Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
[149:]
HOOFDSTUK V.
De lente was aangebroken, en zoodra Paschen sinds een week tot het verledene behoorde, maakte madame Ducombel hare voorbereidselen om naar buiten, haar campagne te gaan, tot groote vreugde van Isabelle, wie in den laatsten tijd het verblijf te Parijs zeer onaangenaam was geworden, door de herhaalde bezoeken van den markies d Armainville en zijne moeder, bezoeken, waarvan het doel haar maar al te duidelijk bleek. Zij wist dat slechts hare koele houding en hare dringende beden aan haar tante oorzaak waren dat men het niet duidelijker uitsprak en juist dat was hetgeen Isabelle uit alle krachten harer ziel vreesde. Welke reden zou zij tot een weigering opgeven? De markies d'Armainville was van goeden adel, van aangenaam voorkomen, had voldoende studiën gemaakt om over alle onderwerpen te kunnen spreken, op zijn gedrag viel niets bijzonders te zeggen; zijn fortuin zou hem desnoods in staat hebben gesteld eene vrouw te nemen zonder bruidsschat, maar de nicht van madame Ducombel behoorde, volgens de algemeene opinie, niet tot dat soort, en zij moest het zichzelf bekennen, ware ze vrij geweest, misschien had zij den markies hare hand geschonken in de vaste overtuiging, dat ook hare grootmoeder met die keuze tevreden zou zijn geweest. De familie d'Armainville had haar kasteel in Lotharingen, en daar madame Ducombel's landgoed eenige uren voorbij Tours lag, behoefde Isabelle voorloopig ter minste geen voortzetting der vriendschap te vreezen. De oevers der Loire, waarin de witte muren van La Combelière zich spiegelden, behooren tot de liefelijkste van Frankrijk; het niet groote maar in renaissancestijl bevallig opgetrokken hoofdgebouw lag op de helling van een heuvelrug, die zacht glooiend naar de rivier afdaalde.
[150:]
Met kinderlijke vrellgde zag Isabelle de bloemperken terug, de beschaduwde paden, die rondom het huis een waar doolhof vormden, en vooral genoot zij van het heerlijke gezicht, dat men uit de veranda kon hebben over de kronkelende rivier, met groene eilandjes bezaaid en den tegenovergestelden oever, waar, tusschen hoog houtgewas, de grillige torentjes van een middeleeuwsch kasteel opdoken. De zon scheen helder en vroolijk, alles herleefde onder haar machtigen gloed en tooide zich weer met geur en kleur; de Loire slingerde zich als een breede zilveren gordel tusschen de dubbele heuvelenrij, en schitterde in den zonneschijn als waren haar golven van vloeibaar staal. "Tante! nu in de eerste dagen geen visites meer, geen logés," riep zij vroolijk, "ik wil op mijn manier genieten!" "Vooreerst! daar heb ik niets tegen, maar we hebben goede vrienden in onze buurt. Daar op het kasteel de Mirécoutts, verder op, mijn beste vriendin de douairière de Granjac. Goede adel, Isabelle!' "Ik heb genoeg van titels en gezelschap, ik wil niets dan vrijheid en frissche lucht." Zij bracht den morgen met een handwerk of boek in de veranda door; dwaalde onder de boomen in het park, sloeg den smallen weg in, die naar het dorp leidde, - dat zich zoo goed mogelijk met zijn eenvoudig kerkje, tusschen de rivier en den heuvelrug drong. Haar hart was onbegrijpelijk licht, de zwaarmoedigheid van den afgeloopen winter, de vrees voor de toekomst, de twijfel tusschen hetgeen plicht van haar eischte en de trots haar verbood, de angst voor een ontdekking, alles scheen haar nu ver, zeer ver in het verledene te liggen; het was of met de lentezon ook al haar verdriet en zorgen gelijk mistwolken opgetrokken waren. Op den weg naar het dorp lag een hutje, waarin zij den afgeloopen zomer menigmaal geweest was om den armen bewoners ondersteuning en troost te brengen.
