doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


HOOFDSTUK VI.

Den volgenden morgen kwam er weer een rijtuig voor La Combelière stilstaan.
Een oude dame en een jong mensch stapten er uit.

[158:]

De ontmoeting tusschen haar en mevrouw Ducombel was heel hartelijk. Toen werden de gasten voorgesteld aan het nieuwe nichtje als de douairière de Granjac en haar zoon Sosthènes. Isabelle herinnerde zich het,verhaal van Valentine en nam den bezoeker aandachtig op.
Zeer veel moeite kostte het niet om zich over den jongen chevalier een juist begrip te vormen.
Zijn gelaat was bleek, onbeduidend, zijn schaarsche vlasblonde haren glad achter zijn oorengestreken en zijn flauwe oogen, waaraan een gouden lorgnet nog eenige belangwekkendheid wilde bijzetten, gaven hem iets in zijn voorkomen, dat tegelijk aan een schaap en een witte kat deed denken. Zijn toilet echter was zoo onberispelijk, van de toppen zijner gemsleeren handschoenen tot aan de punten van zijn nauwe schoentjes,dat men er het gelaat om vergat; een rijke dosis van fijne parfums hulde hem in een geurige reuk wolk. Wie zou dan nog zoo veeleischend zijn om van den eleganten jonker zulke kleinigheden te vragen als een gelaatsuitdrukking vol verstand of wel een geestig onderhoud?
Zijne mama, die veel jonger was dan mevrouw Ducombel, had veel meer geest en leven in hare oogen en trekken; met een blik had zij Isabelle gezien en gewaardeerd.
Zij hield haar hand even in de hare, maakte bij zichzelf de opmerking dat deze aan aristocratische fijnheid niets te wenschen overliet, kneep haar oogen toe om beter den teint van het meisje te beoordeelen en toen, half luid hare meening uitsprekend:
"Bon, bon! C'est très bien! Een kleindochter van de Vicomtesse de Marcy Granville! die zijn ons nog geparenteerd evenals gij, ma pauvre Isaure! Hoe vreemd, we zijn blond om het andere geslacht. Zie mijn Sosthenes eens, hoe licht van complexie hij is? Ze hebben wel den familietrek, vindt ge niet?"
"Lieve Anais, dat zullen uwe jonge oogen eerder zien dan ik. Och ik ben een oude vrouw, zwak van gezicht, en merk er niets van!"

[159:]

De chevalier knoopte intusschen met Isabelle een gesprek aan, en nog geen vijf minuten later wist zij precies hoeveel rijpaarden in de stallen van Granjac stonden en hoe de arme Sosthènes dezen winter een zwaar verlies had geleden door den dood van zijn geliefden hond Souris.
Isahelle, het gesprek op Valentine de Mirécourt zoekende te brengen, zeide dat ze gisteren in de gelegenheid was geweest om de rijkunst van het jonge meisje te bewonderen.
Er kwam iets levendigers in de oogen van den jonker; hij zag eerst schuinsch naar zijn mama en trok den mond tot een glimlach.
"Ja, die rijdt goed! Prachtig, u moet haar te paard zien! Een echte amazone, en zij heeft een hond, zoo'n groot dier! Ja, een mooi meisje."
"Wat bewondert hij meer," dacht Isabelle, "het meisje of haar dieren?"
Maar mevrouw de Granjac had tot haar ergernis de lofrede van haar zoon gehoord.
"Hij is door die Mirécourts bezeten," zeide zij met eene vrij sterk uitgedrukte minachting in de stem. "Gisteren is Sosthènes er weer geweest. Die Valentine vooral is een slecht opgevoed meisje, dat niets weet en niets kan."
"Zeg dat niet, mama! U heeft haar nooit te paard gezien. In Parijs heb ik de voornaamste ecuyères bewonderd, maar zeer weinige gezien die in haar schaduw kunnen staan."
"Bah! Welk een dubbelzinnig compliment! Rijdt u ook te paard, mijn lieve Isabelle?"
"Ik deed het in jaren niet, mevrouw!"
"Hoe is 't mogelijk? Het edelste genot te versmaden. Zal ik het met u doen?"
"Later spreken we er van, mijn beste Sosthènes! Bedenk dat gij en de freule elkander vandaag voor het eerst ziet. De zomer begint nog pas en zal lang genoeg duren, niet waar Isaure, om onze vriendschappelijke betrekkingen voort te zetten?"

