Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK IX.
"Ter aarde vernederd," dit waren de woorden die Isabelle zich onophoudelijk herhaalde in de dagen, die op het feest volgden en die zij meer ziek dan gezond doorbracht. Mevrouw Ducombel was ongerust over haar nicht en deed zich zelf bittere verwijten van haar gedwongen te hebben tot het bijwonen van vermakelijkheden, welke haar gestel niet scheen te kunnen verdragen; de stilte in la Combelière deed Isabelle goed en zij trachtte het gebeurde als een boozen droom te beschouwen. Doch dit ging niet gemakkelijk; elke gebeurtenis van dien dag stond haar levendig voor den geest; haar toorn was machteloos, haar verontwaardiging ijdel, wat was zij nog voor Alfred? Eene die groote verplichtingen aan hem had en van wie hij geen dankbaarheid verlangde, daar hij haar verachtte. "Veracht te worden door hem, niet door den schoenpoetsersjongen, want deze gedachte hield haar nauwelijks meer bezig, maar door een man die een wetenschappelijken naam had gemaakt, in wiens gezelschap haar gelijken eer stelden.
[184:]
Zoodra zij zich beter gevoelde, schreef zij haar vader en verzocht hem maatregelen te nemen om, te onderzoeken of het huwelijk geldig was of niet. De Marcy was er nu niet op gesteld dat zijn dochter zich van haar man liet scheiden, schreef haar een brief vol uitvluchten en raadde haar dien stap ten sterkste af, tenzij een andere, betere partij haar wachtte. Toen Isabelle den brief echter ontving, was zij van gevoelen veranderd en meende dat het nu Alfred's plicht was de eerste stappen te doen, daar zij wel over verzoening had willen spreken. Valentine kwam na den laatsten feestdag hare vriendin bezoeken; zij vond Isabelle op de chaise-longue uitgestrekt, bleek en moe, maar toch scheen zij verlangend naar nadere bijzonderheden van het feest. "O, we hebben een pleizier gehad, dol, dol! Vooral op het waterfeestje, maar die arme Sosthènes heeft zich doodelijk verveeld. Je neemt het mij toch niet kwalijk, dat ik hem troostte door Fides aan hem af te staan? Hij heeft zich druk met het dier bezig gehouden, dat verzeker ik je en je behoeft op geen andere dame jaloersch te zijn. Ik ben echter zeer teleurgesteld; ja waarlijk en begrijp dan wat een pret er geweest moet zijn, dat ik mij toch, niettegenstaande die teleurstelling, zoo heb geamuseerd. Ik had al dadelijk een caprice voor dien landgenoot van je opgevat, misschien juist omdat hij dat was, en hij is den volgenden morgen ook vertrokken. Verbeeld je toch, wat ik toen woedend was; eerst jouw ontvluchting en dan zijn afscheid, want hij ten minste heeft behoorlijk goeden dag gezegd. Papa, die hoog met hem wegloopt, had hem zoo gaarne langer gehouden, maar hij had zaken, verzekerde hij, en mijnheer Saint-Méry, zegt dat hij een weinig zonderling is; hij heeft zeker iets treurigs ondervonden, een ongelukkige liefdes-historie of zoowat. Heeft hij er je niets van verteld?" "Meent ge, dat het Hollandsche mode is bij een eerste ontmoeting zijn hart uit te storten en al zijn geheimen te vertellen?"
[185:]
Zij was echter tevreden te hooren dat Alfred niet alle feesten had meegemaakt; wanneer hij dit gedaan had, meende zij, zou hij haar nog dieper hebben vernederd. Sosthènes kwam dagelijks naar den staat harer gezondheid vragen; ook zijn moeder bracht haar een bezoek en fluisterde bij die gelegenheid madame Ducombel toe, dat zij zeer verheugd was op te merken hoe haar zoon niet meer aan die slecht opgevoede Valentine dacht, maar veel meer aan haar allerliefst nichtje. Tegen het begin van Juli vertrok mevrouw Ducombel met Isabelle naar Vichy, want zij was overtuigd dat de baden haar nichtje veel goed zouden doen; hier leefde zij tot Isabelle's groote verlichting zeer stil en eenzaam, en niets brak de eentonigheid der twee volgende maanden af, dan een schriftelijk aanzoek der markiezin d'Armainville om Isabelle's hand voor haar zoon. Nadat dit afgeslagen was ging de tijd kalm en stil voorbij, men nam geen deel aan de gewone vermakelijkheden van badplaatsen, die toch niet in mevrouw Ducombel's smaak vielen en die ze slechts zou bezocht hebben ter liefde van haar nicht, Valentine schreef dikwijls, maar op hare manier, slecht, verward, en niet veel. Over Alfred geen woord, over Sostènes en Fides des te meer; zij zuchtte naar de terugkomst harer vriendin heette het, al was 't maar om niet meer als Fides' eigenares beschouwd te worden. Isabelle had de badkuur goed gedaan en de herinnering aan haar onderhoud met Alfred begon een beetje uitgewischt te raken en zij hoopte hem nooit meer te ontmoeten. Daags voor hun vertrek uit Vichy, las mevrouw Ducombel eene courant en riep plotseling: "Tiens Isabelle, herinnert ge u nog dien hollandschen ingenieur bij de Mirécourts?" "Jawel, tante; wat is er met hem gebeurd?" "Hij is lid geworden van de Aèadémie des sciences en ridder van het Legioen van Eer, wegens een schitterende uitvinding op het gebied der mijnen gedaan."
