doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


[138:]

HOOFDSTUK IV.

's Avonds bracht vrouw Piering haar neef naar zijn kamer, die juist tegenover de vertrekken lag, vroeger door de douairière de Marcy bewoond.
Alfred voelde plotseling bij het zien der deur, waarachter hij zijne vrouw voor het laatst gezien had; alle herinneringen uit dien tijd levendig worden; met geweld had hij door studie en arbeid haar beeld uit zijn geest verbannen; nu stond zij weer voor hem als op dien dag, niet in haar toorn en verbittering, maar in hare kalme, zoete rust.
Vrouw Piering wenschte hem goeden nacht, daar zij wel merkte, dat hij niet van zins was hare klaagliederen aan te hooren over zijn vader en toen hij alleen was, zag hij huiverend het hooge, koude vertrek rond.
"Heb ik goed gedaan? dacht hij, "heb ik niet te veel toegegeven aan mijn gevoel van beleedigden trots? Zij was buiten zichzelf van smart over den dood van haar grootmoeder, zij beoordeelde mij verkeerd. Ik heb als een kwajongen behandeld, mij aan haar voorgesteld als een rechte Tugendheld, die haar dank verdiende en nadat ik mij miskend zag, trok ik mij beleedigd terug en liet haar over aan haar spijt en gekrenkt gevoel van eigenwaarde. Neen, ik had haar wel moeten schrijven, maar daarna in hare eenzaamheid niet alleen laten; tegenover mijn vader heeft zij hare rechten als mijn vrouw doen gelden; wie weet hoe weinig het mij toen niet gekost had haar liefde te winnen. En nu is de kloof nog dieper!"
De gedachte aan Isabelle liet hem niet meer los; nu eens trachtte hij zich te verschoonen, dan zocht hij weer redenen op om haar te rechtvaardigen en zichzelf te beschuldigen; hij bracht zich elk oogenblik uit zijn korten verlovingstijd te binnen. Hare koelheid, hare minachting voor alles wat hem betrof, haar scherpe toon; hij vond het schandelijk van haar, dat zij geen woord had kunnenvinden om hem te bedanken voor het offer dat hij ge

[139:]

bracht had, aan hetgeen zij als haar hoogste bezitting achtte; haar grooten naam.
En de morgen vond hem druk bezig in zijn geest een briefje op te stellen aan haar, waarin hij schuld bekende en haar vroeg of ze eindelijk geen beschikking wilde nemen, die hun beider lot verzekerde.
Maar hij schreef dien nog niet; hij bleef dien dag en den volgenden stil op het kasteel; zijn vader kon tengevolge van zijn zeer been ook niet uitgaan, dus twijfelden ze niet of Alfred's komst was in Groothuizen nog geheel onbekend.
De schemering was gevallen en in den kleinen salon heerschte meer dan half-donker. Vrouw Plering, die naar haar breikous verlangde en het niet durfde wagen, haar belangrijk werk in de duisternis voort te zetten, was in de keuken gaan zitten bij de meld, wier gezelschap zij vrij wat aangenamer vond, dan dat van haar knorrigen broeder en geleerden neef.
De pijn van Dorus Brons scheen zoo dragelijk te zijn, dat hij in alle gerustheid een dutje kon doen. Alfred zat voor den haard en staarde in de vlammen, die grillige figuren tegen den donkeren achtergrond teekenden en zoo heerschte er dus langen tijd diepe stilte in het vertrek.
Eindelijk maakte Brons Sr. een beweging, rekte zich uit en riep toen:
"Kee!"
"Tante is niet hier, vader! Heeft u wat noodig?"
"Zoo ben jij dat. Des te beter! Heb je de lamp nog niet opgestoken?"
"Nog niet."
"Wat houd je toch van de schemering. Niets gaat boven licht en gezelligheid!"
Alfred lachte en antwoordde:
"Licht kan ik u geven, maar gezelligheid..."
"Ook, als je het wilt!"
"Wilt u dus vader," en hij zag strak naar een vlammetje, dat slangvormig omhoog kronkelde en zich boven het andere vuur verhief, "dat ik haar schrijf?"

