Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
[165:]
HOOFDSTUK VII.
Eindelijk was de lang verwachte dag aangebroken. Valentine had eene onbeschrijfelijke drukte, welke zij aan allen, die haar te na kwamen, mededeelde. Het programma door haar vastgesteld, bevatte verscheidene nommers: de fancy fair, het concert, het diner, daarna bal en eindelijk vuurwerk; dat was voor den eigenlijken dag van het feest, maar daarop zon het nafeest volgen, waartoe een roeitochtje behoorde op de Loire, eenige tableaux vivants, een wedren in eene groote weide, dien Sosthènes de Granjac grootendeels voor zijne rekening nam, een piqne-niqne en wat al niet meer. Isabelle was niet te bewegen geweest om iets meer te doen dan het honden van een kraampje met bloemen in de fancy-fair; zij wilde niet meezingen en geene rol op zich nemen in de tableaux vivants; ook weigerde zij aanvankelijk te dansen, waarom de Granjac en de jonge Mirécourt haar vroegen, maar eindelijk de ontevredenheid harer tante bemerkende, gaf zij toe en betreurde meer dan ooit het gewoel der wereld, waarin zij meende niet meer te behooren door haar zonderlinge positie in de maatschappij. Doch hoe grooter de beweging rondom haar was, hoe vroolijker men praatte en lachte, hoe meer het gevoel der jeugd in haar wakker werd; zij verloor allengs meer - en meer het bewustzijn van haar toestand en de herinnering aan het verleden scheen haar eindelijk flauw en onbeduidend toe. Reeds daags te voren reden de bewoonsters van la Combelière naar Beansoleil, het landgoed der Mirécourts. Valentine had dien dag alle mogelijke weerprofeten geraadpleegd; de barometer ontving elk uur een blik van haar, zij luisterde naar de kikvorschen, naar het geschreeuw van den pauw, zij lette op zonsondergang en vroeg naar ieder, dien zij maar tegenkwam, of zulk rood
[166:]
als dat zich nu aan den horizon vertoonde, een mooien dag voorspelde. De volgende morgen verrees in volle pracht en glans en werd door het gelukkige kind met blij gejubel begroet. De gasten kwamen allengs aan en Valentine trachtte zich zoo deftig mogelijk te gedragen als dochter des huizes. "Ze zijn er allen behalve mijnheer en mevrouw de Saint-Méry,"zeide de gastheer tot zijne vrouw, en de douairière de Granjac, die alles met zekere minachting beschouwde, moest toch bekennen, dat deze familie er wel slag van had hare gasten te ontvangen. Het dejeuner, waarna de fancy fair zou plaats hebben, begon; Valentine fluisterde Isabelle toe: "Wij moeten tegen dat het half geëindigd is, opstaan om ons te verkleeden. Heb je honger? Ik niet." Isabelle stelde haar vriendin gerust en beloofde haar te gehoorzamen, zoodra zij het sein gaf van zich te verwijderen. "Je zult allerliefst wezen als bloemenmeisje. Ik verlang zoo je te zien! Adieu, Isabelle; ach, dat vervelende dejeuner!" En elk ging naar de haar aangewezen plaats; toevallig, misschien wel door het arrangement van Valentine, kwam Isabelle tusschen den chevalier de Granjac en een ouden heer te zitten; terwijl Valentine zich aan het andere einde der tafel had neergezet, van waaruit zij onophoudelijk met van vroolijkheid schitterende oogen haar vriendin toewenkte en toelachte. De Granjac begon Isabelle de maatregelen uit te leggen die hij genomen had voor den wedren; hij verhaalde haar dat hij de volgende week zijn geluk in Longchamps ging beproeven en toen hij bemerkte, dat zijn buurvrouw niet het minste verstand had van dit onderwerp, begon hij haar breedvoerig de geheimen der courses uit te leggen, waarnaar Isabelle met meer schijnbare dan wezenlijke belangstelling luisterde. De vroolijkste stemming heerschte aan het maal. Hoe
[167:]
