Amsterdam is nu opengekomen en werd mij aangeboden, ik wil die gaarne
weer vervullen en denk er sterk over naar de hoofdstad terug te !ieeren.
Je kunt natuurlijk niet alleen blijven, daarom zal tante Bertha het
huishouden waarnemen, terwijl ik voor Dorine en de twee jongens natuurlijk
voortga aan u kostgeld te betalen."
"Dat is niet noodig, oom, dat verlang ik volstrekt niet en die
Smithson dan. . . . . "
[105:]
"Ik zal hem
eerst op de hoogte brengen van het rentmeesterschap, zoodat hij mijn
plaats kan vervullen."
"Daar heb ik niets tegen, oom!"
"En ook niet dat je oom alleen naar Amsterdam gaat en daar hard
werkt, terwijl. . . ., terwijl. . . . ."
"Maar lieve tante, dit wil ik niet, 't is oom's eigen verkiezing;
ik laat het immers aan oom over te beschikken wat voor mij het beste
en voordeeligste is."
"Natuurlijk, 't is ook maar alleen aan je eigen dat je denkt, egoïstisch
schepsel!"
"Stil Bertha, 't doet mij pleizier te hooren. wat Emma's wenschen
eigenlijk zijn; hoe meer ik ze volg, hoe minder reden zij zal hebben
mij later iets te verwijten."
"Ik zou 't haar maar ronduit zeggen, het kind heeft al verbeelding
genoeg op haar rijkdom."
"Och tante, ik heb het altijd geweten, dat ik niet hoog bij u aangeschreven
stond en dat u oom's erfenis liever aan Dorine dan aan mij arme weeze
had gegund."
"Ik zou maar aandoenlijk worden," pruttelde tante. "je
vergist je erg, als je denkt, dat je hooger in mijn achting staat, omdat
je toevallig rijk bent; integendeel, ik vind dat je karakter er niet
beter op wordt."
Emma sloeg de blikken ten hemel als wilde zij dezen tot getuige nemen
van haar vervolgde onschuld.
Tante Bertha schreide erg toen haar broer na veertien dagen
[106:]
haar mededeelde
dat zijn besluit nu vaststond en hij naar Amsterdam terugkeerde en den
Heer Smithson in zijn plaats als rentmeester aanstelde.
Ook Dorine was recht treurig gestemd; Emma nam het vrij onverschillig
op en toonde eerst eenige onrust toen juffrouw Cellier angstig uitriep:
"Hoe zullen wij het nu maken zonder hulp in huis!"
"We hebben immers Jacob en Piet" zeide Emma, "want mijnheer
Smithson blijft op het dorp wonen."
"Een oude suffer en een jongentje, neen, als dat tegen den winter
zoo blijft, dan ga ik weg!"
"Och neen, lieve juf, dit moet u niet doen, u is de eenige immers
hier in huis met wie ik sympathiseer, die me begrijpt, we zullen er
immers wel wat op vinden!"
Zoo vertrok dan de Heer de Ridder naar Amsterdam en tante Bertha zou
hem graag gevolgd zijn; in de groote stad had zij haar kennissen en
bepaalde avondjes, hier hield zij met niemand omgang, maar vooral was
zij erg aan haar broer gehecht en kon de gedachte niet verdragen, dat
hij nu op gemeubileerde kamers ging wonen, eten kreeg van den kok, al
het genoeglijke van het huiselijk leven moest ontberen, waaraan hij
toch zoo gehecht was en leven of hij zich alleen op de wereld bevond.
Gaarne zou zij met hem en zijn kinderen Bergerode verlaten, want dit
enkel had zij met Emma gemeen dat zij niets van het buitenleven en het
oude huis hield.
[107:]
"Ik doe hier
niets, Emma kan best met haar gouvernante alleen blijven" sprak
zij, "'t is toch te erg dat door dit kind uw geheel huisgezin uit
elkander moet."
"Neen, Beliha; Emma is onder mijn hoede, aan u durf ik haar gerust
toevertrouwen maar ook aan niemand anders, wij moeten onzen plicht doen
tot het einde."
"Is 't uw plicht niet voor uw kinderen te leven?"
"Juist omdat ik meer in Amsterdam kan verdienen dan hier, en daar
beter in het belang mijner kinderen werkzaam zijn, doe ik dezen stap,
die ook mij veel kost. Er is niets aan te doen, Bertha, we moeten ons
flink houden in het onvermijdelijke, daarbij werkt de buitenlucht uitstekenop
de kinderen. Zie Dorine eens aan, welk een frissche roos zij is, ge
weet hoe ik altijd vreesde dat zij het zwakke gestel harer moeder zou
erven."