[151:]
"Lieve juffrouw," zoo begroette haar de oude grootmoeder, "wat verheugt het ons u weer te zien. We dachten dat ge niet meer zoudt terugkomen, daar ge in Parijs het geluk hadt gevonden." "Het geluk heb ik niet gevonden, goede moeder, maar bid voor mij, opdat ik de kalmte mag behouden, die ik nu gevoel." "Onze gebeden vergezellen u steeds, waar ge ook zijn moogt," was het ernstige antwoord, "want ge zijt immers onze goede engel." Tegen den avond terwijl de tante en haar reeds vrij bejaarde juffrouw van gezelschap, tegenover elkander zaten met het triktrak-bord in hun midden, zong en speelde Isabelle of bleef over de balustrade van het terras geleund, naar het schitteren der golven in het maanlicht staren. In zulke oogenblikken, maar hoe langer hoe zeldzamer, vroeg zij zich soms af, waar Alfred kon zijn; met geweld verdreef zij echter die gedachte, welke haar stoorde in haar aangename, kalme stemming. Zoo als het meer gaat, wanneer men in het leven die zeldzame tijdperken beleeft van windstilte, waarin men niets verlangt, niets hoopt en niets vreest dan dat die gelukkige toestand door het een of ander toeval verstoord kan worden, zag Isabelle met, schrik uit naar elk bezoek, eIken brief. Veel kennissen had madame Ducombel niet in den naasten omtrek van haar landgoed; de oevers der Loire tusschen Angers en Tours zijn als bezaaid met landhuizen, welke 's zomers allen bewoond werden; maar juist omdat er zoovele waren, was Isabelle's tante uiterst omzichtig in het sluiten van vriendschapsbetrekkingen. Het kasteel, dat zijn torens verhief tegenover het terras van La Combelièr, werd bewoond door een oud-adellijke familie, die echter zeer achteruit was gegaan door de oorlogen der Vendée, en wier jonge stamhouder bij den laatsten Fransch-Duitschen krijg bij Sédan den heldendood was gestorven. Zijn jonge weduwe met hare
[152:]
twee kinderen woonde nu bij hare reeds halfverkindschte schoonouders in het sombere kasteel, dat niet paste in het vroolijke zonnige landschap, waartusschen het zich verhief. Aan de kennismaking met de treurende vervallen familie had dus de vroolijke madame Ducombel niet veel; met een beleefdheidsvisite kon men volstaan; een beleefdheid, die de weduwe in de laatste jaren niet eens meer beantwoordde, onder voorwendsel, dat de zorg voor hare kinderen en hare ouders haar niet toestonden de kennis aan te houden. Iets verder woonden rijk geworden poppen-fabrikanten uit Parijs, met wie mevrouw Ducombel, niettegenstaande zij steeds spottend over adeltrots lachte, toch niet gaarne omgang hield, daar ze volstrekt niet tot haar kring behoorden. Verder het land in, lag het buiten van den baron de Mirécourt, op wiens omgang de tante zeer gesteld was; 's winters woonden zij in Nantes en elken zomer werden de vriendschapsbanden nader toegehaald. Het vorige jaar had men echter weinig aan elkaar gehad, daar madame Ducombel slechts twee maanden op haar campagne was geweest, gedurende welke de Mirécourts juist in Trouville waren. "Gérard heeft gisteren Théodore de Mirécourt aan het station van Angers gezien," met deze aankondiging uit den mond van madame Jeanne, vreesde Isabelle dat haar zalige rust verstoord was, te meer dat haar tante opgeruimd antwoordde: "Tant mieux! Zoo vroeg had ik hen niet verwacht, ze komen anders gewoonlijk eerst tegen het einde van Mei naar buiten." Isabelle zuchtte en zeide: "Adieu, schöne Tage von Aranjuez!" "Kom belle ténébreuse! Zucht maar niet voorbarig! Je weet niet, welke aangename dagen men op het land kan doorbrengen als men vroolijk gezelschap heeft en nog geen dertig jaren telt. Ach, had ik je jeugd maar, ik zou de eenzaamheid niet zoeken."