kon het ook anders? De gastheer en zijn vrouw zagen er gelukkig uit en schenen geen berouw te hebben over de daad, die zij vóór een kwart eeuw hadden voltrokken; het jonge paar spiegelde zich blijkbaar aan de ouders en was dus vol hoop voor de toekomst; de gasten zaten in een aangenaam tuinvertrek aan de tafel, schitterend van zilverwerk en porcelein, overladen met bloemen, smakelijke gerechten en fijne wijnen. Waarlijk, men kon met minder tevreden zijn en beklaagde de achterblijvers, wier ledige plaatsen in den fraaien kring ontbraken. Na het tweede gerecht echter hoorde men het rollen van een rijtuig; de zuster van mevrouw de Mirécourt, die in plaats van de ziekelijke gastvrouw de eer van het huis ophield, stond op met den tweeden zoon, om de gasten te ontvangen, en Isabelle vroeg, daar haar buurman zweeg en den draad van zijn verhaal verloren scheen te hebben, of die Saint Méry's van verre kwamen. "Zooals u het noemen wil, ze komen uit Bretagne, een paar uren boven Rennes; mijnheer is industrieel, hij heeft een groote fabriek; ik heb eens een prachtig race-paard van hem gekocht." De gasten kwamen binnen, er waren er drie; Isabelle zat zoover van de hun bestemde plaatsen af, dat zij evenmin als de haar omringenden, zich aan hun bijzijn behoefde te storen. De jubilarissen werden begroet, toen maakte men plaats; een oogenblik later, toen zij gezeten waren, ging het dejeuner zijn gang, zonder dat Isabelle, die hier toch al geheel tusschen onbekenden zat, het de moeite waard had geacht, de nieuw aangekomenen op te nemen. Daarbij, de Granjac vroeg al haar aandacht voor het verhaal van een zijner weddenschappen; eensklaps herinnerde zij zich hare belofte aan Valentine en boog zich voorover om te zien of deze reeds bezig was met seinen. Als door een electrieken schok gedreven; trok zij zich terug en bedekte het gelaat met den zakdoek; niemand lette op haar. De Granjac was te druk bezig met zijn duivenpastei; haar vis-à-vis lachten en schertsten met elkander, een oogenblik later waagde Isabelle
[168:]
nogmaals een steelschen blik naar dien kant. Geen twijfel meer, Valentine zat te lachen met iemand naast haar, die zooeven niet in de feestzaal was en op haar den indruk maakte, of hij een uit den dood verrezene was. Dat gelaat, het had te dikwijls nacht en dag voor haar gestaan; als een boos vizioen had zij het zoeken te verdrijven en nog nooit was het haar zoo gelukt als in deze laatste dagen en nu verscheen hij werkelijk voor haar; nu kwam hij om zijn rechten op haar te doen gelden en het was haar of zij vluchten moest, onmiddellijk ver van hier. "Is dat monsieur de Saint-Méry?" vroeg zij aan Granjac. "Die daar naast Valentine zit? Neen, die is met hen meegekomen, maar ik ken hem niet." Isabelle dronk haar glas water leeg, hare handen beefden, hare oogen werden dof, al het vroolijke praten en lachen scheen haar een verward gegons; toen er zacht op haar schouder werd getikt, sprong zij op als door een doodelijken schrik getroffen. "Wat ben je verdiept? Heeft Sosthènes u zoo in extase gebracht? Kom, spoedig! 't is hoog tijd." Isabelle stond op en volgde haar vriendin, bij de deur wierp zij nogmaals een blik naar de zijde waar het schrikbeeld haar getroffen had. Daar ontmoetten haar oogen de zijne, maar deze waren kalm, rustig, koud. Herkende hij haar niet of wilde hij onbekend blijven? Een oogenblik later, toen zij buiten gekomen waren, duwde Valentine haar luid lachend voort: "Wat scheelt je toch? Hebben Sosthènes wedrennen je meegesleept en duizelig gemaakt? Je bent bleek als een doode; betreurt ge zijn gezelschap? Treur niet, lieve meid, er worden booze plannen gesmeed! Maar Sosthènes wankelt nog. Isabelle aan den eenen kant, en Fides aan den andere; wacht, ik zal de schaal laten overbellen. O, het zal kostelijk zijn, kostelijk!" "Dwaze meid, laat me los! Ik geloof dat je cavalier je zoo heeft betooverd. Wie was dat?"