[140:]

"Wel zeker, doe dat! Wie weet hoe dat kind, nu ze niet meer onder den invloed dier oude grootmoeder is, hunkert naar een goed woord van je."
"Zou u dat denken, vader?"
Het vlammetje, waarnaar hij zijn blikken richtte en dat hij zoo gaarne als zinnebeeld van zijn hoop aannam, verdween in den vuurgloed.
"Wis en waarachtig, denk ik dat! Maar ik vrees, dat ze mij nooit met goede oogen zal aanzien, en daaraan Alfred, zie je hoe weinig egoistisch ik ben. 't Liefste zag ik, dat je heelemaal van haar af kon, maar nu dat niet gaat, zie het dan maar zoo goed mogelijk met haar te schikken. Recht gelukkig word je toch nooit; was ze meer van onzen stand geweest, dan zou het beter zijn."
"Had u dat maar dadelijk ingezien," dacht Alfred.
"En nu we al eens zoo ver zijn is het beste, plat uitgedrukt, dat je eieren voor je geld kiest. Is zij ook van die opinie, dan kan alles nog terecht komen."
"In Dorenzathe is het mij niet mogelijk een stap te doen zonder aan haar te denken. In den vreemde had ik de herinnering aan de geheele geschiedenis met geweld van mij afgeschud, maar hier kan ik me niet meer daaraan onttrekken en dus ben ik half en half besloten haar te schrijven."
"Beproef het; ik hoop van harte, mijn arme jongen, dat het je gelukken zal; wat mij betreft, ik heb een ander plan. Holland walgt mij na al het voorgevallene, en Grootenhuizen met Dorenzathe het meest. Je weet, dat ik mijn geld nog altijd in de fabriek kan steken, en nu heeft mijn vriend Beriksen mij voorgesteld met hem samen - je weet hij is een fameuze financier..."
"Een waaghals, die zijn eigen fortuin verloren heeft.-"
"Door een samenloop van ongelukkige omstandigheden, maar spreek je oordeel niet uit, voor je mij ten einde toe hebt gehoord. Hij heeft plan een maatschappij te vormen op aandeelen, die ten doel heeft suiker te planten op Borneo."

[141:]

"Zou u dat niet eerst goed onderzoeken?"
"Dat is gedaan! De zaak is gezond, hij heeft mij de teekeningen getoond, de kaarten, alles is in orde. Nu ben ik van plan, om mijn fabriek te verkoopen, eerst eenige aandeelen in de zaak te nemen, dan zelf te handelen, gaat dat goed, meer en zoo."
"Wil u dan terug naar Indië?"
"Zeker! Ik kan het in dit ellendige land niet uithouden."
"Wees verstandiger vader, en blijf hier stil uitrusten van den volbrachten arbeid!"
"O ja, wat nog meer? Wil je me raad geven? Jij, die niet eens voor je zelf hebt kunnen zorgen? Raad vraag ik je niet; mijn geld behoort mij, Goddank, nog toe. Dit kasteel staat op je naam, dat is toch dunkt me voorloopig genoeg."
De bel ging over en een poos later kwam de meid binnen met de boodschap:
"De graaf de Marcy om de heeren te spreken."
Alfred sprong op.
"Laat hem hier komen, niet waar, vader! Grietje,steek het licht op en zeg mijnheer de graaf, dat we hem wachten."
Met koortsachtig ongeduld ging Alfred op en neer.
Zijn vader bromde half luid:
"Wat moet die graaf Kaalzak wéer hebben? Griet, pas op, je gooit de lamp nog om! Zoo, breng mijnheer nu maar hier! Hoe weet hij dat Alfred thuis is?"
En toen het meisje zich verwijderd had, viel hij geergerd uit:
"Kijk me zoo'n verliefden gek eens aan! Hij kan geen oogenblik stil staan van agitatie en is bleek als de dood!"
"Zou hij een opdracht hebben van Isabelle voor mij?" vroeg Alfred, die nu meer dan ooit duidelijk voelde hoe de liefde, die hij geheel en al gestorven waande, krachtig opleefde.
"Wel mogelijk! Goed dat je brief nog niet weg is. Houd je nu bedaard en vooral niet te begeerig naar haar genadige goedheid."

[142:]

