Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK X.
Den volgenden morgen zeer vroeg ging Isabelle in het dorp naar de kerk; zij had er behoefte aan in stil gebed te overdenken, wat haar plicht was. Dit behoefde zij niet te vragen, maar hoe die plicht overeen te brengen met haar trots. Doch het gebed schonk haar geen verlichting, want de hoogmoed heerschte nog als onbeperkte meester in haar hart en zij wist door drogredenen de stem van den plicht tot zwijgen te brengen. Bij het naar huis keeren maakte zij een omweg en trad de hut binnen, waarheen de kleine Charlot gisteren gedragen was; zij sprak met de moeder, streelde het kind, overtuigde zich dat zijn toestand bevredigend was en liet een aalmoes achter. Door de zegenwenschen der arme vrouw vergezeld, sloeg zij den weg naar het kasteel in; halfweg ontwaarde zij een mannengestalte, waarin zij dadelijk Alfred herkende. Hem ontwijken viel moeielijk en zij maakte zich gereed hem zwijgend voorbij te gaan, maar zij voelde hoe doodsbleek zij werd en hoe hare knieen knikten; waarom kon zij hem toch niet ontmoeten met hetzelfde onverschillig gevoel als Sosthènes? Hij groette toen hij haar zag, en even stilstaande, zeide hij: "Gravin Isabelle." De spottende toon, dien zij in zijne woorden meende te vinden, deed haar pijn. Zwijgend bleef ze staan en zag hem in het gelaat.
[195:]
"Het spijt me dat onze wegen zich weer gekruist hebben," vervolgde hij, "doch ik zie niet in, waarom wij elkander in het gezelschap van vreemden beschouwen moeten als vijanden. Ik vertrek, wel is waar, heden, maar wie weet hoe spoedig wij weer elkanders gezelschap zullen genieten. Zulk een stijve verhouding onder landgenooten moet opspraak verwekken; laten wij die dus vermijden." "Ik kan geen komedie spelen; ik heb er genoeg van," antwoordde zij mat. "Welnu, 't is mij om het even! Een ontdekking van ons geheim moet u meer vreezen dan ik." Hij nam zijn hoed even af en vervolgde zijn weg naar de hut, die hij zoo pas door Isabelle had zien verlaten. Na het dejeuner reed Alfred weg, na eerst de belofte te hebben ontvangen, dat de familie de Mirécourt met de logée's hem zouden bezoeken, om de mijnen te komen zien. Isabelle meende dat het een verlichting zou zijn, het rijtuig te hooren wegrollen, waarmede hij zich verwijderde; integendeel het was een leegte, die zij voelde, zijn geestvol gelaat en weemoedig oog in 't gezelschap te missen; de gesprekken kwamen haar onbelangrijk en mat voor na zijn vertrek. Gisteravond had hij er met den baron belangrijke gevoerd over politiek, geschiedenis en literatuur, waarbij Sosthènes niets deed dan gapen en haar vragen of zij den mol (hij herhaalde de eigen gevonden aardigheid tot vervelens toe) niet vreeselijk pedant vond. Eenige dagen gingen om en tot haar verwondering merkte Isabelle dat haar tante zeer veel belang stelde in de mijn, waarin door Alfred's uitvinding een nieuw leven was gestort en dus het plan ondersteunde om daaraan een bezoek te brengen; de dag werd vastgesteld en Isabelle wilde, noch durfde thuis blijven; wat de reden was van dit verlangen vermoedde zij misschien zelf niet. Het hinderde haar dat Valentine zoo opge
[196:]
wonden was en haar als een diep geheim mededeelde, dat ze wist hoe de voornaam van den ingenieur was. "Alfred, allerliefst? Juist voor hem geschikt, vindt ge niet?" "Foei wat zijt ge dwaas," riep Isabelle uit en verheugde zich dat haar verblijf bij de Mirécourts ten einde spoedde want zij vond Valentine met haar zoogenaamde naiveteit op den duur recht vervelend. Mevrouw de Mirécourt bleef t'huis, maar mevrouw Ducombel wijde en zou mee; ook Sosthènes, een weinig over Fides' toestand gerust gesteld, besloot het gezelschap de eer van zijn bijzijn te gunnen. Een paar dames uit de nabijheid gaven het verlangen te kennen, mede te gaan en het was dus een vrij groote stoet, die zich naar het station begaf om met den spoortreinnaar R. te vertrekken, van waaruit men met rijtuigen de mijnwerkers hoopte te overvallen. De reis liep naar wensch af; een groote omnibus werd aan het station van R. afgehuurd en na een klein uur rijdens kwam men aan de uitgestrekte lande, waarin zich de mijn bevinden moest. De lande is den Bretagner even dierbaar als den Noord-Duitscher zijn heide en den Hongaar zijn puzta, maar voor hen die de bloeiende, welige oevers der Loire verlieten, kon