[160:]

Het bezoek duurde langer dan dat van gisteren; de beide dames hadden elkander veel te vertellen. Isabelle bladerde een album van Italie door en daar zij wist dat Sosthènes den winter in Napels had doorgebracht, vroeg zij hem naar nadere bijzonderheden over kunst en cultuur, maar hij ontweek die vragen en verklaarde enkel dat de paarden er verschrikkelijk klein waren en dat Zwitserland alleen een bezoek waard was om den St. Bernard, waar men de eenige echte honden van dien naam nog kon vinden.
"Foei, wat is dat een mislukte keizerlijke stalmeester!" riep zij uit toen moeder en zoon vertrokken waren. "Hoe jammer dat Frankrijk zijn hof over de grenzen heeft gezonden. Beter exemplaar voor die betrekrlg was niet te vinden."
"Een treurige stamhouder voor een oud geslacht. Hij bezit zijn naam en meer niet, want wat beteekent het fortuin der Granjacs vergeleken bij die kolossale burgerfortuinen, waarvan men tegenwoordig hoort? Sosthenes schijnt het op Valantine begrepen te hebben."
"Wel neen, tante, op haar grooten hond!"
"Ja, dien brengt ze mee als bruidsschat natuurlijk, maar zijn mama is niets op die kennismaking gesteld. Ik zag steeds aan haar manieren wat ze wilde; maar lieve Isabelle, al schittert zijn titel u nog zoo in de oogen, dat ge door dien glans verblind zijn schapentronie vergeet, van mij krijgt ge de toestemming niet gemakkek, hoor! Die Sosthènes is het type van een geslacht dat eindigt."
Isabelle verzekerde lachend dat haar oogen nog volstrekt niet verblind waren en zij voor het oogenblik genoeg had In de verzameling van verschillende dieren, waaraan zij door het gelaat en de gesprekken van den chevalier onophoudelijk werd herinnerd.
"En nu moeten wij aan onze contra-visites denken. De Mirécourts gaan vooraf. Wat dunkt u van morgen?"
"Is dat niet te gauw?"

[161:]

"Stel dan overmorgen, lieve kind!"
"Hoever moeten we rijden?"
"Een uur, Valentine doet het in minder tijd. Of de douairière ook met u ingenomen is; zij vroeg me of ik in die rijlessen iets ongepasts zag. Haar nicht Blanche, een oude jonge juffer, die nog rijdt, zou gaarne dienst doen als chaperon!"
"Ik dank u! Hoe gaarne ik ook zou willen leeren rijden," met een schaap doe ik het niet!"
Het bezoek bij de Mirécourts was Isabelle niet onaangenaam. Mevrouw scheen een zwak vrouwtje, die aan een ziekte leed, welke voor een kwart werkelijk, voor drie kwart slechts in de verbeelding bestond, mijnheer was een joviale, flinke man, die voor alles zijn dochter aanbad en om elk harer uitvallen bartelijk lachte; de zoons waren afwezig.
Valentine was er trotsch op, Isabelle alles te laten zien; de broeikasten, den engelschen tuin, de bibliotheek, maar voor alles de stallen.
Ook de prachtige hond, Fides, waarover Sosthènes de Granjac zoo vol geestdrift verhaalde, werd ter eere van Isabelle losgelaten en volgde de meisjes gedwee als een lam.
"Ik ken hem van reputatie," zeide Isabelle glimlachend.
"Door den chevalier zeker? Weet ge wat ik bedacht heb? Ik zal Sosthènes vragen wat bij liever heeft een lok van mijn haar of mijn hond? Ge weet we houden fancy-fair voor de arme landbouwers, die dezen winter veel hebben geleden door de overstroomingen der Loire! Verbeeld u als ik Fides verkocht voor 10,000 francs? Wat zou die goede pastoor blij zijn."
"Wilt ge hem dan zoo gaarne kwijt zijn?"
"Ik houd meer van mijn kleinen Emir, ge zult hem straks zien, dat is een hazewindje; ik heb een manteltje voor hem gemaakt van blauw fluweel en geborduurd met paarlen. Och, dat staat hem zoo lief! Ik kreeg Emir half dood van een zeekapitein, die schipbreuk had geleden,

[162:]

en wien het arme diertje na was gezwommen toen zijn meester zich in een schuit trachtte te redden en nu is het diertje zoo aardig en lief geworden, liever dan menig mensch."
"Is 't een klein beestje?"
"Ja en daarom mag ik het zoo graag. Sedert ik hem heb geef ik niets meer om Fides; met dien grooten Fides, kan ik niet spelen of hij een popje was. Ik kan hem niet aankleeden, op mijn schoot nemen zooals Emir. Maar dan heb ik nog een zeer belangrijke reden, om hem aan Sosthènès te verkoopen, doch die zeg ik u vooreerst niet. Eerst later, als ik u beter ken."
Miss Schaduw kwam haar leerling waarschuwen, dat het tijd was voor de les, doch zij trok zulk een pruilend gezichtje en volgde zoo schoorvoetend haar meesteres, dat Isabelle deze van harte beklaagde, om het lastige uurtje dat zij ging doorbrengen.
Het duurde echter niet lang, triomfeerend kwam Valentine terug!
"Papa heeft gezegd, dat ik voor dezen keer vrij ben en u gezelschap mag houden; ik heb ook zoo veel voorbereidselen tot het groote feest en u moet me helpen: u heeft zooveel smaak, dat zie ik aan uw kleeding en aan uwe handelingen."
"Mijn handelingen?"
"Ja, dat ge uw vaderland verlaat voor la belle France, dat vind ik een groot bewijs voor uw smaak en daarom sta ik u gaarne het versieren af van onze serre, waar de fancy-fair zal plaats hebben."
Het kind was zoo vol van het feest, dat Isabelle moeite had om het gesprek op iets anders te brengen.
"Weet ge wel,' zeide zij, "dat het lang niet zeker is, dat we op uw feest zullen komen?"
"En waarom niet? Als dat zoo was, zou ik boos zijn op uw tante, en op u en op allen. Och lieve, lieve Isabelle, je moet komen en dan zal ik je mijn geheim vertellen."