[186:]
"Zoo, tante!" "Stelt je er geen belang in? Ge moest trotsch zijn, wij, Franschen, de verdiensten uwer landgenooten ten te waardeeren; het doet me echter genoegen," zegde zij er voor zich zelf bij, "dat de zaak gezond zat en dat ik mijn geld niet vergeefs heb gewaagd. Ik verlang zeer de Mirécourts te spreken." Nauwelijks waren ze in la Combelière teruggekeerd, of Valentine verscheen met haar miss Schaduw, stelde zich aan als een uitgelaten kind, tot groote ergernis harer gouvernante, en haalde zich daardoor een paar vermaningen van mevrouw Ducombel op den hals. "Als ge me allen zoo lastig valt," riep zij, "dan ga heen en breng u papa en mama's boodschap niet over, want boven de poorten van Beausoleil staat geschreven:
"Gij allen, die hier binnentreedt, laat elke aanmerking varen."
"Wat ben je sterk geworden in Italiaansche literatuur," zeide Isabelle lachend. "Vind je niet? Dezen zomer zijn we er mee begonnen, maar, bah! ik droom van Dante en val in slaap van Petrarca, en alleen Tasso vind ik de moeite van het lezen waard, toch lees ik nog liever Perrault. Het zijn allemaal sprookjes." "En je boodschap, wijsneus?" vroeg madame Ducombel. "Knort u niet meer, tante?" "Neen, als je ten minste praat zooals het een verstandig mensch past." "Verstandig wil ik niet zijn, want dat staat gelijk met vevelend en om mensch te zijn ben ik nog wat te jong, maar toch zal ik spreken. Papa en mama verwachten u mademoiselle Jeanne en Isabelle den volgenden maandag bij ons en hopen u nog eenige dagen te houden. Dan kan Isabelle nader kennis maken met Fides en hem voor goed meenemen. Wie meekomt, weet zij even goed als ik." "Wat dunkt u er van, Isabelle?"
[187:]
"'t Zal me recht aangenaam zijn, mits er geen feesten zullen wezen en geen drukte." "Neen, zenuwkoningin, die komen er vooreerst niet, voor mijn huwelijk en papa's gouden bruiloft; we zijn tout à fait entre nous, misschien komt de adorateur van Fides een paar maal kijken, doch dat is niet meer dan natuurlijk. We moeten hem weer verloten, vind je niet, Belle?" Op den bepaalden dag reden de dames naar Beausoleil; het was een heerlijke Septembermorgen maar de natuur zag er nog geheel op zijn zomersch uit, slechts weinige gele blaadjes gluurden door het donkere geboomte, de zon scheen met alle kracht der Augustusdagen en het landschap, dat men doorreed, schitterde nog in vollen zomertooi. Het rijtuig reed de lindenlaan in, die tot oprij van Beausoleil diende; even daarna kwam Valentine in volle galop hen te paard achterna en verwelkomde hen op haar gewone onstuimige manier. Haar vader verscheen aan de poort en geleidde zijne gasten naar de barones, die vandaag zwakker was dan anders. "Ge zult nog een kennis ontmoeten, mevrouw!" sprak de baron, "op wiens onderhoud u bijzonder gesteld zal zijn. Onze nieuwe ridder namelijk die mij verslag komt doen van zijn werkzaamheden. De gebouwen staan er reeds en de exploitatie der mijn is in vollen gang." "Ik ben toch zoo blij, Isabelle," zei Valentine, "dat die knappe ingenieur er weer is. Hij kwam gister morgen heel onverwacht, we zijn samen naar de kerk gereden en Helène, ge weet wel, die altijd zoo vroom in haar kerkboek schijnt te bidden, had hem reeds in een oogwenk geheel opgenomen; ze kwam toen gister middag even aan en vóór zij in het salon binnentrad, vroeg ze mij of de heer, die bij ons in de bank zat, de zoon was van den hertog de Valombreuse. Ik antwoordde maar ja, en ze speelde altijd van monsieur le Duc tegen mijnheer Bronze. Mama was er boos over, maar ik zeg
[188:]