Eindelijk was de dag van het afscheid daar; Emma zag met zeker leedwezen
haar oom vertrekken, want voor hem voelde zij nog eenige genegenheid,
toch kwam het niet in haar gedachten op hem te zeggen:
"Kunt u dan bij mij niet evenveel verdienen als daar in Amsterdam?"
Bij andere meisjes zou het misschien te verontschuldigen zijn als zij
dit niet begrepen en dus ook niet zeiden maar Emma moest alles vragen
en alles weten aangaande haar rechten en was hiermede zoo goed bekend
als menig volwassen
[108:]
mensch; zonderling
dat zij echter haar wijsneuzigheid nooit uitstrekte tot dingen, die
niet in haar voordeel maar in dat van anderen waren.
De Heer Smithson nam zijn nieuwen werkkring reeds dadelijk wvaar; hij
begon met zeer veel ijver en kwam 's middags met de familie mede eten.
Tante Bertha mocht hem wel lijden, alleen beviel het haar niet, dat
hij Emma met zoo veel eerbied behandelde als erkende hij in haar alleen
de vrouw des huizes.
"Daardoor wordt zij hoe langer, hoe onhandelbaarder", dacht
zij "Emma laat het zich aanleunen en behandelt hem als haar eerste
bediende."
't Was grappig om te zien hoe Emma langzamerhand, zoodra haar oom weg
was, het koninginnetje ging spelen; Dorine schaterde het soms uit van
lachen.
"Wat loop je tegenwoordig toch statig met het hoofd achterover,
er mankeert maar aan, dat je een kroon draagt," plaagde zij. En
eens achter haar sluipend drukte zij haar een krans van klimop en rozen
op het haar.
Emma bekeek zich met welgevallen in den spiegel en zeide:
"Juf zegt, dat rijke dames meer zulke diademen dragen van goud
en diamanten. Wanneer ik 18 jaar ben, koop ik mij ook zulk een kroon,
maar een heusche, echte."
"Dan moet je ook een japon nemen met een echten sleep, en dan mag
ik dien zeker wel voor je dragen."
[109:]
"Dank je,
je bent veel te onhandig."
De heer Smithson trad binnen en maakte een diepe buiging voor haar:
"Nu ziet u er precies uit als de koningin van Bergerode, freule
Emma," zeide hij.
Emma vond het recht prettig dat hij haar freule noemde, deze titel kwam
haar wel toe, meende zij; haar ijdel hartje klopte van genoegen, maar
zij voelde er behoefte aan den nieuwen rentmeester te toonen, dat zij
zeer goed den afstand kende, welke hem van haar, zijn meesteres, scheidde.
"Vindt u?" vroeg zij welwillend.
"Er mankeert nog een scepter aan."
"En de lange sleep", vulde Dorine aan; "maar wacht daar
is wel aan te komen."
Zij nam het tafelkleed van de tafel en spelde dit aan Emma's middel,
haalde toen een chinaasappel uit de kast, ging naar den tuin, brak den
stengel van een lelie af en rustte Emma zoo in vol ornaat uit.
"Nu zie je er indrukwekkend uit, nietwaar mijnheer Smithson, ik
geloof niet dat koningin Victoria deftiger was toen zij gekroond werd."
"Mag ik u mijn hulde brengen," vroeg de heer Smithion en boog
zich diep voor haar.
Emma raakte hem met haar staf aan.
"Ik maak u tot mijn ridder!"
[110:]
"Zonder dit
teeken zou ik u toch altijd gehoorzamen" zeide hij.
"Ik geloof eigenlijk" dacht Dorine, "dat die mijnheer
Smithson Emma voor den gek houdt."
Maar Emma scheen dit niet te denken; zij vergde dagelijks meer van hem,
zooals zij het ook van juffrouw Cellier deed.
"Ik wilde dat tante en de kinderen naar Amsterdam gingen"
dacht zij dikwijls, "ik kan heel goed blijven met mijn juf en de
meester."
Zij vond het onuitsprekelijk prettig, dat groote menschen zoo onderdanig
tegen haar waren en elk harer wenschen vervulden. Als zij uitging en
haar parasol had vergeten en mijnheer Smithson in de nabijheid was,
dan zeide zij uit de hoogte:
"Och mijnheer, wilt u mijn parasol eens halen."
En hij haastte zich met een groot vertoon van voorkomendheid haar wensch
te vervullen; tante Bertha kon haar nites meer xeggen; op al haar aanmerkingen
antwoordde zij even bits en scherp.