[169:]
Later begreep Isabelle niet hoe zij een lossen, schertsenden toon op dat oogenblik had kunnen aanslaan. "Een knappe jongen, hé? Naar mijn smaak de beste uit het gezelschap, een logé van de Saint Méry's, een studievriend van mijnheer. 't Is waar ook, ik zou zijn grootste recht op je belangstelling nog vergeten. Hij is Hollander!" "Zoo, heeft hij je dat verteld?" "Ik geloof het wel; maar 't doet er niet toe. Ik was zoo blij toen ik hoorde, dat je hier een landgenoot zoudt aantreffen." "Hebt je hem dan iets verteld van mij?" Valentine was te vol over haar toilet en pretjes om op de veranderingen te letten, die het gelaat harer vriendin onderging. "Ach, Isabelle, maak toch voort met je toilet. Dadelijk komen Armelle, Stephanie en mevrouw Pohanec, en wij zijn nog niet klaar. Of ik hem over je gesproken heb? Wel zeker, ik heb je aan hem gewezen en beloofd, dat ik hem straks aan je zou voorstellen op zijn Engelsch." "Weet je zijn naam niet?" "Bronze of zoowat ander metaalachtigs! Hij praat veel en is recht vroolijk. Ik heb hem verhaald dat Granjac je het hof maakte en dat hij zich erg haasten moest zijn titel van landgenoot te doen gelden bij je." "Maar, Valentine, dat is ongepast! Zeer ongepast!" Het meisje gierde het uit van lachen. "Meent ge dat ik het werkelijk heb gezegd? Wel neen, mijn dierbaar schatje, daar is geen woord van waar! En nu, wat ik je bidden mag, begin met je toilet, en dan naar de kraampjes. Jij en ik zijn de eenigen, die ons verkleeden moeten." Isabelle trad schier wezenloos in het vertrek, dat zij met hare tante had betrokken; op de canapé lag het witte gewaad, dat zij als bloemenmeisje moest dragen. Zij rilde bij de gedachte, hoe dezen morgen dat genoegen,haar nog van eenige waarde had toegeschenen. Nu was over alles een sluier nedergedaald en zij voelde voor
[170:]
het eerst sinds langen tijd hoe diep ongelukkig zij was. Een dof gevoel van ergernis en toorn maakte zich van hare ziel meester; waarom had die man rechten op haar; die zoon van haar vaders schoenpoetser, waarom moest zijn aanblik haar het geluk en den vrede ontrooven...? "Mijn man! Die jongen zonder adel; zonder titels, zonder naam! Hij ook de gast van den baron de Mirécourt! Wist hij dat ik hier was? Dan deed hij 't om mij te straffen, mij te vernederen." En in machtelooze woede trapte haar voetje op het tapijt; zij was neergevallen op een fauteuil en dezelfde toorn, welke haar op den morgen der begrafenis van de oude douairière had bezield, vervulde haar weer geheel. Ware Alfred op dit oogenblik voor haar verschenen, zij had hem dezelfde verwijten naar het hoofd geslingerd als toen. Er werd geklopt en zij, aan het onmogelijke denkende, riep met van ingehouden verontwaardiging trillende stem binnen. Het was Miette, Valentine's kamenier. "De freule laat u vragen, of u haast gereed zijt?" sprak het meisje. "Zooals ge ziet, ik ben niets verder," antwoordde Isabelle met een gemaakten lach. Toen rees de wensch in hare ziel op, om voor hem te verschijnen, schoon, bewonderd en gevierd. Zij wilde hem toonen, wat zij moest opgeven omdat hij haar bemind had; en dadelijk ging zij voort: "Ik kan er zelf niet mee terecht. Daar zijn de bloemen, daar is mijn toilet. Maak mij zoo mooi als ge kunt." Dit was niet tot een doove gezegd: Miette's bekwame vingers wisten de bloemen zoo smaakvol aan te brengen, het witte kleed zoo te doen vallen, dat Valentine, die een oogenblik later binnentrad, in geestdrift uitriep: "Wat ben je mooi, zoo echt poetisch! De koningin van het feest en der bloemen; ik moet je mijn hulde brengen." Zij boog de knie en kuste Isabelle's vingertoppen. Valentine had een allerliefst kostuum aan, dat eenigszins aan dat van een page herinnerde.