[153:]
"En ik dan?" sprak madame Jeanne. "je zou me verheugen, als iets de eenzaamheid van mijn leven afbrak. De Loire stroomt vandaag als gisteren, de zon schijnt nog altijd op dezelfde manier boven de grauwe muren aan den overkant en wat zou de jonge comtesse blij wezen als de haan boven den donjon werkelijk van goud werd en het maar niet scheen in de bedriegelijke zonnestralen! Dat is alle jaren hetzelfde en voor Parisiennes is zulk een leven op den duur niet uit te houden, zoo er geen prettige piques-niques komen en roeitochtjes of rijtoertjes." "Wacht maar! Zij zal over een maand anders spreken!" "Tante ben ik zooveel anders geworden sedert ik bij ben?" "Geduld! Van deze kuur zal het afhangen of gij vatbaar zijt voor beterschap of niet." 's Avonds zaten de drie dames op het terras aan de theetafel, in gezelschap van den dorpspastoor, een man in de kracht van zijn jaren, die veel gelezen, gezien en gereisd had en met wiens gesprekken Isabelle zich bijzonder onderhield. Op den rijweg, aan den voet des heuvels, hoorde men het rollen van een rijtuig en een oogenblik later reed een allerliefste kleine panier, door twee hitten bespannen, den tuin in. "Ge krijgt bezoek, mevrouw!" zeide de geestelijke en Isabelle, onaangenaam verrast, keek scherp toe en bemerkte dat een dame de leidsels vasthield. "Dat is Valentine de Mirécourt, een allerliefst enfant gátée, mijn lieveling overigens!" "Hare gouvernante zit naast haar!" zeide Jeanne. De hitjes hielden voor het terras stil, een klein, vlug schepseltje wierp de teugels in den schoot eener stijve vrouw die naast haar had gezeten, wipte ter aarde, sprong meer dan zij liep de trappen van het terras op en viel toen in de armen van madame Ducombel, die haar hartelijk omhelsde. "Lieve tante, mijn eerste bezoek geldt u! Gisteren
[154:]
zijn we pas gekomèn. Ha, Jeanne, wat zijt ge dik geworden; Ge lijkt haast de volle maan; mijnheer de pastoor, och, ik zag u niet! Hoe gaat het met uw duiven en met de spreeuw, die ik het vorige jaar aan Nanette heb toevertrouwd? En deze dame, de nicht, over wie u geschreven heeft, tante-lief? Elle est charmante; tout à fait charmante! Och, waar is miss Schaduw, de trappen nog niet op? Jack, ga maar wat op en neer rijden, ik mag maar een half uur blijven; er is t'huis nog niets op orde, maar de chevalier de Granjac zat bij papa et je me suis sauvée!" Nu eerst ademde zij en liet de anderen even tijd om aan het woord te komen; mevrouw Ducombel vroeg naar den staat der gezondheid harer familie, Jeanne verzekerde dat zij volstrekt niet dikker was geworden, de pastoor meldde de treurmare dat de spreeuw sinds een jaar niet meer onder de levenden behoorde, Isabelle verklaarde dat de kennismaking ook haar aangenaam was. Valentine luisterde nauwelijks, zette haar hoedje en voile af en vertoonde toen een alleraardigst gezichtje, dat op alles behalve fijne regelmatigheid van trekken kon bogen, maar dat zeer aantrekkelijk werd door een paar groote, schalksche oogen en in plaats van een nieuwmodisch kapsel niets droeg dan een schat van kleine krulletjes kort en garçon geknipt. De gouvernante kwam hijgend naast Jeanne zitten, klaagde bitter haar nood over het dolle rijdenvan miss Valentine en dronk van schrik het eene kopje na het andere leeg. Haar leerling ratelde intusschen door; zij sprak van alles dooreen, van den angst dien miss Schaduw had uitgestaan dat zij haar in de Loire zou rijden, van de drukte, die mama zich gaf om alles in orde te brengen, want zeide zij met een zeer geheimzinnig gezicht: "Weet ge waarom wij zoo in de haast terug zijn gekomen? In het begin van Juni vieren papa en mama hun zilveren feest ep dan zult ge wat zien. Er komen wel vijftig invités zonder de familieleden mee te rekenen, meteen wordt de verloving van onzen broer Theodoor
[155:]
publiek en we zullen een feest geven, een feest... zoo prachtig als ge nooit gezien hebt, madame tante! Mijnheer de pastoor, zie mij zoo streng niet aan, we zullen uw armen niet vergeten. Integendeel; niet waar miss, ik ben gedurende den winter immers zoo vlijtig geweest, ik heb reeds een paar wollen sokken gebreid." "Not yet!" "Nu ja, er mankeert een kleinigheid aan; maar weet ge, 't is nog een geheim, een groot geheim, we zullen een fancy-fair houden en een concert en tableaux-vivants. Heeft uw nicht ook haar petits-talents?" "Mejonkvrouw de Marcy is een musicienne van de eerste kracht." "Zoo des te beter! Zij heeft een goed figuur om in een bloemenkraam te staan. Jeanne ik mag immers bij u komen om rozen, niet waar? Nergens, zei onze tuinman, vindt men zulke heerlijke rozen als in La Combelière; en van u, mijnheer pastoor, moet ik duiven hebben. Een paar mooie witte torteltjes; die zal mijn aanstaande schoonzuster mij wel afkoopen; en ik krijg voor het concert mijn eerste zijden japon aan. Verbeeld u wat een dwaze jongen die Sosthènes de Granjac is, hij wist dadelijk wanneer we aangekomen waren, en na het noodige over zijn paarden en honden te hebben gesproken, vroeg ik hem wat hij 't liefst wou koopen op onzen fancy-fair." "Ik dacht dat het een gebeim was," merkte Isabelle glimlachend aan. "Geheim, geheim, zeker! maar niet voor Sosthènes, hij zou er alleen weer over spreken als we een markt hielden van paarden, maar nu denkt hij er niet meer aan. Weet ge wat hij antwoordde: Een krulletje van uw haar, juffrouw Valentine? Hoe flauw, vindt u niet? Ik heb hem dadelijk den rug toegekeerd, liet mijn Pick en Puck inspannen, zette miss Ida haar hoed op, liet mij aankleeden en hier ben ik bij u, lieve tante!" "Daar hebt ge goed aan gehandeld, maar kindje ge moet toch beleefder zijn!" vermaande mevrouw Ducombel.