OomTheo kwam om den anderen Zondag over en zag dan het werk van den
Heer Smithson na; alles was keurig in orde en hij scheen ook nauwgezet
eerlijk, zoodat hij op dit punt zeer gerust kon zijn.
Hij leefde zeer stil en verliet zijn werkkamer alleen om naar het logement
te gaan, dat aan den ingang van het dorp stond. Zoo kenden de dorpelingen
hem bijna niet en als de pachters hem kwamen spreken, hield hij nooit
praatjes met hen.
"Als hij Emma niet zoo vleide, had ik geen opmerkingen," zeide
tante Bertha tot den Heer de Ridder, "gij moet er hem eens over
onderhouden."
"Lieve Bertha," antwoordde oom Theo, "laat je toch niet
verleiden door je weinige sympathie voor Emma tot onrechtvaardigheden.
De Heer Smithson heeft gelijk, zij heeft hier ook alles te zeggen en
ze is er overtuigd van."
"Nu ja, maar daarom is het niet noodig dat zij behandeld wordt
als een koningin."
Emma hield niet op aan te dringen tot het maken van een buitenlandsch
reisje; eindelijk gaf haar oom de toestemming maar hij wachtte er vergeefs
op dat zij zoude zeggen:
"Mag Dorine met mij mede?"
Zoo ging zij met juffrouwCellier naar Spa en Luik, en toen zij terugkeerde
sprak zij om het andere woord Fransch, klaagde over migraine, vond alles
hier in Holland burgerlijk en ordinair maar 't ergste was, dat zij er
zoo akelig uitzag.
"Wa zijn je oogen vuil en wat ben je bleek geworden," riep
Dorine.
"Och vind je dat?"
"Wel zeker, je ziet er uit als een wassen pop. O foei, je bent
toch niet geblanket en beschilderd?"
[112:] opzoek pag 111
"Dat doen
alle dames in Belgie."
"Maar ik vind het belachelijk hoor, 't staat .je niets mooi."
"Kom wat weet jij daarvan! Je hebt verstand van koeien en vogels
maar niet van modes. C'est du plus distingué."
"Nu ik ben benieuwd wat tante Bartha van die gedistingeerdheid
zal zeggen."
"Tante Bertha is ce qu 'il y a de plus bourgeois."
Zooals Dorine dacht, viel tante's aandacht onmiddellijk op het beschilderde
gezicht van haar nichtje.
"Ga je toch wasschen, ik kan je zoo niet zien."
"Il faut s'y faire chère, tante, ik ben van plan alle dagen
zoo aan tafel te paraisseeren."
"Maar dan zal ik er met oom over spreken."
"De heeren vinden dat allercharmantst, zooals ieder die iets meer
gezien heeft dan zijn provincie."
"Wil je voor den eten die boel wel eens afwasschen!"
"Desoleé chère tante, maar ik doe dat niet."
"Dan eet ik niet met je aan dezelfde tafel."
"Nu dan zal ik orders geven, dat men voor mij en mijn gouvernante
afzonderlijk dekt, om u de waarheid te zeggen heeft het mij al lang
gechoqueerd te dineeren met een loontrekkend bediende."
"Maar het kind raakt haar verstand kwijt," riep tante bleek
van drift, "ik schrijf het dadelijk aan je voogd. Is dat de dank,
dien hij verdient voor het genoegen dat hij je verschaft heeft?"
[113:]
"Un plaisir
du à mon propre argent. "
Dorine proestte het uit van lachen.
"Wat doe ,je toch mal, Em, heb je die gekke manieren in België
opgedaan; nu zoodra ik onderwijzeres geworden ben ga ik sparen voor
een reisje daarheen en hoop ook met zooveel distinctie terug te komen."
"Och kind, wat heb jij verstand van zulke choses."
"'t Is of je komedie speelt, ik vind je allergrappigst."
"En ik vind je een brutaal nest om mij zoo uit te lachen."
"Wel dat hoor ik veel liever, een echt hollandsch kibbelpartijtje
dan zoo'n koeterwaalsch en keuken-fransch."
"Nu, spreek het beter als je kunt."
"O ik ben niet in België geweest en zoo lang ik mij met hollandsch
redden kan, spreek ik geen vreemde taal."
Zij liet werkelijk in een kleine spreekkamer voor haar en juffrouw Cellier
dekken; tante Bertha, die nog al driftig van aard was kon niet eten
van droefheid en vertelde het geheele geval aan den heer Smithson, die
geen woord sprak maar zwijgend zijn soep lepelde.
Toch wist Emma gelegenheid te vinden, terwijl hij er bij was, als een
pauw heen en weer te trippelen en haar mooiste fransche woorden uit
te kramen; zij had in Brussel waar zij een paar dagen logeerde een japon
gekocht, die bijna lang genoemd kon worden, -.en waarin zij zóó
groot leek als een volwassen dame.