de kale, dorre, vale vlakte geen andere bekoorlijkheid dan die der nieuwheid bezitten. Het dorpje, in welks nabijheid de mijn gelegen was, zag er armoedig en vervallen uit; verder kon men moeielijk rijden en besloot dus het eindje van een kwartier, dat nog overbleef, te voet af te leggen. De baron gaf den arm aan madame Ducombel, de anderen volgden door elkander; spoedig ontdekte men de hooge schoorsteenen en de huisjes der mijnwerkers, die lang verlaten hadden gestaan maar nu weer bewoond werden; links was een kleine oase in deze miniatuurwoestijn, men zag er boomen, struiken, een soort van ruine, een witte muur met twee vensters, die er nog al modern uitzagen en zich in een meertje spiegelden,
[197:]
dat vroeger wellicht de vijver was geweest, die de wallen van een middeneeuwsch slot omringden. "Daar woont de ingenieur," sprak de gids, die het gezelschap leidde, en allen zagen nieuwsgierig naar het vervallen torentje, dat half tusschen loof en klimop verscholen was. Bij den ingang der mijn gekomen ontving hen de opzichter, die verhaalde dat de ingenieur juist gisteren was met een paar heeren, die gisteren uit Parijs waren aangekomen, doch bij wilde hem gaarne waarschuwen en trok dus aan een groote klok. Ondertusschen bewonderden de meisjes de bedrijvigheid, die hier boven heerschte, het op en neergaan der vrachten kolen, en menigeen rilde bij het zien van den afgrond, die onder hun voeten gaapte. Eenige minuten later rees uit de diepte een ander toestel, waarin Alfred gezeten was; hij begroette zijn bezoekers vroolijk en hartelijk reeds op vijftig ellen onder den grond en sprong toen vlug ter aarde. Hij was geheel in werkmanspak, in een blauwen kiel, een grove pet bedekte zijn verwarde lokken; handen en gelaat droegen sporen van steenkolenvlekken; hij maakte zijn excuses aan de dames over dit toilet, maar Valentine fluisterde Isabelle toe: "Ik heb hem nog nooit zoo mooi gezien als vandaag. Hij ziet er uit als een verkleede prins." Isabelle gaf geen antwoord, doch niet omdat zij met haar vriendin van gevoelen verschilde. "U overvalt mij, mijnheer de baron," sprak Alfred, "'t spijt me zeer, want nu zal ik u niet kunnen ontvangen, zooals het mijn plan was." Hij riep een der mijnwerkers en zond hem met een boodschap heen. "En ge ziet er niet tegen op in den grond af te dalen, u ook niet mevrouw?" en bij richtte zich tot madame Ducombel. "O neen, ik ben zeventig jaar oud geworden, zonder eens te zien, wat er onder onze aardkorst ligt en nu het wellicht spoedig tijd wordt, dat ik er voor goed onder
[198:]
moet liggen, wil ik niet dat het dan voor de eerste maal is." "Foei, mevrouw, laten we hopen, dat de proef nog ver van die treurige gebeurtenis moge verwijderd zijn, maar weten de dames wel waaraan zij zich bloot stellen? U ziet het aan mijn toilet, wat u daar beneden wacht." "Dat schrikt niet af, integendeel," riep Valentine, "ik hoop dat die steenkolen mij ook zoo zullen flatteeren." Een handdruk van Isabelle deed haar zwijgen: niemand scheen het meer oprechte dan gepaste compliment van het enfant terrible gehoord te hebben. "We hebben onze stofmantels meegebracht en doeken voor het hoofd." "Welnu, dames, dan stel ik u voor uwe hoedjes aan de zorg van Yvan, mijn groom, over te laten, hij is oplettend en bezorgd en zal ze in mijn salon neerleggen, waarin gij straks toch allen uw best zult moeten doen een plaatsje te vinden." Dit werd gedaan; de heeren wapenden zich met overjassen, de dames met regenmantels en toen begon de nederdaling, die Sosthènes de opmerking deed maken, dat hij zich verbeeldde in de Opéra te zijn en de Orphée ou la descente aux enfers van Offenbach mee te maken. "Was Fides maar hier, mijnheer Sosthènes, dan hadden we een mooien Cerbère. Mijnheer Hronze is Pluto en Proserpine!" "Gelooft u niet," fluisterde Granjac Isabelle toe, "dat freule de Mirécourt gaarne de rol van Proserpine zou willen vervullen bij dezen Pluto?" "Ik denk het niet," was het koele antwoord. "Omdat zij van adel is? Niet ieder heeft zulke hooge denkbeelden als u. Valentine heeft iets roturièreachtigs over zich, dat zegt mama altijd, maar u is op en top de groote dame. Ik haat mésalliances en veracht hen, die ze doen." "U vergeet, mijnheer, dat ook mijn tante zich daaraan bezondigd heeft, en niemand heeft, geloof ik, het recht haar niet hoog te achten."
