Xl.
Toen de Heer de Ridder zijn besluit aan Emma mededeelde, bleef zij twee
dagen bedroefd.
Alleen juffrouw Cellier kon een goed woord van haar krijgen, de anderen
hadden het allen verkorven.
Oom Theo riep de gouvernante bij zich, onderhield haar
[87:]
zeer ernstig over
het onvoorzichtige van haar handelwijze en ried haar aan, Emma minder
schitterende vertelseltjes te doen maar liever haar studien ernstig
aan te vatten.
Juffrouw Cellier verzekerde dat zij het zelf inzag, beloofde beterschap
en . . . ging haar leerling troosten met de hoop dat zij spoedig achttien
jaar zou wezen en dat zij dan stellig op reis mocht gaan en dubbel alles
genieten. Alles kwam door tante Bertha's opstoken, oom was zoo kwaad
niet en zij moest nu maar weer goed gehumeerd worden en niet zoo boos
kijken.
Langzamerhand verminderde Emma's boosheid, maar toch bleef zij zekere
onverschilligheid in al haar manieren houden en was zij zelfs eer onbeleefd
dan koel tegen tante.
Juffrouw Cellier begon haar mooiste spookgeschiedenissen te herhalen,
doch daar Emma ze reeds een paar maal gehoord had, boezemden zij haar
geen belangstelling meer in, daarbij vond zij die's zomers op een helderen
avond prettiger aan te hooren dan in die sombere herfstnachten.
Eens lagen de meisjes al in bed; Dorine als naar gewoonte rustig slapend,
Emma half ingesluimerd en vol van allerlei schitterende toekomstbeelden,
toen er aan de deur geschreeuwd werd, en zij verschrikt ontwaakte.
"Is daar iemand?"
"Stil, Mignonne, stil! Ik ben 't, Mademoiselle Cellier, heb je
niets gehoord?"
[88:]
"Neen juf,
niets!"
"'t Is toch duidelijk; ik zal morgen Mademoiselle Berthe zeggen,
dat ik niet langer in deze kamer slaap."
"Maar wat is er dan toch."
"Ik weet het zelf niet, klepperen van vleugels, toeslaan van deuren
en kamers, daar is immers le vieux Monsieur gestorven."
"Wel neen juf, oom zijn kamer was aan den overkant."
"Maar in die kamer heeft hij toch ook wel eens gezeten. Jacob heeft
het mij verteld,"
"Wie is daar, Em?" vroeg de slaapdronken stem van Dorine.
"Och, juf! blijf van nacht maar hier!" bad Emma, "zie
eens hoe ik beef, en hoe mijn tanden klapperen en maak die deur dicht,
anders komt het nog binnen?"
"Maar wat is er toch te doen" vroeg Dorine, die geen antwoord
kon krijgen en zich half in bed oprichtte.
"Er zijn dieven of spoken in de kleine opkamer" zeide Emma
bevend en rillend als een riet.
"Kom, er zijn geen spoken, en wat zouden dieven in die onbewoonde
kamer doen? Wees toch verstandig juf, denk maar eens aan het versje
van van Alphen:
Die
aan zulk een man gelooft,
Is van zijn verstand beroofd."
"'t Is nog al een mooie tijd om er gekheid over te maken
[89:]
en versjes op te
zeggen" pruttelde Emma, "sluit de deur maar goed toe juf,
en kom bij mij in bed."
"En dan die spoken of dieven den geheelen nacht vrij spel laten,
dat gaat toch niet" en Dorine sprong het bed uit.
"Maar wat wil je nu doen, blijf stilletjes binnen, je kunt er niets
aan verhelpen."
"Restez je vous en prie" klaagde juffrouw Cellier.
" Als ik niet zelf mag kijken dan roep ik Papa," zei Dorine
beslist, "maar ik ben niets bang."
"Je wilt de heldin spelen, dat is zoo'n domme aanmatiging. Ik sta
het niet toe, je moogt niet naar buiten."
"Daar zal ik ook naar vragen."
Fluks had zij de kousjes aangetrokken, haar regenmantel omgedaan en
toen den blaker met de brandende kaars opnemende, ging zij naar de deur.
"Blijf toch, je krijgt een ongeluk" snikte Emma, die met opgetrokken
beenen op den rand van haar bed bleef zitten.
"Je vous en prie!" smeekte juffrouw Cellier.
Maar geen van beiden verliet haar plaats en lachend om het grappige
tooneel van de bange juf in haar nachttoilet met de muts scheef op haar
weinige haren, en de bibberende Emma, maakte Dorine de deur open en
trad in jufs kamertje.
Even bleef zij staan en hoorde duidelijk een geklepper in de aangrenzende
kamer en een pijnlijk zuchten, toen ging zij
[91:]
zonder aarzelen
de gang door, om de deur dezer kamer te bereiken; dadelijk zag zij dat
deze niet op slot was en telkens door den wind werd toegeslagen, een
koude luchtstroom drong er door, zoodat het haar bleek dat ook aan het
raam iets niet in orde moest zijn.
Zij trad binnen en zie! haar verwachting had haar niet bedrogen; een
ruit was stuk en de wind gierde door de opening, daarbij was een vleermuis
er doorheen gevlogen, die tegen de muren van het kamertje opvloog, en
daardoor al dat geklepper en gesis veroorzaakte.
