[95:] XII.
De winter ging voorbij
en de lieve lente kwam weer in het land tot groote blijdschap van Dorine
die echter ronduit verklaarde dat zij het 's winters buiten ook allerprettigst
vond.
Zij had ten minste dol veel pleizier gehad, schaatsen gereden, sneeuwpoppen
gemaakt, met sneeuwballen gegooid, geard en geslierd, alle dingen. waarvan
in een groote stad niets kon komen.
Nu wachtte haar dagelijks een nieuwe vreugde, dan waren het weer de
zwaluwen, die terugkwamen of de ooievaar; dan het eerste viooltje dat
zij vond of de eerste slag van den nachtegaal en het eerste geroep van
den koekoek, in alles vond zij vreugde, alles wekte haar op tot dankbaarheid
en geluk.
"Dat kind is een schat in huis," zeide tante Bertha en tot
haar grootste blijdschap stemde haar broeder het toe.
"Ge hebt gelijk, Bertha, ze mag een beetje onvrouwelijk wezen,
een beetje jongensachtig. . . . "
"Neen Theo dat is zij niet, zij is door en door vrouw met haar
hart en karakter; ze houdt van de vrije natuur
[95:]
en van opwekkende
spelen maar ik verzeker u, dat zij een veel zachter, tevredener gemoed
heeft dan haar bedaard, vertroeteld nichtje."
"Zij heeft een gelukkig humeur, dat is zeker!"
"Ik zeg je dat zij een levende zonnestraal is."
Men hoefde de meisjes nu maar naast elkander te plaatsen om zich dadelijk
tot Dorine aangetrokken te voelen. Emma's trekken waren fijn en regelmatig
maar zonder eenige uitdrukking, haar oogen stonden flauw, terwijl die
van Dorine tintelden van geest en leven; haar kleur was teer en blank
als van haar nichtje maar een frissche, gezonde blos dreef den spot
met alle wind en weer; haar weelderig hoofdhaar kon zich moeilijk schikken
in een stijf opmaaksel maar het zwierde in duizepd krulletjes langs
haar voorhoofd en hals; wie Emma zag zou licht denken:
"Welk een fijn teer poppetje."
Maar bij Dorine riep men onwillekeurig:
"Welk een frissche, flinke, lieve meid!"
Dit uiterlijk benijdde Emma haar nog niet, want zij vond zichzelve veel
gedistingueerder dan dat boersche, verbrande ding en werd in deze meening
versterkt door de vleierijen van Juffrouw Cellier.
Op zekeren avond ging Dorine naar het dorp, dat in de nabijheid van
Bergerode lag; zij hield een groot bouquet seringen en jasmijnen in
de hand en richtte haar wandeling
[96:]
naar het kerkhof.
Tusschen de eenvoudige graven wandelde zij door totdat zij aan de groote
blauwe zerken kwam, waaronder oom Bergerink en zijn vrouw rustten.
Hier legde zij haar bloemenruiker neder, toen haalde zij van achter
de steenen een harkje en gietertje voor den dag en begon de planten,
die langs de zerk geplant waren te verzorgen. Zij was in dit werk zoo
verdiept, dat zij de stappen niet hoorde van een heer met langen witten
baard, die, vergezeld door een boerenknaap, nader kwam en sedert eenige
oogenblikken haar zwijgend aanstaarde.
Maar toen zij op wilde staan om haar gietertje te vullen, bemerkte zij
den vreemdeling en zag hem een weinig verwonderd aan.
"Jonge juffrouw" zei hij met een stem, waarin duidelijk een
Engelschen tongval te herkennen was, "mag ik u vragen of u juffrouw
de Ridder is."
"Ja mijnheer! Zoo heet ik."
"En brengt gij hier bloemen op het graf van... van uw oom!"
"Hij was mijn oud-oom, mijnheer."
"Dat is zeer braaf van u en 't bewijst dat gij hem dankbaar zijt."
Een glimlach speelde om Dorine's lippen.
"Ik doe 't niet uit dankbaarheid, mijnheer, maar eenvoudig omdat.
. ., och, dat zal u niet kunnen schelen."
[98:]
"Niet uit
dankbaarheid. . . "
De vreemdeling keek haar scherp aan, maar zij ontweek met haar groote
onschuldige oogen zijn blik niet.
"Wel neen, ik heb geen bijzondere reden oom Bergerink dankbaar
te zijn."