[199:]
"Pardon... ik wist niet... dat is zoo lang geleden," stamelde de jonker, heel uit het veld geslagen. "U zal beneden een kennis aantreffen, mevrouw," sprak Alfred tegen mevrouw Ducombel, "den professer Breval uit Parijs, die met, een collega van hem mij ook een bezoek brengt:" "Zoo, dat doet me plezier, heel veel plezier." Men kwam in twee of drie afdeelingen beneden; mijnwerkers met hunne lampen, ook naar een nieuwe uitvinding van Alfred ingericht, leidden hen den weg door de gangen der oude mijn; spoedig troffen ze de Parijsche heeren en zetten den tocht voort naar het nieuw aangelegde gedeelte. Isabelle begon hoe langer hoe meer eerbied voor Alfred's kennis te koesteren, terwijl hij allerlei wetenschappelijke bijzonderheden in vloeiend Fransch aan de geleerde heeren en den baron mededeelde. Sosthènes vond het afschuwelijk vervelend; hij stelde het meest belang in den paardenstal en beklaagde van harte de arme dieren, die veroordeeld waren hun leven onder den grond door te brengen. Eens, terwijl men een vonkelnieuwe gang moest doortrekken, struikelde Isabelle even; Alfred, die juist aan het uitleggen was, stond bijna naast haar. Hij strekte onwillekeurig de hand naar haar uit en vroeg toen in het hollandsch of zij zich niet bezeerd had, op een toon, zoo belangstellend teeder, dat Isabelle plotseling iets voelde, wat, haar nog nooit was overkomen, een gevoel van zaligheid, dat echter slechts voor een seconde haar ziel doortintelde, want dadelijk dacht zij aan zijn woorden: "We moeten in tegenwoordigheid van anderen ons niet als vijanden gedragen." "Dank u, mij scheelt niets," gaf zij ijskoud ten antwoord. Hij zette zijn uitlegging voort, schertste met Valentine en de andere dames, maar voor haar had hij geen blik meer over en de arme Isabelle voelde zich hoe langer hoe eenzamer; de ijzingwekkende duisternis rondom haar
[200:]
scheen een beeld van haar toekomstig leven; waren er nog lampen, die er ee.nig licht in wierpen, maar ach! wanneer de brandstof ontbrak, wanneer ze uitgedoofd waren, wat dan? "Nu geloof ik dat we genoeg gedwaald hebben," zeide Alfred, "het voornaamste heeft u gezien en ik vrees, dat alles wat nog volgt u slechts verveling zal aanbrengen. Laten we dus terugkeeren tot het licht." Men maakte geen tegenwerpingen, integendeel. Ieder was verheugd die duisternis te verlaten en naar boven terug te keeren, waar de zon vriendelijk scheen. "O, wat is de lande nu mooi, en zooeven vond ik haar afschuwelijk," juichte Valentine met kinderlijke blijdschap, toen zij weer boven gekomen waren. Alfred lachte haar vriendelijk toe en zeide: "Dat gevoel heb ik elken dag; dat is nu het voorrecht van hen, die soms datgene moeten missen, wat ze niet meer bewonderen, daar zij het steeds voor oogen hebben." "Vindt je de aarde dan nog mooi, Brons," vroeg Sosthènes, "me dunkt dat je niets anders bewonderen kunt dan al die steenkolen gangen en vuile trappen." En met een diepen zucht van weemoed zag hij naar zijn fijne lichtgrijze overjas en keurige schoenen, die zich niet te verheugen hadden over hun onderaardsche reis. Valentine gierde het uit van 't lachen en Alfred beloofde hem een borstel en wat hij verder noodig had. "Ziet u er nu van af, truffel-ingenieur te worden?" vroeg Isabelle glimlachend. "Truffel-ingenieur, wat is dat?" vroeg Valentine onstuimig. "Iets waarvoor mijnheer Sosthènes plan heeft te studeeren." "De duivel hale alle ingenieurs," mompelde hij geërgerd, doch het baatte hem niets; den geheelen dag was hij met dien spotnaam geteekend.
inhoud | vorige pagina | volgende pagina