[171:]
"En wat zegt ge van mij?" "Er ontbreekt maar een kleinigheid aan om van je een allerliefst jongentje te maken:.." "Mama wilde het niet hebben, anders had ik het stellig gedaan. Weet je al wat ik verkoop?" "Neen, nog niet." "Jij zult het straks zien en nu maar spoedig naar beneden, de anderen zullen wel volgen." De kraampjes, waarin de koopvrouwen hare plaatsen gingen nemen, stonden aan weerszijden in de oranjerie, die op een groen perk uitzicht gaf, terwijl de andere serre, die tegenover lag, was ingericht voor het concert. Onder luid gelach en gescherts namen de jonge dames bezit van hare winkeltjes. Isabelle zat tusschen de bloemen als een ware bloemenkoningin; witte rozen versierden haar borst, terwijl een paar fijne theeroosjes tusschen hare blonde lokken waren gestoken. Valentine's kraampje was nog gesloten en wekte juist daarom de nieuwsgierigheid der andere dames nog meer op. Spoedig kwamen de gasten, die niets vermoedden van hetgeen hun in de serres wachtte; de muziek speelde en de meisjes begonnen haar waren aan te prijzen. Men betaalde echter slechts met bloemen en bonbons, want Valentine's vader had het plan zijner dochter, om er een weldadig doel aan te verbinden, minder geschikt geacht voor een feest, waarop niemand anders kwamen dan gasten, die aan twee voor zijne familie gelukkige gebeurtenissen deelnamen. "Charmant! Charmant!" zei de chevalier de Granjac, terwijl, hij de kraampjes met hun bekoorlijken inhoud bekeek, en zich tot Théodore de Mirécourt wendend, vroeg hij: "Gaat het u ook als mij, baron, ik zie niets liever dan een mooie vrouwen een prachtig paard?" Théodore, die zijn bruid aan den arm hield, wier schoonheid op verre na niet onbetwistbaar was, antwoordde ontwijkend, dat dit wel voor den smaak van Sosthènes pleitte, maar dat hij de schoonheid ook wel in andere voorwerpen even gaarne bewonderde.
[172:]
"Bijvoorbeeld deze bloemen, nietwaar, Clara, hoe zouden we die niet bewonderen? Freule Isabelle, hoeveel vraagt ge voor dit bouquet?" "Een gunst, later zal ik u zeggen, welke," antwoordde Isabelle, met meer ernst in haar toon dan op dit oogenblik paste. "Van te voren beloof ik u die in zijn naam," antwoordde het bruidje en nam de rozen uit Théodore's hand aan, terwijl zij zacht bloosde bij het hooren der zoete woorden, welke hij haar toefluisterde. De meeste gasten bleven echter voor Valentine's kraam staan en de belangstelling was hoog gespannen. Eindelijk ging het gordijn op en zij vertoonde zich in haar groen jagerspakje, omringd door herten koppen, reevellen en opgezette hazen, tronend op een verhevenheid met Fidès aan hare voeten. "Ge zult weinig aftrek hebben," zeiden haar broers lachend, "de jachttijd is nog verre." "Ik houd een loterij; beproeft uw geluk, heeren, maar uwe loten moet gij geven aan een dame uwer keuze. Er is slechts éen prijs, doch een groote, kostbare prijs en een surprise bovendien. Neemt, neemt, hier zijn mijn biljetten; jonge dames alleen en heeren, die hun prijs willen afstaan aan een dame vooruit bepaald. Ik wil geen bonbons maar slechts goede, klinkende munt voor de arme overstroomden ginds aan de Loire. Komt en neemt!" "Jonkvrouw Valentine is u dat ernst," vroeg Sosthènes, begeerige blikken werpende op den prachtigen Fides. "Zeker, ik verloot mijn hond, maar voor werkelijke franken. Vijftig frank het lot." "Foei, wat is dat kind slecht opgevoed," sprak mevrouw Granjac tot madame Ducombel, die hartelijk om de grap lachte. "En mag ik zelf geen lot nemen?" vroeg Sosthènes. De heer Mirécourt schudde het hoofd, maar kon niet boos worden op zijn dochter; toch was hij inwendig
[173:]
ongerust, want hij vreesde dat die aardigheid van Valentine te ver zou gaan. "Neen, Fides is altijd het eigendom van een jonge dame geweest en hij zal het ook blijven. Komt en neemt! Spoedig of ze zijn weg!" In een oogwenk waren Valentine's biljetten verkocht en zij ging over tot het trekken. Allen waren om haar kraampje verzameld, de anderen stonden verlaten. Isabelle stak het hoofd uit hare blocmen en zocht de lange gestalte van Alfred tusschen al degenen, die rondom Valentine stonden. Zij zag hem echter niet; links en rechts van haar werd gemord. "We zijn wel dwaas geweest ons met deze komedie in te laten. Zij speelt de hoofdrol, wij dienen alleen voor figuranten." Toen kwamen er verscheidene heeren en boden de dames loterij biljetten aan. Isabelle ontving er zes, waaronder een van Granjac. De trekking begon onder doodsche stilte; twee jonge dames trokken de nummers en telkens hoorde men blank. Eindelijk No. 20:- Fides. "Die was van mij," riep de baron de Beauchamps. In een oogwenk snelden allen naar de gelukkige winster. Valentine daalde van haar troon met den zoo spoedig beroemd geworden Fides, gaf het dier een gesloten enveloppe in den bek en liet hem apporteeren naar Isabelle. Glimlachend streelde zij hem over den ruigen kop, nam de enveloppe en haalde er een kaartje uit, waarop een groote hand was geteekend, behoorlijk gehandschoend en den knop van een karwats omvattend, daaronder stond: "La main de haut et puissant Seigneur: Sosthènes; Marie, François, Chevalier de Granjac Kervanec, paron. de Ferrières, etc. etc. Isabelle bloosde, verborg het kaartje en gaf Valentine, die met van ondeugd schitterende oogen haar nieuwsgierig aanzag, door een wenk haar afkeuring te kennen.
[174:]
"En nu vertrouw ik Fidès voorloopig aan uwe goede zorgen, Valentine; later zal ik u zeggen, hoe ik over hem beschik." Meer kon zij niet zeggen, want vlak naast haar, half geleund op een der stijlen van het kraampje stond Alfred; hij zag haar echter niet aan. Valentine fluisterde hem toe: "Zal ik u thans voorstellen?" "Als u het oogenblik geschikt vindt." "Isabelle, uw landgenoot mijnheer Bronze, niet waar?" "Jonkvrouw de Marcy! En spreek als 't u belieft geen chineesch met elkander." Zij bogen als hadden ze elkander voor dit uur nog niet eerder gezien en Alfred een ruiker rozen opnemend, vroeg er den prijs van. "Niets, daar ge mijn landgenoot zijt." "Ik wil niets onbetaald," was zijn antwoord, altijd nog in het fransch. "Een gesprek met u nog heden," zeide zij nu in het hollandsch. "Het zal zoo wezen!" en de rozen opnemend, bood hij ze Valentine aan. "Wat is er toch tusschen u beslist? Ge kent elkaar nog geen minuut en reeds hebt ge voor mij geheimen, of zijt ge mekaar niet vreemd? Geeft ge mij rozen? Ik ben moe van rozen. Zie daar heerlijke viooltjes liggen, die bevallen mij beter." "Ik haat de viooltjes; vroeger waren ze mijn lievelingsbloemen, maar nu veracht ik ze." Isabelle beet zich op de lippen; zij dacht aan den avond harer verloving en aan het "Veilchen" van Mozart. "Hebt ge dan in Holland ook bloemen?" vroeg Valentine, doch wachtte niet op antwoord; het ooncert begon, de Granjac bood Isabelle den arm, terwijl Alfred zich met Valentine verwijderde, Onder het concert luisterde freule de Marcy niet naar het zoutelooze gesprek van Sosthènes, die haar van ganscher harte benijdde om het bezit van Fidès en naar
[175:]
anderen die haar met complimenten overlaadden; zij dacht slechts aan het verledene en de toekomst. Nu eens stelde zij zich voor geheel en al vrij in dit gezelschap, waar zij bewonderd en omringd was, hier waar zij haar gelijk'en in geboorte zoo gemakkelijk kon vinden, dan weer - en zij rilde - verbeeldde zij zich, dat er een boosaardige geest dooz: de zaal zweefde en overal fluisterde: "Weet ge wie de nicht is van mevrouw Ducombe, die gij zoo viert? Haar vader is tot tien jaren tuchthuisstraf veroordeeld wegens valschheid in geschrift." Het koude zweet parelde op haar voorhoofd. Goddank, het was niet waar, doch aan wien had zij het te danken? Aan hem, dien zij als een vijand beschouwde en behandelde. Van dit oogenblik week de boosaardige lust om in zijn oog te schitteren en bewonderd te worden; zij zag naar hem, de oudsten en deftigsten van het gezelschap stonden hem te woord en de jongste baron de Mirécourt fluisterde haar toe: "Weet ge wel dat ge trotsch moogt zijn op dien landgenoot van u? Hij is reeds een beroemd man; weldra zal hij met het Legioen van Eer versierd worden. Hij heeft een uitvinding gedaan, waarvan men nog lang zal spreken." "Ik heb geen verstand van zulke geleerde dingen," antwoordde Isabelle koel. "Evenals ik! Ach wat doet het mij genoegen iemand te ontmoeten, die er even zoo over denkt als ik en den moed heeft het te zeggen," beaamde Sosthènes. Onwillekeurig voelde Isabelle zich ontevreden en gekwetst. Even hoog staan als de paardengek,die nu niet meer naar Valentine omkeek, en haar als een schaduw volgde, omdat zij Fides bezat; wat zou Alfred laag neerzien op den mededinger, die over niets roemen kon dan over zijn naam.
inhoud | vorige pagina | volgende pagina