"En dat hij u erfgename gemaakt heeft van zijn geheele prachtige
bezitting, is dat geen reden tot dankbaarheid of meent ge dat het zijn
plicht was?"
"Een wonderlijk man" dacht Dorine. "Emma zou stellig
bang worden en denken dat zij met een gek te doen had."
Hardop zeide zij vroolijk lachend:
"U vergist u, mijnheer. De erfgename van Bergerode is mijn nichtje
Emma."
"Zoo, dus gij niet! En zorgt zij niet voor dit graf?"
"Ik doe het immers, waarom zou zij het nog doen?"
"Omdat zij alles te danken heeft aan den man, die onder dezen steen
rust."
"Och, mijnheer, Emma meent het zoo kwaad niet, maar zij gaat niet
gaarne naar het kerkhof, ze is bang kou te vatten.
"Maar gij dan?"
"O ik ben gezonder en sterker."
"Hebt ge veel van uw oud-oom gehouden?"
"Ik kende hem nauwelijks."
"En hoe komt gij dan op de gedachte zooveel zorg te besteden aan
zijn graf?"
[98:]
Dorine kreeg een
kleur terwijl zij hernam:
"Mijnheer wil ook alles weten; ik heb er mijn reden toe."
"Welnu, ik zal die eerbiedigen. Ik kende mijnheer en mevrouw Bergerink...
Ik hoopte hem nog in leven te vinden; nu tref ik slechts zijn graf aan,
bedekt met frissche bloemen, die komen dus van u, lief kind! Ik dank
u!"
Hij streek met de hand langs de oogen, nam zijn hoed af en bleef eenige
oogenblikken in stille overpeinzing op het graf staren. Eerbiedig met
gevouwen handen stond Dorine naast hem.
"Ik wilde uw vader gaarne spreken" zeide de vreemdeling en
zijn stem trilde alsof hij diep aangedaan was.
"O 't zal papa zeker veel genoegen doen een vriend van oom te spreken."
"Is uw papa op Bergerode?"
"Zeker, wij soupeeren om acht uur, en 't is kwart voor acht. Wil
u met mij mede gaan."
"Neen kind, ik ben zoo pas overgekomen; en nam mijn intrek in het
dorpslogement. Morgen zal ik uw vader een bezoek brengen."
Zij verlieten het kerkhof, en gingen nog een eind samen, tot dat zij
aan de herberg kwamen; de vreemdeling was diep in gedachten verzonken
en Dorine sprak niet uit zich zelf.
[99:]
Dorine kreeg een
kleur terwijl zij hernam:
"Mijnheer wil ook alles weten; ik heb er mijn reden toe."
"Welnu, ik zal die eerbiedigen. Ik kende mijnheer en mevrouw Bergerink...
Ik hoopte hem nog in leven te vinden; nu tref ik slechts zijn graf aan,
bedekt met frissche bloemen, die komen dus van u, lief kind! Ik dank
u!"
Hij streek met de hand langs de oogen, nam zijn hoed af en bleef eenige
oogenblikken in stille overpeinzing op het graf staren. Eerbiedig met
gevouwen handen stond Dorine naast hem.
"Ik wilde uw vader gaarne spreken" zeide de vreemdeling en
zijn stem trilde alsof hij diep aangedaan was.
"O 't zal papa zeker veel genoegen doen een vriend van oom te spreken."
"Is uw papa op Bergerode?"
"Zeker. wij soupeeren om acht uur, en 't is kwart voor acht. Wil
u met mij mede gaan."
"Neen kind, ik ben zoo pas overgekomen; en nam mijn intrek in het
dorpslogement. Morgen zal ik uw vader een bezoek brengen."
Zij verlieten het kerkhof, en gingen nog een eind samen,
tot dat zij aan de herberg kwamen; de vreemdeling was diep in gedachten
verzonken en Dorine sprak niet uit zich zelf.
[100:]
"Tot morgen,
mijn lief kind!" sprak de heer en drukte haar hand.
"Zeer goed, mijnheer, dus mag ik papa zeggen, dat u hem morgen
een bezoek komt brengen?"
"Ja, zeg dat maar, morgen vóór twaalven."
Natuurlijk was het Dorine's eerste werk haar ontmoeting aan den avondmaaltijd
te vertellen.
"Ik begrijp niet, hoe gij je zoo af kunt geven met allerlei soort
van landloopers," zei Emma spijtig.
"Hij was geen landlooper; zijn kleeding, hoe eenvoudig ook, was
heel netjes en zelfs deftig."
"Daar heb je nogal verstand van!"
"En 't mooiste vind ik dat hij mij voor jou aanzag, Em!"
"Hoe kwam hij daaraan?" vroeg Emma met minachting.
"Wel, omdat zij het werk deed, wat ieder van u verwachten mocht,"
merkte tante Bertha op.
"Ik hou niet van zulke sentimenteele dingen. Dorine is maar blij
als zij een voorwendsel heeft om naar het dorp te loopen."
Dorine antwoordde niets en Emma voelde zich ontevreden. op tante, op
Dorine, op den vreemden heer en misschien 't meest op zich zelve.
"Tante" sprak Dorine 's avonds bij het naar bed gaan tot juffrouw
Bertha "u wil ik 't wel zeggen, waarom ik zooveel zorg heb voor
oom's graf."
[101:]
"En waarom
dan lieveling?"
"Omdat ik het maar niet vergeten kan, dat oom boos op mij was toen
hij stierf; hij heeft mij misschien in zijn hart vergeven dat die vaas
door mijn schaapje gebroken is, maar k weet het toch niet. Daarom breng
ik die bloemen, nu het juist zoowat dezelfde tijd is als het vorige
jaar en hoop ik dat hij, wanneer hij nu in den hemel is, het mij vergeven
zal of liever begrijpen, dat ik het zoo kwaad niet meende.'
Tante omhelsde Dorine lang en innig.
"Oom heeft je niet gekend, beste meid!" zeide zij aangedaan,
"en Emma ook niet, anders zou alles geheel anders zijn geloopen."
De vreemdeling bracht den volgenden dag werkelijk zijn bezoek; hij heette
Smithson en kwam uit Amerika, maar 't scheen dat zijn omstandigheden
niet schitterend waren, want hij maakte gebruik van de vriendschapsbetrekking
tot oom Bergerink en vooral tot diens zoon Otto om aan den Heer de Ridder
een postje te vragen op het landgoed.
Tot bewijs van de waarheid zijner woorden toonde hij verscheidene brieven
door den ouden heer en door Otto hem geschreven, toen deze naar Amerika
wilde gaan en hem bezoeken. Hij wist daarbij allerlei bijzonderheden
en zelfs familiegeheimen, van de familie Bergerink, zoodat de heer e
Ridder begreep dat hij met geen bedrieger te doen had.
[102:]
Hij beloofde hem
echter over zijn verzoek na te denken en later een beslissing te nemen;
voorloopig noodigde hij hem echter uit te blijven eten, hetgeen de ander
met genoegen aannam.
Dorine begroette hem als een oude kennis, en hij vroeg haar of zij Engelsch
kende en welke boeken in die taal zij gaarne las, en terwijl hij met
haar aan het spreken was, kwam Emma aan den arm harer gouvernante binnen.
Zij groette, boog zeer statig en nam haar plaats in met een gezicht
alsof het gezelschap haar eigenlijk te min was. Wanneer de heer Smithson
haar aansprak, verwaardigde zij zich nauwelijks hem te antwoorden.
Tante Bertha en zelfs oom Theo bemerkten haar minachtende houding en
ergerden zich in stilte er over; maar de heer Smithson scheen het niet
op te merken, Dorine en de jongens hadden 't zeer druk met hem.
Hij moest hun van allerlei dingen uit Amerika vertellen; of hij Roodhuiden
had gezien en of hij wel eens voor een prairiebrand was gevlucht en
of hij nooit gevaar had geloopen gescalpeerd te worden, enz.
De heer Smithson antwoordde geduldig op al hun vragen en vertelde verschillende
avonturen, die hij in de Amerikaansche wouden had beleefd; de kinderen
hingen aan zijn lippen en zelfs Emma, al wilde zij het niet bekennen,
werd door zijn verhalen geboeid.
[103:]
"En blijft
u nu bij ons, mijnheer?" vroeg de kleine Jozef.
"Dat hangt van de jonge dame af," sprak de vreemdeling met
een handgebaar op Emma wijzende.
Het meisje bloosde van pleizier en rekte haar hals wel vier duim langer
uit, neen, die mijnheer Smithson was zoo ongemanierd niet, hij wist
ten minstfe, wat haar toekwam.