[156:]
"For shame!" zuchtte de gouvernante. "Niet waar, je wordt nu spoedig achttien jaar, je komt in de wereld en dus gaat het niet langer aan jongelui, die u een aardigheid zeggen, zoo lompweg den rug toe te keeren en heen te rijden?" "Tante, dat zeggen ook mama en miss Schaduw..." "Foei kind, altijd die scheldnaam!" "Waarom volgt ze mij ook altijd als een schaduw? Zij zelf vindt het niet onaangenaam, want haar eigen naam is affreus. Kom, ik wil uwe rozen zien, u pruttelt toch maar tegen mij; mejonkvrouw, ge kent hier zeker goed den weg! Ga als het u belieft met mij mee! Ik heb een ongelukkigen hartstocht, ik kan geen bloemen zien of ik moet ze plukken. maar als u naast mij gaat, u met uw strenge oogen en uw lange figuur, dan durf ik het niet doen, want waarlijk ik ben bang voor u." En met een gemeenzaamheid, die al heel weinig van vrees had; sloeg zij den arm om Isabelle's midden en zweefde met haar de trap af. terwijl hare gouvernante tegen de achterblijvenden in gebroken fransch een treurig tafereel ophing van de gebreken harer leerling. "Kinderachtigheden!" zei Jeanne verschoonend. "Ja, maar die spoedig zullen misstaan in een huwbaar meisje! ik vrees dat de goede Mirécourt en zijn te zwak vrouwtje er weldra spijt van zullen hebben, dat zij haar te lang als kind hebben beschouwd," meende de tante. "Als zij het geluk heeft een man te huwen, dien zij liefheeft en die overwicht genoeg heeft om zich door haar te doen ontzien, dan zal zij een uitstekende vrouw worden, want hoofd en hart zijn bij haar even goed." Ondertusschen wandelden Isabelle en Valentine langs de rozenbedden en zoozeer vreesde de laatste hare gezellin niet, of hier werd een roosje gestolen, daar een afgebroken en toen zij na een groot half uur terug kwamen, waren hoofd en borst een levende rozenstruik geworden. Hare lippen hadden ook niet stil gestaan. Isabelle moest vertellen van Holland, of het waar was dat de
[157:]
heeren met groote pijpen langs de straten liepen en of de kikvorschen daar, evenals hier de vogels, in de boomen zaten, of daar de zon- wel ooit scheen en of zij nooit meer een oorijzer (een gouden helm, zoo noemde zij het) wilde dragen. Isabelle antwoordde half naar waarheid, half spottend op deze vragen, maar toch, het vroolijke kind beviel haar, en zij waren dus recht met elkaar ingenomen, toen de groom stilhield voor de poort en de dames door zijn houding scheen te herinneren, dat het tijd was weg te rijden. Vlug als een vogeltje was Valentine het terras opgesprongen, fluisterde tusschen twee kussen madame Ducombel toe, dat zij haar nicht allerliefst vond, nam van de anderen vluchtiger afscheid, tilde overhoeds miss Schaduw in het wagentje, legde de zweep over de hitten, groette het gezelschap recht bevallig en verdween, even snel als ze gekomen was. "Nu tante," zei Isabelle lachend, "met zulke gasten behoeft men zich en campagne niet te vervelen. Integendeel." "Jammer, zij mist de opvoeding van het pensionaat. Ik ben zeer tegen de engelsche gouvernantes, vooral als zij zich zoo weinig weten te doen eerbiedigen als deze miss Schaduw. Maar trek je haar aan, Isabelle, je zult een goeden invloed op het kind uitoefenen, dat van alle kanten bewonderd wordt om hare uitvallen en meent dat hare grootste verdienste juist in die gekheid schuilt."
inhoud | vorige pagina | volgende pagina