De vicomte trad binnen; hij zag er zoo mogelijk nog keuriger uit dan voorbeen; zijn manchetten hagelwit, staken over de gris-perle handschoenen, jas en vest hadden de onberispelijkste haagsche modesnit; zijn knevel en haarlokken waren dank de cosmétique van het schitterendste kastanjebruin, de hooge rijlaarzen moesten te kennen geven dat mijnheer zich op reis bevond evenals de plaid, dien hij nonchalant over den linker arm droeg, en met het valiesje aan de meid overgaf, terwijl een onweerstaanbaar lieve glimlach over zijn lippen speelde.
"Ha, Alfred, enchanté mon ami! Papa Brons aan het sukkelen? 't Pootje? Och een te goed leven! Ik heb het ook gehad; 't beteekent niets maar verduiveld lastig voor het oogenblik."
"Neem plaats, Vicomte," en Alfred na den handdruk van zijn schoonvader vluchtig te hebben beantwoord, wees hem een fauteuil aan tegenover zijn vader.
"Slecht weer! Foei, wat een wind! In den Haag merkt men er niets van, maar in dit hol! Ik begrijp niet, dat ik het er zoo lang heb uitgehouden."
"Kom je nu pas aan?" vroeg Brons met een famiiariteit, die den adellijken heer wel wat tegen de borst stuitte, maar die hij goed vond voor 't oogenblik niet op te merken.
"Ja met den trein van 6.17. Ik heb me dadelijk hierheen laten rijden; ik heb geen bagage, want ik ga met een retourtje."
"Allerliefst van je, ons het eerst met je bezoek te vereeren. Waaraan hebben we die gunst te danken?"
"Ik heb gehoord dat onze waarde Alfred van zijn buitenlandsche reis was teruggekeerd."
"Hoe is het mogelijk? In de stad weet niemand er van."
"Ja, geheime relatiën! Ik weet van alles; overal heb ik mijn spionnen."
En hij lachte over zijn eigen geestigheid hartelijker dan hij ooit om die van anderen zou doen.
"Ik heb mij gehaast u te verwelkomen."

[143:]

"Heeft u mij iets bijzonders te zeggen," vroeg Alfred, die het niet langer kon uithouden.
"Ja, zeker! Iets zeer belangrijks?"
"Vanwege uw dochter?"
"Dat juist niet! Isabelle schrijft me nog al dikwijls; vooral als ik haar veel brieven zend; maar dat begrijp je. Ik heb het razend druk in den Haag, c'est une corvée! Partijtjes, soupé's, diné's, invitatiën van alle kanten, en ook zij verveelt zich niet! Integendeel, het kind amuseert zich dol. Ze schreef me onlangs nog: "Papa, ik had niet gedacht dat men in de wereld zoo veel pleizier kon hebben." Ze is bij haar tante. Een kapitale vrouw, niet van adel, dat is jammer, maar toch van zeer goeden toon. Isabelle vindt bij haar une société choisie, dat is het voornaamste voor iemand van haar rang! Ik ben er zeer gerust op, dat ze in geen aanraking komt met menschen, wier gezelschap haar niet convenieert."
De oude Brons had zich van woede verbeten; Alfred stond nog bleeker dan straks tegen den schoorsteenmantel geleund. Waar was zijn schoone droom van zoo even gebleven? Zij lieten beiden echter als bij zwijgende overeenkomst den vicomte doorratelen.
"Ik heb haar teruggeschreven: "Geen wonder, lieve kind, want je wist nog niet even als ik, wat die wereld voor genoegelijks bezat. Ik zie het ook bij den dag in. Amuseer je dus maar zooveel je kunt; dat past je jeugd en je vader gunt het je van harte."
"Wat hij niet zou gedaan hebben als hij voor een jaar of vijf achter de traliën had zitten brommen," wierp Brons er eindelijk vinnig tusschen.
De edelman werd doodsbleek en verloor voor een oogenblik zijn zekere houding, maar dadelijk hernam hij weer glimlachend:
"Mon cher vieux, dat is lang voorbij, laten we toch niet over die oude zonden spreken?"
"Waarvoor mijn zoon nog boet, terwijl jij en je dochter van onze duiten goeden sier maakt en je niet verder om ons bekommert."

[144:]

"Ah bah! Waarom heeft Alfred haar ook verlaten! Hindert het je te hooren, dat wij ons goed schikken in ons nieuw lot? Dat wist ik niet, ik meende dat het Alfred pleizier zou doen te vernemen dat Isabelle geen tering opgezet heeft en volstrekt niet over je treurt, wat je trouwens ook niet om haar zult gedaan hebben."
En hij knikte Alfred zoo onverdragelijk geheimzinnig toe, dat deze zijn bedaardheid verloor en met van onderdrukten toorn bevende stem vroeg:
"U heeft me dus niets te zeggen van haar kant?"
"Dat beteekent... zij schijnt niet meer aan u te denken en heeft genoeg verstrooiing en geluk om zich het leven zoo aangenaam mogelijk te maken."
"Welnu, dan heb ik mij in haar vergist, mijnheer de Marcy! Ik hoop dat u begrijpen zal, hoe hoogst onaangenaam uw gezelschap ons is."
"Ho, ho, mijn jonge vriend! Wou je mij uit mijn kasteel zetten? Dat gaat zoo gemakkelijk niet!"
"Uw kasteel? Dat is weer iets nieuws! Zeg het mijne, want ik heb 't voor mijn geld gekocht."
Alfred stond op heete kolen, niets hinderde hem meer dan het kinderachtige pochen zijns vaders op het geld.
Veel meer, waarop hij zich beroemen mocht, bezat Brons ongetwijfeld niet, want dat pralen op hetgeen hij betaald had of betalen kon, kwam telkens in zijn gesprekken terug.
"Dat betwist ik niet, maar mijn naam is toch steeds de Marcy van Dorenzathe."
"Noem u liever van Groothuizen; noch van het een noch van 't ander behoort je nog een steen, en als je een anderen naam wilt uitdenken, laat je dan maar van Cellenburg noemen. Dat komt je meer toe!"
"Altijd weer grofheden! Brons, ik wist dat je een farceur was, maar zie, aan alles zijn grenzen en in de wereld, waar ik tehuis hoor..."
"Daar geven ze valsche verklaringen af en daar trouwen jullie dochters, burgerjongens om:.."
"Vader," zoo kwam Alfred er tusschen, "ge maakt