[114:]
"Ik heb hier
niets te doen" schreef tante Bertha aan haar broer. "Emma
luistert niet naar mij of liever zij trotseert al mijn verzoeken. Ik
bid u, kom haar eens zelf onderhouden en neem eindelijk maatregelen.
Gij moet u laten gelden als haar voogd; dit kind gaat haar ongeluk tegemoet.
Onze arme Dorine behandelt zij als haar kamenier; wanneer het lieve
kind wat handiger was zou zij alle mogelijke diensten van haar vragen.
Ik bid je, kom over en zie eens of het niet 't beste zou wezen, wanneer
gij haar stilletjes aan haar lot overliet en u slechts bezig hield met
haar gelden tot haar meerderjarigheid te beheeren."
De heer de Ridder schreef haar terug:
"Zeker zal ik Emma onder handen nemen; ik zie ook de toekomst donker
voor haar in. Haar zwak hoofdje is geheel verblind door haar aanstaanden
rijkdom en haar vrijheid. Ze is er van overtuigd, dat wij eigenlijk
niets op haar te zeggen hebben. . ."
"Niets te zeggen" riep tante Bertha toen zij zoo ver gevorderd
was, " niets te zeggen, omdat mijn broer zoo strikt eerlijk en
rechtvaardig is; een andere voogd zou haar ten minste zoo lang zij minderjarig
was, goed laten voelen dat zij niets te bevelen had."
Den eersten keer den beste toen na het voorgevallene de Heer de Ridder
op Bergerode kwam, riep hij Emma bij zich op het kantoor en bracht haar
op even zachte als ver
[115:]
standige wijze het
verkeerde van haar handelwijze onder het oog en dreigde ten laatste,
dat hij haar naar een kostschool zou zenden, wanneer zij geen beterschap
beloofde.
Emma scheen aangedaan, sprak tegen, maar gaf eindelijk een soort van
belofte; zij was nu bijna 16 jaar en zag er zeer tegen op, naar een
pensionnaat gezonden te worden.
Ook juffrouw Cellier werd ernstig onder handen genomen; zij moest de
poeier- en blanketdoozen voor den dag halen deze werden toen plechtig
in het vuur geworpen.
Emma hield zich goed, zoolang haar oom er was, maar den volgenden morgen
werd haar humeur ellendig ; niemand kon een goed woord van haar krijgen.
Het was een regenachtige avond en Dorine zat voor de piano te studeeren;
Emma gaf onmiskenbare teekenen van ongeduld.
"Houd toch eens op met dat gehamer" snauwde zij "ik heb
hoofdpijn."
Onmiddellijk sloeg Dorine een paar andere noten aan en begon met haar
frissche, lieve stem te zingen "Der Wanderer". De heer Smithson
stond plotseling op; - Emma zag duidelijk dat hij aangedaan was - en
ging naar de piano om het aandoenlijke lied des te beter te kunnen hooren.
Hij verzocht toen Dorine nog andere liedjes te zingen en zeide toen
zij vermoeid zweeg en de piano verliet:
"Ik dank u, gij hebt me waarlijk goed gedaan."
[116:]
Emma ging nu onmiddellijk
voor de piano zitten, alsof zij wilde zeggen:
"Ik neem de plaats in, die Dorine mij zoolang heeft onthouden."
Zij begon haar mooiste potpourri's van Cramer en Burgmüller te
spelen; de heer Smithson scheen echter niets van haar moeite te waardeeren
zelfs niet toe te luisteren, want midden onder het "air de gràce"
uit Robert le DiabIe, stond hij op, wenschte de dame goeden nacht en
vertrok.
Emma zag rood als een kalkoensch haantje en op dat oogenblik had de
heer Smithson voor goed bij haar afgedaan, ook juffrouw Cellier was
zeer verontwaardigd en verzekerde haar bij hoog en laag dat Dorine volstrekt
geen mooie stem had, daarenboven slordig speelde en dikwijls valsche
noten aansloeg.
Den volgenden morgen op den bepaalden tijd, ging Dorine weer naar de
piano om haar dagelijksche studiën te maken toen zij den sleutel
miste en het instrument gesloten vond.
"Dat heb jij zeker gedaan Fritsje" sprak zij "foei, je
mag zoo ondeugend niet wezen."
"Ik heb het niet gedaan!" riep het ventje uit.
"Maar lieve jongen, iemand moet het toch gedaan hebben; de piano
wordt nooit gesloten. Kom, beken nu maar, dat jezusje wou plagen."