[163:]

"Maar beste Valentine, mijn tante moet het beslissen."
"O, madame Ducombel houdt van een pretje; maar je bent zoo ernstig, zoo deftig als die portretten van je landgenooten in onze spreekkamer te Nantes."
"Landgenooten van mij? Burgemeesters van Amsterdam, misschien naar Rembrandt of van Dijck?"
"Neen! dat juist niet. Maar je moet niet boos worden! Alleen van het ernstige - spreek ik en- niet van de leelijke oogen en de coiffure, want ze dragen staarten."
"O ja, van die pruikstaarten."
"Neen, neen! Papa heeft ze van een vriend ontvangen, die lang in China was geweest!"
"Chineezen dus? Maar Valentine, hoe komt gij er aan, die mijn landgenooten te noemen?"
"Gij Hollanders zijt immers deChineezen van Europa?"
Dit werd met zulk een goede trouw gezegd, dat Isabelle er hartelijk over begon te lachen en het maar niet waagde een verdediging van hare landgenooten op zich te nemen.
"Ja, de aard zit er in, dat ziet men duidelijk, maar waarom lacht ge zoo?"
"Och, ik benijd je gouvernante, die zooveel eer van hare lessen heeft!"
"Ja, ik ben nog erg dom, vindt je niet? Maar hoe dommer ik ben, hoe aardiger papa het vindt en hoe hartelijker hij om mij lacht. Daarom doe ik mijn best ook niet om meer te leeren! En toch Isabelle, verstand heb ik genoeg en doorzicht ook."
"Wanneer een ander me dat zei, Valentine, zou ik het zoo gauw niet gelooven."
"Wil je er bewijzen van zien? Wacht ik zal je mijn geheim vertellen, maar zeg het niemand, niemand zelfs uw tante niet, begrepen?"
"Mijn hand er op!"
"Welnu, mama is er zeer op gesteld, dat ik barones de Granjac word; de jongen is wel zoo, zoo, maar toch heel braaf en heel volgzaam, enfin! een recht schaap, wat alleen maar iets voelen kan voor paarden en honden

[164:]

en mijn mama ziet in mij een kind en anders niet; daarbij ben ik slecht opgevoed en riek naar den stal! Dat heeft ze mij eens gezegd, en goot haar flacon leeg op haar zakdoekje."
"Een bewijs, dat je goed bij haar zoon past."
"Maar ik wil hem niet, in der eeuwigheid niet! Ik weet zeer goed dat hetgene hij in mij bewondert, juist door zijn mama verafschuwd wordt, maar het meest van alles is hij verzot op Fides. Hij vraagt eerst naar hem en dan naar mij. Daarom wil ik het dier aan hem verkoopen en dan is zijn mama tevreden en ik er bij op den koop toe."
"Maar je eigen mama?"
"O, zij zal mij beknorren en miss Schaduw de les lezen, maar daarmee is het uit en ik ben vrij; dan behoef ik niet meer te hooren: Valentine, zit recht! Valentine, loop de trap niet bij drie, vier treden af! Een vicomtesse draagt een voile en handschoenen als zij in en tuin loopt, om haar teint en handen niet te bederven. Vroeger was het nog erger, dan moest ik elken morgen een half uur lang Miette de kamenier in mijn haar laten wroeten, en vrachten valsch haar dragen; doch op zekeren morgen heb ik alles kort geknipt. Papa vond mij mignonne!En na dien tijd ben ik vrij van dat martelaarschap,- maar een vicomtesse met een kroeskop, dat zou toch te gek staan."
Eerst tegen den avond keerden de beide dames huiswaarts. Mevrouw Ducombel sprak over het feest en over de toiletten, die Isabelle noodig had; zij wilde nog den volgenden morgen naar Parijs, schrijven en hare besteIlingen doen, want het was geen bloot verzinsel van Valentine, maar wel degelijk een feest, waarover men nog lang zou spreken; de genoodigden zouden komen van uren ver uit den omtrek.
Isabelle luisterde half en half toe en begreep, dat het voor goed gedaan was met hare dagen vol kalmte en rust.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina