Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
[176:]
HOOFDSTUK VIII.
Het diner volgde spoedig en verhoogde de aangename stemming, die onder de gasten heerschte. "Dansen, dansen," riep Valentine, wier vroolijkheid tot uitgelatenheid was gestegen, reeds onder het dessert. De groote zaal, à la Louis XIV gemeubeld, ook wel de salon des glaces genoemd, werd in licht gehuld; de muziek nam plaats op een verhevenheid, de groote deuren, die op het terras uitkwamen, werden geopend, want de avond was recht zoel en de dans begon. lsabelle werd van alle zijden omringd, doch zij stond er op, alleen de reeds vooruit beloofde dansen te doen. Zoo was het dus Granjac, die de eer had, tot haar groote ergernis, den eersten dans met haar te beginnen: ook Alfred had een dame aan den arm. Hij kwam Isabelle onder de groote lichtkroon tegen. Juist glimlachte hij tegen zijn gezellin en zij moest bekennen, dat hij er veel forscher en mannelijker uitzag dan twee jaar geleden. "Hij heeft zich de zaak niet aangetrokken, 't is een voorbijgaande bui van edelmoedigheid geweest, hij heeft zich getroost..." Hoe dwaas, in plaats van haar te verheugen. ergerde haar juist deze gedachte; ware Alfred bleek, mager, treurend voor baar verschenen als een ziekelijke dweper, misschien dat zij medelijden metbem gevoeld had, maar nu kon hij zijn weg vinden. Zonder haar had hij roem en eer gevonden; de liefde bleef hem misschien verre, maar men kon toch ook niet alles bezitten. Madame Ducombel zat met den fabrikant de Saint Méry te praten. "Een zeer aangenaam voorkomen en goede manieren. Een mijn-ingenieur, zegt ge? Gij moet hem aan mij voorstellen; dezen winter heeft men bij mij zijn naam genoemd. Hij heeft immers een nieuwe uitvinding gedaan?"
[177:]
"Ja, mevrouw, doch nog slechts theoretisch; tot nu toe was het hem niet mogelijk het praktisch in 't groot te bepalen. 't Geld ontbrak hem. Wij hebben samen in Aken gestudeerd, of liever de lessen daar bijgewoond, want hij was toen reeds in Holland gediplomeerd; hij is altijd buitengewoon vlug geweest. Zijn vader heette zeer rijk, en hij is eigenlijk een creool." "Me dacht ook, dat hij de hollandsche type niet bezat; hij kan voor Spanjaard doorgaan." "Wat er echter met hem gebeurd is, weet ik niet; hij is zeer afgetrokken en ernstig geworden; ik geloof dat hij veel schulden heeft gemaakt en daarom als een kluizenaar leven moet. Nu heb ik getracht hem in de gelegenheid te stellen de proef te beginnen: in onze buurt is een sinds lang uitgeputte mijn. We willen een maatschappij vormen, die zich ten doel stelt het terrein te koopen en de proef te wagen. Zijn woord is er pand voor dat het gelukken zal." "Een maatschappij op aandeelen?" "Ja, mevrouw." "Welnu, als it zoover is, kom gerust bij mij. Ik zal er verscheidene nemen, en ze leggen in de bruidskorf mijner nicht." Onderwijl was Valentine tusschen twee dansen achter Isabelle geslopen en fluisterde haar toe: "Ben je boos op mij?" "Het scheelt niet veel." "Lieveling,'t was mijn schuld niet. Ik had die nare, leelijke Armelle zoo gaarne gelukkig willen maken. Ik had niet gerekend, dat het lot u gunstig zou zijn." "Integendeel, Valentine! Ik verheug mij, dat ik de enveloppe heb geopend, want je daad is zeer ongepast en als je ouders het wisten zouden ze je streng de les lezen. Bij mij blijft de zaak natuurlijk eeuwig geheim." "Maar was het niet mooi bedacht? Jammer, dat gij het zijt, anders hadt ge iets gezien! De anderen zou ik de surprise niet hebben toegezonden dan op den dag van het huwelijk. Maar met jou heeft men geen lust
[178:]
grappen te maken. Och, daar komt de ingenieur aan, ik ben dol op hem." Isabelle kleurde en had weer een scherpe vermaning tegen Valentine gereed, die zij vandaag onuitstaanbaar vond, toen Alfred haar om een dans vroeg. "Ge moet u haasten, dadelijk begint het vuurwerk," zeide Valentine, die spoedig met een cavalier wegtrippelde. Zwijgend gingen Alfred en zijn vrouw naast elkander voort, de muziek begon en zij deden een ronde; beider gedachten waren bij die eerste ontmoeting in de societeit van Groothuizen toen voor het eerst Isabelle's arm op den zijne had gerust en later op den trouwdag... "U heeft mij om dit onderhoud verzocht," begon Alfred, "anders zou ik het niet gewaagd hebben u voor dezen dans te vragen. Ik zie de noodzakelijkheid er niet van in." "Maar u begrijpt dat ik u toch spreken moest na... nadat u zoo plotseling verdwenen waart." "U hadt mij kunnen schrijven, zoo u het wildet en het noodig achttet." Isabelle was uit het veld geslagen; hij bedelde haar liefde niet, integendeel hij wilde liefst niet met haar te doen hebben. Dit was zijn wraak en wat zou zij hem nu zeggen? Zij verbeelde zich dat zij niet toornig of trotsch meer tegen hem kon spreken, wanneer hij haar slechts een weinig tegemoet kwam, Maar neen! Hoffelijk stijf leidde hij haar voort, en na een oogenblik van pijnlijke stilte vroeg hij: "Welnu dan! Ik wacht!" Daar viel een schot, het sein voor het vuurwerk, en allen stroomden naar het terras. Alfred liet Isabelle niet los, maar ging met haar tot vlak aan de balustrade in een kleine vooruitstekende nis, van waaruit men het gezicht had op den grooten vijver, in welks nabijheid het vuurwerk afgestoken werd. "Welnu dan?" herhaalde hij ernstig koud, met de strenge uitdrukking van een rechter, die de veront
[179:]
schuldiging van den beklaagde afwacht. Zij had moeite zich goed te houden; haar trots was gekrenkt. Zij schaamde zich het meest daarover, dat zij een gesprek had gezocht, waarvan zij het onderwerp niet eens wist. O, ware zij weg geweest van hier, mijlen ver! Ver van zijn oogen, die nu zoo koud en scherp waren, als had nooit een vonk van liefde daarin geflikkerd, ver van zijn stem, die niets meer bezat van die weekheid, waarmede hij eens haar naam had genoemd, van zijn arm die zoo noode den hare vasthield. "Ik wilde u bedanken," stamelde zij eindelijk, verbitterd op zich zelve, dat zij juist nu niet de minste waardigheid meer overhield om hem te antwoorden. "En waarvoor dan, jonkvrouw? We zijn immers quitte?" "Dat zijn we niet," antwoordde zij pijnlijk: "ik ben u nog dank schuldig voor... uwe opoffering!" Hij haalde de schouders op. "U ziet, het was een kleinigheid, een komedie, anders niet, die zelfs voor het oogenblik u niet in de minste onaangenaamheid brengt. Niemand onder dit gezelschap vermoedt dat de gravin de Marcy doodeenvoudig mevrouw Brons heet. U heeft wijs gehandeld; het buitenland is een goede toevlucht voor hen, die in hun vaderland liever niet hun eigen naam dragen." "Keurt u dit af?" "Neen, volstrekt niet! Welk recht zou ik daartoe hebben?" "Welk recht? Voor God en de menschen heeft u tegenover mij alle rechten." "Is u het, die mij daarvan onderricht, mevrouw?" "Het zou overigens geheel overbodig zijn, dat ik het deed, U zelf toont genoeg, dat u er van overtuigd zijt." Alfred dacht dat zij doelde op de zaak, waarover haar vader hem was komen spreken en de verbittering maakte zich geheel van hem meester. "Wanneer ik geheel en al volgens die overtuiging handelde, dan zoudt ge het u misschien bitter beklagen.
[180:]
U weet, het kostte mij maar één woord, om dat geheele gezelschap van meer verbazing en schrik te doen opzien, dan al die sterren, molens en pijlen hun veroorzaken en het gerecht zelf zou mij bijstaan, wanneer ik u in mijn macht wilde hebben." "Ik vrees uw bedreigingen niet," antwoordde zij zoo fier mogelijk. "En terecht. Dien stap zal ik nimmer doen; bij ons laatste onderhond heeft u zich van een zijde doen kennen, die mij, al waart ge ook van koninklijken bloede, het gezelschap van het minste meisje uit het volk ver boven het uwe zou doen verkiezen. Ik zie thans een leven als uw echtgenoot aan voor het grootste ongeluk." Een onderdrukte gil ontsnapte Isabelle's borst; zij voelde zich alle kracht ontzinken en hield met beide handen de balustrade vast. "Waarom u dan mijner aangetrokken? Waarom mij niet overgelaten aan de schande?" vroeg zij met heesche stem. "Ik was een dwaashoofd. Ik had illusiën over schoonheid en adel; ik meende dat zij onafscheidelijk waren van adel des gemoeds. Nu heb ik meer van de wereld gezien en oordeel beter." "Verlangt u uwe vrijheid?" "Ik wacht uwe beslissing. Ik ken uw trots en weet, dat deze u in alle omstandigheden zal steunen en bewaren voor alles wat laag en onedel is. Maar denk niet dat ik op een scheiding aandring; ik bezit wat ik verlang. Mijn arbeid en studie." Een juichkreet ging door het gezelschap; hoog in de lucht zweefde het wapen van het zilveren bruidspaar en daaronder hunne initialen. De tuin was door rood, groen en blauw licht in een vuurzee herschapen; van alle kanten klonken de Vivats en Gloria's ter eere van de beide paren. "Sentimentaliteiten," zeide Alfred spottend, "die komedie heeft mij voor altijd daarvan afkeerig gemaakt." "Isabelle, Isabelle, waar ben je?" riep Valentine's