dat die hertog blij mocht wezen als hij de helft der distinctie had van uw landgenoot. Zien ze er allen zoo goed uit?" Isabelle was zeer teleurgesteld. "Hij verbittert al mijn genoegens," dacht zij vol spijt. "Wie verlost mij van zijn tegenwoordigheid?" en toen zij in het salon binnentrad, waar Alfred zeer gezellig naast mevrouw de Mirécourt zat, bezig met plaatwerken na te zien, zegende zij haar donkergroene voile, die hem belette de uitdrukking van haar gelaat te bestudeeren. Zijn groet was stijf maar beleefd en Isabelle haastte zich Valentine te volgen om zich van hoed en mantel te ontdoen. Dank de vroolijkheid en levendige invallen harer vriendin, vond Isabelle dat de verhouding minder pijnlijk was, wanneer Alfred zich bij hun gezelschap voegde. Het dejeuner volgde spoedig; daarna trok men zich in zijn eigen vertrekken terug; tegen den namiddag terwijl Valentine en Isabelle met de barones de Mirécourt op het terras zaten en de frissche avondlucht genoten, wandelden de baron met Alfred en mevrouw Ducombel herhaalde malen op en neer in een druk gesprek gewikkeld, hetgeen de huisvrouw vrij vervelend vond. Eindelijk stelde de baron voor een wandeling te maken, want de zaken waren voorloopig afgedaan; de beide oude dames bleven op het terras zitten. Isabelle durfde niet weigeren en zoo gingen zij den tuin in; ze waren de lindenlaan nog niet ten einde toen Sosthènes de Granjac verscheen, Alfred met een beschermend air begroette en Isabelle op alle mogelijke wijzen verklaarde, dat hij het een groot geluk vond haar weer te ontmoeten; eindelijk Fides ziende, streek hij het dier langs den kop en vroeg Isabelle of zij niet vond, dat hij het schuwe dier flink tam had gemaakt. Spoedig waren er drie paren gevormd, de baron met mademoiselle Jeanne, Valentine met Alfred en Isabelle met Granjac. "Wat doet die vervelende mol hier weer?" bromde de chevalier.
[189:]
"Een mol?" "Ja, dat heer, dat altijd in den grond wroet en werkt. Ik begrijp niet, wat de menschen toch zoo onder den grond zoeken, er is immers genoeg daarboven te vinden." "Maar mijnheer, u wil de delfstoffen toch niet zoeken in bosschen of wel aankweeken als koren?" "Och wat, steenkolen hebben ze in het geheel niet noodig, laten ze eerst houtskool maken van alle boomen, die er nog in de bosschen groeien en dan hebben ze voorloopig genoeg." "Zoudt ge dan willen dat alle kostbare en nuttige metalen eeuwig in den grond verborgen bleven?" "Kom, goud en diamanten, dat is de moeite nog van het zoeken waard; die andere dingen als lood en ijzer heeft men reeds te veel. Overigens dunkt me, dat men in de eerste jaren niet eens meer behoeft te zoeken naar die akelige dingen; ze worden immers toch niet vernield. Waarnaar men altijd zoeken moet, dat zijn truffels. Als ik in een stand was, waarin men een ambt kiezen moest, dan werd ik truffel ingenieur." En hij schaterde het uit over zijn eigen aardigheid. Isabelle zag voor zich naar het andere paar, dat in een nog drukker gesprek gewikkeld was. Alfred had een steen opgenomen en scheen Valentine iets uit te leggen. Zij hing aan zijne lippen en hare geheele houding teekende belangstelling. "Meent die mol met zijn heidengezicht het hart van Valentine te winnen door die steenen?" ging Sosthènes minachtend voort, "in vroeger tijd deed men zoo iets met bloemen." "En u zou het doen met truffels, nietwaar?" "Ik geloof dat ik beter succes zou hebben dan wanneer ik het deed met keien. Hij heeft zoo iets schoolmeesterachtigs over zich, vindt u niet? Het doet me genoegen te zien, freule, dat u niet evenals allen met hem dweept en u op een afstand van hem houdt. 't Is iets, wat ik ten hoogste in u waardeer, dien instinktmatigen afkeer van roturiers: u is van hoogen adel, dat
heeft mama mij reeds dadelijk gezegd en uwe manieren vooral tegenover dien mol duiden het genoeg aan. Ja, 't is een onuitstaanbare kwast." "Hoe dwaas!" dacht Isabelle, "hij is mijn vijand, hij veracht mij, en ik moest er op gesteld wezen, dat een ander hem ook minachtte en toch, het walgt mij iemand als Sosthènes, die niet in zijn schaduw kan staan, zoo over hem te hooren spreken. Dat komt ongetwijfeld door mijn gevoel van rechtvaardigheid, en hardop vroeg zij: "is u dezen zomer in Parijs geweest met de wedrennen?" Terwijl Granjac's mond door dezen stroohalm geopend, een niet meer te stuiten woordenstroom vallen liet, dwaalde Fides links en rechts door het veld, niemand zag naar hem. Alfred en Valentine hadden het te druk met hun steenen; Granjac met zijn wedrennen en Isabelle, die den stap verhaast had, om dichter bij de twee anderen te komen, trachtte meer hun gesprek dan dat van haar cavalier te volgen. De baron wees aan Jeanne zijn ontginningen en zoo was Fides vrij om tegen een kalf te brommen, veldhoenders op te jagen of een herdersknaap te doen schrikken. Zoolang men hem echter geen weerstand bood, was hij onschadelijk; eensklaps deed een doordringenden gil de wandelaars opschrikken: men zag ter zijde en eenige stappen verderop in een hollen weg hoorde men luid blaffen, angstig gillen en kwaadaardig keffen. Alfred en Sosthènes snelden toe; er was eerst niets te zien dan het ruige lichaam van Fides en een blauw kieltje; dichterbij gekomen, zagen zij een knaap van omstreeks twaalf jaar op dell grond liggen, terwijl rechts en links allerlei kleinigheden, uit de mars van een reizend koopman afkomstig, verspreid lagen. Fides schier brullend van woede, had het arme kind tegen den grond geworpen en zou het wellicht verscheurd hebben zonder de tusschenkomst van Alfred, die, een stok van den grond rapend, hiermede het dier geducht op den kop sloeg, terwijl hij tegelijk het arme kind trachtte op te
[191:]
heffen. Een keffertje stond op eenigen afstand luid te janken: "De hond, de hond!" schreeuwde Sosthènes. "Mijnheer Brons, weet ge wel, wat ge doet, ge bederft het dier, ge vermoordt hem." Huilend trok Fides zich terug en Valentine, wier stem hij nog steeds gehoorzaamde, gebood hem stil te liggen. Sosthènes streelde hem en onderzocht of hij geen leed had ondervonden, terwijl Alfred het bloedende kind opnam en naar den zijkant van het pad droeg, waar een beekje stroomde. "Dat arme dier," herhaalde Sosthènes. "Zeg liever, dat arme kind!" verbeterde Isabelle, die tot haar genoegen zag, hoe Jeanne Alfred hielp de wonden van het kind uit te wasschen, zoodat haar hulp kon gemist worden. De baron onderhield Valentine over het wangedrag van haar hond, maar Sosthènes verzekerde dat hij onschuldig was. "Weet u wie die knaap is?" vroeg Isabelle. "Hij woont aan het einde van ons park," antwoordde Valentine. "'t is een arme jongen, die al deze kleinigheden bij de boeren rondvent; zijn vader is dood en hij onderhoudt zijn moeder en zijn zusje zooveel hij kan. 't Spijt me verschrikkelijk, dat het gebeurd is. Isabelle, waarom neem je Fides ook niet mee? Hij is immers van jou." "Ik zal hem voor zijn opvoeding aan mijnheer de Granjac toevertrouwen," hernam Isabelle glimlachend. Ondertusschen kwam Alfred nader met het kind, dat zich nauwelijks recht kon houden. "Ik zal hem wel moeten dragen," zeide hij. "Uw hand bloedt, is u ook gebeten?" vroeg de baron. Isabelle was doodsbleek geworden, zag naar de wond, maar sprak geen woord. "Neen, ik geloof eerder gekrabt; het dier heeft klauwen als een leeuw." "Ik zal u verbinden, hier is mijn zakdoek." Valentine
[192:]