[117:]
"Neen Door,
waarlijk niet."
"Nu op jokken heb ik je nooit betrapt, dan zullen we maar gaan
zoeken.."
Zij haalde alles overhoop, want netjes en regelmatig iets nazien, kon
zij nu eenmaal niet, totdat tante Bertha kwam en verbaasd uitriep:
"Kind wat scheelt je. De kamer is pas van morgen gedaan en nu gooi
je alles door mekaar.Wat is er nu weer van je weg? Je besteedt den halven
tijd van je leven aan.zoeken."
"Och tante, maar 't is nu toch werkelijk niet mijn schuld; u weet
toch wel, dat ik niet zoo netjes ben om 's avonds de piano te sluiten
en den sleutel weg te bergen."
"Dat is waar, meisje, zoo iets kan niet in je brein opgekomen zijn,
maar hoe komt de piano gesloten?"
Zij hielp mee zoeken, maar te vergeefs; toevallig of niet toevallig
kwam Emma binnen.
"Zocht u iets tante?" vroeg zij schijnbaar onnoozel.
"Ja, het pianosleuteltje."
"Doet u dan maar geen verdere moeite; ik heb dien aan mijn sleutelring."
"Nu, als je zoo'n pleizier hebt in een groote sleutelbos, kan ik
er niets aan doen, maar maak de kast eerst open."
"Ik heb de piano gesloten en den ring weggeborgen,
[118:]
omdat ik mijn instrument
niet tot een hakkebord verlaagd wil zien, door het tokkelen van de kinderen."
Tante stond zoo verbaasd dat zij geen woord zeggen kon en Dorine zag
haar nichtje met trillende lippen en van toorn schitterende oogen aan.
"Dus wil je dan zeggen, dat ik voortaan geen piano meer mag spelen?"
vroeg zij.
"Alleen wanneer ik het goed vind en 't verkies te hooren,"
was het sarrende antwoord.
"Dan dank ik er je hartelijk voor, liever geen pianospelen dan
van uw gunst afhankelijk te zijn."
"Geef den sleutel terug" beval tante, " of anders schrijf
ik het aan oom."
"O u kan gerust klikken, daar ben ik niet bang voor. Wat van mij
is, behoeft niet door anderen bedorven te worden."
"Denk aan het pensionaat!"
"Een gemakkelijke manier om van mijn huis en mijn geld gebruik
te maken, terwijl ik weggezonden word."
"Tante" verzocht Dorine " wil u zoo goed zijn, papa te
vragen mij naar een kostschool te zenden. Ik wil niet langer onderwijs
ontvangen, dat Emma voor een gunst van haar aanziet. Misschien hindert
het haar ook dat ik lessen van haar gouvernante ontvang."
"Och neen, dat hindert me niet."
[119:]
"Maar mij
wel, en ik zet geen vinger meer op de piano hoeveel het mij ook kost;
ik hoop dat papa er in zal toestemmen mij naar school te zenden, want
hier houd ik het niet langer uit."
"Dat kan je doen" zei Emma " ik zal me niet doodtreuren
om je gezelschap."
Tante Bertha sprak met juffrouw Cellier over de zaak en deze moest toestemmen
dat de handelwijze harer leerling alles behalve mooi en kiesch was;
maar het meisje luisterde alleen naar haar gouvernante als deze haar
vleide, nu zij iets af te keuren had, kreeg zij ook haar deel aan Emma's
liefelijkheden.
Het kantoor van den Heer Smithson grensde aan de huiskamer, zoodat de
rentmeester zonder het, zelf te willen of te zoeken, alles hoorde, wat
er naast hem voorviel.
Hij luisterde aandachtig, zoodat hem geen woord ontging, maar toen hij
's middags aan tafel kwam, kon men niet aan hem merken, of het geval
indruk op hem had gemaakt.
"Welk een aanwinst voor ons dat de freule weer bij ons komt eten"
sprak Smithson "we mogen dat voorrecht wel op prijs stellen."
"Mijnheer, ik verzoek u te bedenken, dat Emma niet van adel is
en u dus geen freule tegen haar behoeft te zeggen," sprak tante
die nog altijd zeer boos op haar nichtje was.
"Als mijnheer gaarne dit zegt in plaats van het stijve
[120:]
juffrouw, dan heb
ik er niets tegen" verwaardigde zich de jonge koningin te zeggen.
Voor het eerst van haar leven, was Dorine boos op Emma, tot nu toe had
zij altijd gelachen om haar aanmatiging en kleine kunsten maar nu voelde
zij zich werkelijk verontwaardigd en hinderde haar zelfs de gedachte
van onder Emma's dak te moeten wonen.