[181:]
vroolijke stem, "hoe vindt je het? Hebt je het gezien, prachtig, nietwaar? Of neen, ik geloof dat gij beide landgenooten het te druk hebt met uw tulpencultuur. Ge hebt zeker afgesproken, welke soort ge voor 't volgende seizoen in menigte wilt opdoen! Maar kom toch uit dat nisje. Granjac zoekt u als een bezetene; verbeeld u, hij heeft aan mevrouw de Coatmor gezegd dat hij je de schoonste van het geheele gezelschap vond. Hoe beleefd, nietwaar? Kom mee; weet u wel, mijnheer FerBlanc, och, ik bedoel Bronze, dat wij nog een dans hebben?" Isabelle nam Valentine's arm en zonder Alfred te groeten, verwijderde zij zich met een gevoel, alsof er tusschen gisteren en vandaag weer een afgrond lag, en met het bewustzijn, dat zij diep, diep rampzalig was, ofschoon zij op het oogenblik niets voelde dan een leegte, die noch door muziek noch door eenig ander genot te vullen was. Zij kwamen Théodore de Mirécourt tegen en Isabelle sprak hem aan. "Ik kom de gunst opeischen, die u mij beloofd hebt," zeide zij. "Ik zal u antwoorden wat een minister eens tot zijn koningin sprak: Zoo ge mjj iets mogelijks vraagt dan is het gedaan, is het echter onmogelijk dan zal het geschieden." "Welnu, ik houd u aan uw woord. Ge zijt een der helden van het feest; ik ben dezer dagen hoogst zenuwachtig. Om Valentine te believen heb ik mijn rol gespeeld, maar nu kan ik niet meer, ik verlang naar rust. Help mij morgen vroeg heen te gaan zonder opspraak te verwekken." "Freule, dat is niet onmogelijk, maar ongerijmd. Die minister vooronderstelde niet dat de koningin hem een ongerijmdheid zou vragen en ook ik meende dat." "Het zal de wensch wezen mijner tante! Vergeet niet, wat u mij beloofd heeft." "En ik zou met Valentine, met mijn ouders daardoor in onmin komen, freule, dat wil u toch niet?"
[182:]
"Denk aan uwe belofte!" "Moet het dan, freule?" "Ik bid er u om!" Hij zag haar aan, zij zag er afgemat en vermoeid uit onder den lichten glans der bougies; de rozen in hare lokken en op haar borst waren verwelkt evenals hare frischheid en hij begreep dat haar wensch meer dan een gril was. "Morgen om acht uur zal het rijtuig gereed staan. Neem rust freule, zooveel gij verkiest en bedenk dat er hier nog gelegenheid te over zal wezen om feest te vieren." Sosthènes kwam nader en vroeg haar om een dans; zij weigerde echter en zette zich in een hoek neer, waar hij haar met zijn flauwe complimenten vervolgde. Van paarden noch honden sprak hij meer. Alfred en Valentine kwamen voorbij; hoe geheel anders gingen die twee dan zij beiden, een uur geleden; hij kon nog vrij lachen en schertsen, nadat hij haar vernederd had zoo diep als mogelijk was en zij had wellicht gedroomd van een verzoening, een genadig toegestoken hand, die hij met geestdrift aan de lippen zou brengen. Hij zag Sosthènes haar als een schaduw volgen, misschien vertelde Valentine hem wel dat die eer meer den hond dan haar gold, en lachte hij nu daarom. Zou hij haar een echtgenoot gunnen als Sosthènes? Wat belette haar nog den band te verscheuren, die hen beiden zoo drukte? Maar misschien was die ook onbreekbaar en zij ijsde voor het leven, dat haar aangaapte als een bodemlooze afgrond. "Laat me gaan," fluisterde zij, "ik ben ziek!" en zonder haar cavalier den tijd te laten haar te weerhouden, sloop ze weg de gang door naar hare kamer, en daar gekomen wierp zij zich krampachtig snikkend, met het aangezicht in de kussens verborgen, op de sofa neer. Zoo vond haar een half uur later madame Ducombel, die niet wist wat voor witte gedaante daar nederlag. "Kind, je doet me schrikken! Wat is er?"
[183:]
"Tante," snikte zij, "u ziet het! Ik kan geen dans en geen groote gezelschappen verdragen. Ik ben gevlucht. Mijn zenuwen maken mij waanzinnig. Laat me morgen vroeg gaan. Ik bid, ik smeek er u om." De tante zag haar bezorgd aan. "Wat ben je bleek en koud. Heb je geen shawl omgedaan, toen je op het terras gegaan zijt? Neen, geen wonder, maar 't is goed, wij zullen morgen vertrekken. Die drukte heeft mij ook migraine bezorgd."
inhoud | vorige pagina | volgende pagina