snelde toe en begon op recht onhandige wijze het bloed te stelpen. "Och, Isabelle, doe jij het maar! Je ziet, het gaat me slecht af." Zwijgend kweet zich freule de Marcy van die taak en Alfred antwoordde koud: "Dank u" maar tot Valentine ging hij glimlachend voort: "al was het wondje niet zoo onbeduidend als het werkelijk is, toch zou het geen kwade gevolgen knnnen hebben, daar het uw doekje is, dat het verbindt." "Dat heeft u van Sosthènes geleerd," lachte Valentine luid. Isabelle trok zich terug en voelde iets steken in haar hart; wat zij nog nooit eerder daarin bemerkt had. "De tijd is slecht gekozen voor complimenten, dat is waar, freule; kom, wijs me zijn huis maar aan en ik zal hem wel dat eindje voortdragen." "En hoe krijg ik Fides mee? Arm dier! Dat had je niet verdiend; die keffer is hem zeker aangevallen en de kwajongen kwam er met zijn stok tusschen; hij heeft niet beter verdiend." "Waarlijk, munsieur le chevalier," zei Alfred bijtend, "het is voor u te hopen dat er spoedig een prijs Montyon wordt ingesteld voor barmhartigheid aan dieren bewezen. Wees verzekerd, dat ik er voor zorgen zal, dat u dan de eerste medaille behalen moogt." "Zoo'n barbaar,' mompelde Granjac, "alsof de wereld niet vol is van kinderen als dat schoelje, en waar vindt men een tweeden Fides?" De thee werd op het terras gedronken en natuurlijk was het voorgevallene met den hond 't hoofdonderwerp van het gesprek, Sosthènes jammerde over Fides, Alfred gaf hem menig scherp antwoord en Valentine verzekerde dat zij nooit meer iets met het dier te doen wilde hebben. Isabelle weigerde dit ook en verzocht de Granjac tijdens zijn ziekte voor het dier te zorgen; Sosthènes was over deze opdracht zoo opgetogen, dat hij, terwijl Isabelle en Valentine in de muziekzaal een duo zongen,
[193:]
zijn grieven tegen den mol vergat en Alfred verzekerde, dat hij nimmer zulk een meisje had gezien als freule de Marcyen hij zeker hoopte haar weldra te verrassen met het-aanbod van zijn hand. "Geldt die hooge eer haar of den hond?" vroeg Alfred kortaf. "Als ik u was zou ik maar voorloopig tevreden zijn, dat u het eerst met Fides zijn klauwen probeeren kunt." "En welke verkies ik," dacht Alfred en staarde naar de schoone gestalte zijner vrouw, "de klauwen van het dier of de nageltjes van haar blanke hand?" Het duo was uit en Valentine fluisterde Isabelle toe: "Vind je Sosthènes niet afschuwelijk? Brons vroeg me of je van hem hield; ik zei neen, duizendmaal neen. Wat een verschil tusschen die twee; is het niet? Dag en nacht! Hij heeft mij wonderen over die steenen verteld, die ik nooit zou hebben vermoed! En dat gaat hem zoo heel anders af als miss Schadow. O, wanneer ik hem tot meester had gehad, Isabelle, ik verzeker u, ik was zoo dom niet gebleven. Maar bewondert gij hem niet? Och, je hebt zoo.veel geleerden in Parijs gesproken, je bent daaraan gewoon, maar ik ken er zoo weinig." Juist kwamen de heeren, die onder het duo op Valentine's verzoek nnar het terras verbannen waren, binnen en nu was het hun beurt iets te zingen. Sosthènes begon met een pieperig, scherp stemmetje den eentonige coupletten op te dreunen van "Adieux à la Franc!" een stuk, dat zijn oogenblik van beroemdheid reeds had doorleefd. "En de rest schenk ik u," riep Valentine na het derde couplet met hare gewone vrijheid: "en nu uw beurt, mijnheer Brons, wat kent u?" Alfred liet zich niet bidden en zong met zijn buitengewoon mooi diep orgaan: "Ich grolle nicht" van Schumann. Valentine, die anders onder muziekuitvoeringen moeielijk zwijgen kon, bleef aan de piano staan met trillende lippen en schitterende oogen.
[194:]
"Dat is meer dan heerlijk, dat is poezie," riep zij uit. "Isabelle," maar Isabelle was naar buiten gegaan en zat naast de oudere dames, met zichtbare aandacht naar hare gesprekken luisterend; het was donker en niemand zag dus de uitdrukking van haar gelaat onder het spel, dan haar trof diep in het hart.
inhoud | vorige pagina | volgende pagina