[145:]

u beiden boos over dingen, waaraan niets meer te doen valt, en dat verbittert u meer en meer. U zal toch wel belangrijke redenen moeten hebben, mijnheer de Marcy, om in een huis den voet te zetten, waar u verwachten kunt vele minder aangename toespelingen te hooren op het verledene. Heeft u hier werkelijk iets te doen, kom dan met uw boodschap en zoo niet, dan geloof ik, dat u in uw eigen belang beter deed, de stad in te gaan."
"Fijn overlegd, jonge heer, heel fijn, maar je hebt gelijk, ik wil mij hier niet langer blootstellen aan beleedigingen. U heeft het geld, mijnheer Brons, dat ontken ik niet, en daarom meent u het recht te hebben iemand als mij; onhoffelijke woorden toe te voegen."
"Niet omdat ik geld heb," snauwde Dorus, "durf ik dat, maar omdat jij, kale jonker, een schurk bent."
De Marcy wendde zich, als had hij de beleediging niet gehoord, naar Alfred en ging met een gemaakten lach voort:
"Uw papa is wat geëchauffeerd, nerveus door de pijn, je connais ça, ga met mij mee en laat mij u dan even de zaak voorleggen."
Op de gang gekomen vervolgde de vicomte:
"Hoe het ook zij, u is met mijn dochter gehuwd, u heeft onaangenaamheden met haar gehad, enfin, daar bemoei ik mij niet mee, maar uw vrouw is en blijft ze toch, en u weet, welke verplichting op den man rust. Zoolang ze niet wettig gescheiden zijn moet hij zijn vrouw onderhouden. Je bent met de noorderzon vertrokken, hebt dus geene beschikkingen gemaakt en ik wilde je papa er liefst niet om lastig vallen, maar mijn plichten als vader gebieden mij over deze zaak met je te spreken."
"Ik heb mij tot nu toe niets met het financieele gedeelte der zaak bemoeid," zeide Alfred, "ik liet dit aan mijn vader over en meende dat u thans genoeg bezat om uw stand op te houden.. "
"Ik, ja dat is maar zoowat; het leven in den Haag is zeer duur, vooral als men een beetje wil meedoen.

[146:]

Isabelle logeert ten eeuwigen dage bij hare tante, maar ik wil niet dat zij het genadebrood eet en dus meende ik, dat het meer dan tijd was u aan uwe plichten tegenover uwe vrouw te herinneren."
Het onkiesche van dit voorstel vervulde Alfred met wrevel en walg, maar hij wilde tot geen prijs een woordenwisseling met zijn schoonvader beginnen.
"Ik kan mijn moederlijk erfdeel vragen," gaf hij kalm ten antwoord, "en trachten, zonder dat mijn vader het weet, aan mijn plicht te voldoen."
"Juist, zonder dat uw vader het weet! Als ik met hem er over sprak, zou hij beginnen uit te vallen..."
"Als het daar alleen bij bleef; maar mijn vader brandt van verlangen een proces tegen u te voeren. Zoodra u er aanleiding toe geeft zal hij met vreugde van die gelegenheid gebruik maken en ik vrees, dat mijn invloed niet zou baten om hem er af te brengen. U begrijpt welke onthullingen dan het groote publiek in verrukking zouden brengen."
"Och, 't is niet erg! De bewijzen ontbreken!" en een hatelijke glimlach vertrok zijn trekken.
"Er is genoeg om uw naam te besmetten, doch ik wil niet, dat met recht tegen mij kan aangevoerd worden, dat ik haar, die ik uit vrije keuze heb gehuwd, het levensonderhoud onttrek. Bepaal een som en u zal die ontvangen!"
"Zoolang de oude heer leeft, vrees ik dat wij met een kleinigheid moeten tevreden zijn, Een jaargeld van 16000, - wat dunkt u er van?"
"Me dunkt dat, de helft voldoende is; mijn moeders deel zal ik niet dan met groote onaangenaamheden kunnen opeischen en daarvoor heb ik nog te veel kinderliefde om die te ontlokken. Op f 3000 kan u rekenen."
"Een kleinigheid voor een dame als mijn Isabelle. Ze heeft veel noodig in het schitterend milieu, waarin zij verkeert."
"Laat haar het dan bescheidener aanleggen."
"Misgunt u haar dat nog? Brons! jij en je vader zijt menschen zonder hart."

[147:]

"Dat komt misschien omdat u er twee heeft. Maar blijft het nu zoo afgesproken?"
"Och, laat het ons stellen op f 4500; 't Is een bagatel."
"Welnu, het zij zoo! En nu mijnheer de Marcy, mag ik u verzoeken, ik laat mijn vader liever niet alleen!"
Zij stonden voor de trap en de vicomte rondziende, sprak van zijn mantel en valies en van de vigelante; die hij teruggezonden had.
Alfred schelde en terwijl de meid het verlangde haalde, vroeg de Marcy gejaagd: "Kun je mij niet wat voorschieten, Alfred! Een bankje van 1000 pop of zoo! Zij heeft geld noodig."
"Zij of u? Ik zal het u morgen zenden."
"Best, best! Je weet dat er nu ruim anderhalf jaar zijn verloopen sedert je huwelijk en we rekenen immers van dien datum?"
"Vrees niet, vicomte, de freule zal het zich niet beklagen, dat zij hare hand in de mijne heeft gelegd. Liever zou ik haar persoonlijk het geld toezenden."
"Neen, neen, zij wil volstrekt niet dat men in Holland haar adres weet."
"Dan zal het u geworden! Vicomte, u beweert een hart te hebben en verhevene adellijke gevoelens! Ik vraag u geen billijk oordeel, want hoe weinig genoegen ik ook van mijn huwelijk beleef, zoo acht u mij toch ruim betaald voor de eer dat ik freule de Marcy uit de verte mijn vrouw mag noemen, maar bedenk, dat het recht niet heeft, om tegenover Isabelle minachtend over mij te spreken, of in eenig opzicht invloed uit te oefenen op hare besluiten. Heeft zij u nog niet geschreven over de scheiding?"
"Geen woord! Ik zeg u, zij schijnt u vergeten te hebben."
"U behoeft haar ook niet aan mij te herinneren. Ik denk dat de dwang, die haar opgelegd is om dat huwelijk te sluiten, een geldige reden tot nietigverklaring

[148:]

daarvan is. 't Is niet aan mij dit te onderzoeken, van haar moet het venoek uitgaan, doch laat dit ellendig geld geen reden voor haar wezen om zich aan mij gebonden te gevoelen. En nu adieu, vicomte, hier is uw mantel en uw valiés! Grietje, laat mijnheer den graaf uit."
De vicomte boog, wierp met de hem eigene gratie den mantel over zijn schouders, drukte Grietje een gulden in de hand, streek bij de deur haar even langs de rozige wangen en verliet een oogenblik later het kasteel zijns grootvaders, waaruit hij bekennen moest dat bij eigenlijk door den ex-schoenpoetser was gezet. Dien nacht sliep hij in het logement en was 's morgens vroeg weer op reis naar den Haag.
Alfred was intusschen bij zijn vader teruggekomen en vond hem ter prooi aan een geweldige gemoedsbeweging.
"Wat had die kerel daar nog met je te verhandelen? Heb jelui mekaar weer liefelijkheden gezegd? O als dat verd... been mij niet vastkleefde aan dezen stoel, ik verzeker je, zoo waar ik Brons heet, mijnheer was de trappen afgekomen, zoo vlug als nooit te voren. Waarover moest hij je spreken? Over de scheiding?"
"Ja."
"En maak ja er nu werk van? 't Is God geklaagd. Die meid is geen zier beter dan haar vader! Maak je los van die schooiersboel zoo gauw je kunt. Dommer streek heb ik niet begaan, dan door mij met hen in te laten. Maar 't is jouw schuld! Had ik die sentimenteele kletserijen van jou niet gelezen, dan ware je nu vrij geweest en welk meisje, dat geen adellijke, kale nuf is, zou niet vereerd zijn door je aanzoek?"
"Dat is nu eens gebeurd, vader, en laten we er niet verder over spreken; voorloopig gaat mijn brief niet weg."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina