XIV.
Van dit oogenblik
heerschte er een zeer gespannen verhouding op Bergerode. Emma droeg
haar hoofdje zeer hoog, wenschte de familIe op beschermenden toon "goeden
morgen en avond" maar deed overigens of zij en haar gouvernante
alleen in huis waren. Dorine sprak haar niet aan; zij nam hare lessen
maar naderde de piano niet meer.
Tante Bertha vond het noodzakelijk hoewel hoogst onaangenaam haar broer
over de nieuwe kuren van Emma te schrijven.
Zij stelde het dus uit en wachtte liever tot hij persoonlijk eens overkwam.
"Zij moet naar het pensionaat, vindt u ook niet, mijnheer Smithson?"
vroeg zij den rentmeester, want zij had er behoefte aan met iemand over
haar verdriet te spreken.
[121:]
Maar de Heer Smithson
haalde de schouders op en sprak op zijn gewonen afgemeten toon:
"Vergun mij, juffrouw, mij niet in deze zaak te mengen, ik weet
niet anders dan dat ik op dit oogenblik in dienst ben van juffrouw Emma
de Ridder."
Juist kwam het meisje binnen en hoorde die laatste woorden; haar hart
klopte van trots en zij bloosde van genoegen.
"Die man wist haar toch wel te waardeeren en haar rechten te erkennen."
Hoe heerlijk zou het wezen als die geheele "pan" - zoo verachtend
en ongepast noemde het akelige ding hare goede bloedverwanten, die toen
zij een arm weesje was, haar met de meeste liefde en belangeloosheid
tot zich hadden genomen - als zij allen vertrokken en zij reeds nu meesteres
op Bergerode kon spelen met twee zulke getrouwe en gedweee dienaren
als de Heer Smithson en juffrouw Cellier.
Tante Bertha zeide niets meer en ging na weinige oogenblikken de kamer
uit; nu sprak Emma den Heer Smithson aan.
"Ik geloof dat tante niets van mij houdt" sprak zij op gemaakt
bedroefden toon "en 't is toch mijn schuld waarlijk niet."
"'t Zou me spijten, juffrouw, als het zoo was, want uw tante is
een goedige, hartelijke dame."
"Voor iedereen, behalve voor mij!"
"Waarom zou ze dat niet wezen?"
[122:]
"Wel, omdat
DoriHe haar oogappel is en zij haar de erfenis beter gunde dan mij."
"Dat zou toch zeer onrechtvaardig wezen. Uw oud-oom heeft u leeren
kennen en vond in u alle goede hoedanigheden, die hem wenschelijk voorkwamen
in de aanstaande bezitster zijner goederen. Tegen zijn oordeel mag niemand
iets inbrengen."
"Vindt u dat ook?" vroeg Emma glimlachend.
"Ik zal het niet wagen het oordeel van mijnheer uw oud-oom tegen
te spreken."
"Nu, dat mag ik wel zoo hooren! En is het dan niet leelijk zooals
tante mij altijd achter Dorine stelt; het kan me wel weinig schelen,
want als ik meerderjarig ben, dan zie ik niet meer naar die menschen
om."
"Daar heeft u alle recht toe."
"Dat dunkt mij ook! En het doet mij plezier dat van u te hooren;
tante zou willen dat alles hier diende ten genoegen van Dorine, en zou
ik dan niet mogen beletten mijn goed door dat slordige, wilde kind te
laten verknoeien?"
"Wel zeker moogt u dat!"
"Met u kan men ten minste praten, mijnheer Smithson. Juffrouw Cellier
antwoordt niets anders dan dingen, die noch tante, noch ik kunnen goedvinden.
Maar je moet beleefd wezen. . "Oh; les convenances" en zoo
al meer, maar iets degelijks krijg ik nooit uit haar. Tante vindt het
niet
[123:]
lief dat ik de
piano sluit, maar u heeft zelf gehoord hoe die driftkop van een Dorine
tegen mij uitvoer."
"Ja, dat heb ik gehoord."
"En ik was toch zeer kalm, niet waar? Ik heb voor zoover ik weet
niets hatelijks gezegd. Ik houd er niet van mij boos te maken, dit staat
zoo leelijk."
"Daar heeft u gelijk aan."
"'t Is zeer onaangenaam arme familie te hebben, dat zei laatst
juffrouw Cellier! Hoe veel mooie dingen zou ik kunnen koopen voor al
hetgeen die familie hier eet en drinkt, vooral wanneer de jongens op
vacantie zijn en dat wou ik nu maar vragen, mijnheer, en u kent de wetten
zoo. Mag een voogd nu op kosten van zijn pupil zijn geheele familie
laten leven?"
"Zou uw oom dat doen?"
"Natuurlijk, ze leven hier allen in mijn huis en ze eten aan mijn
tafel en ik heb niets te zeggen; elke gulden, dien ik wil uitgeven moet
ik aan tante vragen. Oom is ten minste mijn voogd, maar tante, wat heeft
zij over mij te zeggen?"
"Hoe hard moet het voor u geweest zijn, toen u vroeger geheel van
die menschen afhankelijk was."
Emma sloeg de oogen neer; nu vond zij toch eigenlijk dat mijnheer Smithson
het al te erg maakte; zelf kon zij nu wel morren over achteruitzetting
en miskenning maar vreemd! als anderen het zoo hoog ernstig zeiden als
mijnheer Smithson dan vond zij het belachelijk.
[124:]
"t Is altijd
treurig het genadebrood te eten, antwoordde zij.
"Zeker, en vooral voor zulk een hooghartig karakter als 't uwe."
't Was voor het eerst dat Emma vernam, dat zij een hooghartig karakter
bezat, maar mijnheer Smithson wist het beter en daarom zou het wel zoo
zijn.
"Mag ik u nog een vraag doen, freule?" vroeg hij op een toon
van diepen eerbied.
"Wel zeker, mijnheer, zeer gaarne."
"Ik heb ook een ouden, ziekelijken oom, die wel niet zoo rijk is
als de uwe maar die toch een heel aardig vermogen heeft, waaraan ik
wel behoefte heb. Gaarne zou ik bij hem in een goed blaadje willen komen
en daar het u zoo goed gelukt is, ben ik zoo vrij u inlichtingen te
vragen, over de wijze, waarop u het aanlegde."
"Och, dat weet ik zoo niet," en Emma sloeg de oogen zedig
neer. "Ik weet het heusch niet. Ik heb volstrekt geen moeite gedaan
om oom te vleien; ik ben heel gewoon geweest als altijd."
"Zooals tegen uw tante Bertha bijvoorbeeld?"
Emma werd verlegen, en antwoordde nog niet dadelijk.
"We hadden immers afgesproken, dat u zoo en niet anders kon handelen
niet waar, dus dan was uwe houding zeer goed tegenover juffrouw de Ridder
en behoefde u niet anders te zijn in den omgang met uw oom."
[125:]
"Ja , maar
dat maakte toch een verschil. Oom was ziek en afhankelijk van de bedienden,
dus moest ik hem gezelschap houden."
"En uw nichtje?"
"Dorine was niets lief voor oom, ze was bang, en durfde nauwelijks
met hem spreken."
"Maar er is toch iets gebeurd, wat zij zich verwijt en dat misschien
veel invloed heeft gehad op uw oom's plannen."
"O ja wel, op den laatsten dag. . . "
Emma werd vuurrood en scheen niets op haar gemak.
"Is er toen iets bijzonders geweest, een ongeluk of zoo?"
"Dorine was onhandig."
"Toch zeker bijzonder erg, want om een onhandigheid maakt men gewoonlijk
zulk een omslag niet."
Emma wendde het hoofd af en zeide niets.
"Ik begrijp het wel, lieve freule," sprak de Heer Smithson.
"U wil niet gaarne iets ten nadeele van uw nichtje zeggen. Dat
doet uw hart alle eer aan."
Emma vond het alleraangenaamst dat die rentmeester een volwassen heer,
zulk een goede meening over haar had; nu deed of zeide zij weinig meer
zonder zich af te vragen, hoe denkt hij er over?
"Hij schijnt het goed te keuren dat ik mijn rechten handhaaf in
huis, dus steekt er geen kwaad in, tante en Dorine te laten voelen,
dat zij in mijn huis zijn."
[126:]
Eenige dagen later
terwijl tante druk aan het verstellen van Emma's kousen bezig was, en
meende dat de meisjes onder leiding der gouvernante hun werk afmaakten,
hoorde zij plotseling een soort van jammerkreet, gevolgd door driftig
snikken en klagen, waarin zij duidelijk Dorine's stem herkende.
"Wat heb ik je toch gedaan dat je mij zoo plaagt, Emma? Je weet
hoe veel ik van dien rozenstruik hield. Ach! daar ligt hij nu met al
zijn bloemen."
"Ik begrijp niet hoe je zoo'n geweld om niets maken kunt, Door!
Wat gaat je die roos aan, ze is immers van mij."
"Maar ik heb ze zelf hier geplant; dit is mijn tuintje en er zaten
zooveel knoppen aan, foei wat is dat leelijk. Hinderde je die bloem
dan zoo?"
"Wel zeker, ik mag met mijn planten doen wat ik verkies zonder
je uitlegging te geven van mijn gedrag, maar nu je zoo'n spektakel maakt,
zal ik het je wel zeggen. Gisteren ging ik er langs en toen kreeg ik
een rups op mijn japon. En je weet hoe bang ik voor rupsen ben, dus
vroeg ik niet of jij betrekking hadt op dien struik, daar kon ik me
niet mee ophouden."
Tante kwam naar buiten en zag een prachtigen struik met meer dan honderd
knoppen van witte rozen, op den grond liggen. Het hoekje waarin hij
gestaan had, was door Dorine voor haar eigen tuintje aangelegd, daar
prijkte in kers de
[127:]
naam van haar vader
en het jaartal; daar waren bedjes met vergeet-mij-nietjes, omzoomd door
portulacca, en met geel zand gestrooide paadjes kronkelden zich er doorheen.
Een kamperfoelie prieeltje stond op den achtergrond, maar het sieraad
van alles, was de rozenstruik, die op een groen heuveltje pronkte met
een cirkel van maandroosjes er om heen; het geheel zag er allerliefst
uit en nu had een akelige gril van Emma haar lievelings plekje van zijn
sieraad beroofd.
't Hielp niet veel of Dorine wanhopig schreide, in haar drift Emma minder
liefderijke woorden toevoegde en of tante knorde over de willekeur der
erfgename het meisje hoorde alles met een spotlach aan, haalde de schouders
op en ging naar binnen.
"Welk een beweging om een plant!" zeide zij tot den heer Smithson,
die natuurlijk ook het heele tooneel had bijgewoond "hoor die Dorine
eens aangaan! Welk een kinderachtig meisje, is dat toch! Wie zou zeggen
dat ze maar een jaar jonger was dan ik."
"O neen, niemand zeker."
"En tante trekt haar partij natuurlijk. Ik was in mijn volle recht
niet waar, het ding te laten afkappen toen het mij hinderde?"
"Wel zeker!"
"Waarom nemen zij 't mij zoo kwalijk? Ze moesten maar
[128:]
eens beter inzien,
dat alles hier van mij is, dan zouden z eens beter inzien, dat alles
hier van mij is, dan zouden ze anders tegen mij wezen."
Dorine was nog niet aan het bedaren te brengen; anders was zij te flink
om te schreien of te klagen maar nu liep de maat vol.
"Natuurlijk het doet me veel verdriet om die roos, maar tante daarom
ben ik niet bedroefd. Ik vind het zoo akelig hier te moeten eten en
wonen terwijl Emma ieder oogenblik mij doet voelen dat alles van haar
is."
"Wees bedaard lieve meid!" troostte tante " ik ben veel
liever arm als wij beiden, dan rijk met zoo'n karakter en zoo'n slecht
hart als je nichtje."
"Ik zou ook niet rijk willen zijn als rijkdom iemand zoo slecht
maakt als Emma het wordt."
"Ze is nooit aardig geweest, zelfs niet toen ze van ons afhankelijk
was."
"Tante, ik heb er nooit aan gedacht, hoe de zaken stonden, en ik
durfde het ook niet vragen, maar nu wil ik het toch wel eens weten;
toen Emma bij ons in Amsterdam woonde, wie betaalde toen haar kleeren
en schoolgeld en kost?"
"Maar niemand anders dan uw papa en dat maakt juist haar gedrag'
zoo ondankbaar en zoo leelijk dat zij aan al die goedheid van haar oom
niet meer denkt en alleen maar pocht op haar l'ijkdom en zich houdt
of wij op haar kosten leven.
einde?