Lachend ging Dorine, na de deur gesloten te hebben, naar de slaapkamer
terug, waar intusschen het volgende gesprek had plaats gehad.
"Zeg eens juf" vroeg Emma altijd bevend en rillend, wanneer
spookt het gewoonlijk in een huis en waarom?"
"Wel om verschillende redenen, chérie! Gewoonlijk zijn dat
spookhuizen, waar iemand zichzelf te kort heeft gedaan."
"Maar dat is hier niet, oom is zijn natuurlijken dood gestorven."
"Of waar een groote misdaad is gepleegd."
"Dat is hier ook niet, ik heb er ten minste niets van gehoord."
"Men kan het niet weten, 't huis is al zoo oud; deze muren konden
als ze tongen hadden veel vertellen."
"En anders waarom nog meer!"
"Och kindlief, dat zijn eigenlijk gekke praatjes, ik geloof
[92:]
er zelf niet aan;
en je moet er geen waarde hoegenaamd aan hechten."
"Neen, dat doe ik ook niet, ik weet het heel goed dat het gekheid
is. Maar, ik wil het wel eens weten, wat men zoo al zegt."
"Och, 't andere is nog veel minder van toepassing op dit huis;
men zegt wel eens dat de geest van den overledene terugkeert als men
een slecht gebruik maakt van zijn erfenis, en dat doet gij toch niet
lieve!"
"En verder?"
"Als een ander onrechtvaardig zijn bezittingen verkregen heeft,
komt de erflater ook wel eens terug."
"Onrechtvaardig, hoe bedoelt u dat juf?"
"Wel, als hij 't bijvoorbeeld aan een ander zou vermaakt hebben,
wanneer hij iets geweten had, of als een testament . . . . waar blijft
Dorine nu toch? Zal ik eens gaan kijken?"
"Neen, neen juf, laat mij niet alleen," kermde het meisje,
wie de koude zweetdroppels op het voorhoofd stonden, en zij klemde zich
aan de gouvernante vast.
"Ik maak mij ongerust over dat kind."
"Als haar iets overkomt dan heeft ze haar verdiend loon."
Juist verscheen Dorine, vroolijk lachend in de deur.
"Ga nu naar bed juf en droom maar niet van een spook, dat behoort
tot de . . . . klasse van de overgangsdieren."
"Wat is 't geweest?"
"U zult het spook nog wel hooren, maar 't is niemendal,
[93:]
een gebroken ruit,
een open deur en een vleermuis! Ze zullen van nacht misschien nog wel
meer spektakel maken maar 't is nu toch niets I nu u weet, wat het is?"
"Heusch, Door, is 't anders niet!"
"Wel neen, ga maar rustig naar bed, juf! en droom er niet van."
"Nu kind, heel graag, ik heb ook al dadelijk gedacht dat het eene
natuurlijke oorzaak moest hebben maar. . . maar ik zag er zoo tegen
op het te onderzoeken, want ik ben zoo bang voor. . . voor kouden tocht."
Dorine kroop lachend weer onder haar dekens en hoorde nog laat in den
nacht de juffrouw en Emma fluisterend met elkander spreken.
Toen den volgenden morgen het nachtelijke voorval besproken werd, verzekerde
juf uit de hoogte dat zij volstrekt niet bang was geweest maar het noodig
had geacht in geval van nood bij de meisjes te zijn, waarom zij haar
kamer had verlaten en alleen om Emma, die zoo zenuwachtig was, pleizier
te doen was zij bij haar blijven slapen.
Emma ontkende haar angst niet.
"In zoo'n akelig oud huis kon men alles verwachten,"zeide
ze, "en later laat ik het geheel afbreken en zet een mooie moderne
villa op de plaats."
De Heer de Ridder beknorde Dorine over haar overdreven heldhaftigheid.
[94:]
"Maar papa,"
antwoordde zij, "er zijn immers geen spoken, waarom zou ik er bang
voor zijn."
"'t Hadden dieven of moordenaars kunnen zijn. . zelfs een groote
uil of ander gevaarlijk dier; en je hadt daardoor een leelijk ongeluk
kunnen krijgen."
"Ik heb 't ook dadelijk gezegd, het was niets dan overmoed,"
verklaarde Emma op een toon van minachting.
"Je mocht willen dat je zoo overmoedig waart," zei Dirk.
"In elk geval is het onvrouwelijk zoo haantje de voorste te spelen,
niet waar, juf?"
"Ja, lieveling, ik vind dien angst van je veel natuur!ijker en
eenvoudiger."
Het voorval werd spoedig door allen vergeten, behalve door Emma; zij
werd zoo bang dat zij zoodra het donker was, niet meer over de gangen
durfde gaan, 's nachts werd zij wakker en riep angstig om hulp.
"Dat is ook een soort van aanstelling," zei tante Bertha ontevreden
en zij had het liefste gezien dat juffrouw Cellier aan die grillen niet
toegaf maar de gouvernante keek Emma naar de oogen en volgde haar als
een schoothondje.
"Men zou zeggen dat je een kwaad geweten hadt," schertste
Dorine, "menschen, die zich niets te verwijten hebben zijn voor
niets bang."
"Daar bekommeren de dieven zich ook om, hoe je geweten er uitziet!"
was het knorrige antwoord.