Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK III.
Het kasteel Dorenzathe zag er nog doodscher en stiller uit dan ten tijde der douairiere. Er was niets aan het slot verbouwd, de muren zagen er nog even vervallen en grauw uit als in de laatste dagen, die de familie de Marcy daartusschen doorbracht. De verroeste weerhanen krasten nog steeds met een akelig, schor geluid, maar binnen hoorde men nooit meer de piano, noch het niet minder melodieus fransch gekeuvel; het kleine salon, waar de douairière voor den open
[131:]
haard, in haar ouderwetschen fauteuil zulk een goed figuur maakte, bevatte nu een geheel ander gezelschap, en de mat witte lamp, die met hare stralen Isabelle's blonde lokken zoo fraai wist te vergulden, verlichtte nu het meer met kleurige linten dan met haar getooide hoofd van vrouw Piering. In den fauteuil zat knorrig en ontevreden de tegenwoordige eigenaar van het kasteel met een vooruitgestoken, omzwachteld been, een glaasje grog naast zich op de met couranten overladen tafel. Dorus Brons was niet meer de trotsche parvenu van twee jaren geleden, die met zelfvoldoening neerzag op zijn verleden, die de gevangenis waaruit hij zijn loopbaan begonnen was, vol hoogmoed beschouwde, en zich verheugde over de wraak, welke hij nemen kon op zijn vroegeren meester, de man wiens liefste illusie het was, 't kasteel, waarin hij dienstbaar was geweest, het zijne te noemen. Nu was hij heer van Dorenzathe, nu waren de vroegere bezitters ver van het oude stamslot verdreven, zijn zoon was met de jonkvrouwe de Marcy gehuwd en toch verwenschte Dorus Brons zijn ongelukkig lot. Wat had hij er mede gewonnen? Hoe was 't mogelijk geweest, dat hij eens zoo sterk op dat huwelijk had gestaan? Hij was woedend op iedereen, op de Marcy, die door zijn schurkenstreek de aanleiding tot de heele historie was geweest; op Isabelle, de trotsche nuf, die Alfred zoo beleedigd had; op Alfred eindelijk, die inplaats aan zijn rechten op zijn vrouw te doen gelden, als een kwajongen het land was uitgeloopen, en het meest van allen, maar dat bekende hij niet, op zich zelf, die er zoo leelijk ingeloopen was. Het kasteel stond er, ja; maar zijn zoon zwierf rond; diep ongelukkig; zijn schoondochter leefde, de hemel wist waar, en wat moest hij nu beginnen op zijn ouden dag? Eerst, had hij in Arnhem of den Haag zich willen vestigen, maar in die steden stond hem veel tegen; al
[132:]
te gewend aan een vrij leven om zich naar steedsche gewoonten en etikette te plooien, was hij van een leeftijd waarop men het meest hecht aan een regelmatig, huiselijk leven. Daarbij kreeg hij duchtige aanmaningen van het pootje; hij besloot dus zich op het kasteel te vestigen en droeg de zorg van zijn huishouding op aan zijn zuster Piering, tot groot misnoegen van de Bronzen, maar Daatje was getrouwd en hare zuster niet voor de taak opgewassen. Aangenaam gezelschap was de ex-fruitverkoopster niet; zij had een scherp stemorgaan en wilde altijd het laatste woord hebben. zoodat ook bij haar Brons niet vond wat hij wenschte. Zijn kennissen ontweek hij, want niets was hem onaangenamer dan het vragen naar zijn zoon en schoondochter; zoodra deze dan ook merkten dat Brons hen niet meer onthaalde en inviteerde, lieten zij hem links liggen en oefenden in zijn afwezigheid ijverig hunne tongen tegen den parvenu, die, nu hij heer van Dorenzathe was, ,niet meer weten wilde, dat hij daar eens schoenpoetser was geweest. Zoo zaten dan op een stormachtigen Novemberavond broer en zuster vrij ongezellig bij elkander in het lieve, warme vertrek, waarin Isabelle en haar grootmoeder zoovele rustige uurtjes hadden doorgebracht. "De kachel gaat uit, Kee," zei Brons, die het in zijn warmen chamber-cloak nog koud scheen te hebben. "Dat is nou al de tiende keer, dat je mij dat zegt, denk je dan dat ik niet gewoon ben met kachels om te gaan? Als je het koud hebt, geef dan de schuld aan dat malle model van haarden, maar niet aan mij!" "Kijk er eens in! Dat kan nooit kwaad. Of moet je breikous van avond absoluut klaar zijn?" Vrouw Piering stond op, schoof haar stoel luidruchtig ter zijde en rammelde onbehoorlijk luid met tang en pook, zoodat haar broer beide ooren dicht moest houden. "Schaam je wat," pruttelde hij, "je leert nooit fat
[133:]
soenlijke manieren aan, niets is lomper dan dat leven maken!" De kacheldeur werd kletterend toegeslagen en met het schrilste stemgeluid, waarmee ze vroeger de lastige aankijkers van haar appelen had begroet, snauwde zij hem toe: "Dat hoef jij mij niet te herhalen. Ik weet het genoeg, dat ik maar een onbeschoft, ongemanierd, dom schepsel ben; als 't jou niet bevalt, waarom laat je dan je schoondochter, de gravin niet komen, die zal beter met dit vuur en met je andere mooie meubels kunnen omgaan!" Dorus' pokdalig gelaat werd vuurrood van drift "Als je nog eens zulke nonsens uitkraait, Kee, dan zet ik je direct de deur uit en jij en je bengels van zonen kunt dan zelf zien, hoe ze terecht komen. Je Piet kan voor mijn part gaan dienen, een remplaçant stel ik niet. Mijn schoondochter, dit zie ik bij den dag meer in, hoort hier niet thuis, naait zoo'n straatzangeres als jij bent." Aan hare afhankelijkheid tegenover den rijken broeder herinnerd, verbeet vrouw Piering hare woede, nam hare breikous op en koelde haar drift op de arme naalden, die als door stoomkracht gedreven, door het garen vlogen. Maar Dorus Brons was te blij, dat hij nu een onderwerp had om over te praten en zijn ontevreden hart lucht te geven: "Ja Kee, ik zou maar niet zoo'n keel tegen mij opzetten, je broer is een lastige, oude knorrepot, die met zijn ziek been jou veel te doen geeft en belet, dat je op je gemak van je renten leven kunt, maar die broer heeft ook iets anders wat Kee Piering, noch haar broer Teun hebben. O wanneer hij dat eens niet bezat, wanneer hij eens arm werd, wat een genot om hem al zijn uitvallen te verwijten! Laat hem dan eens komen om een stukje brood. Wat zou je hooren! Al zijn weldaden van jaren herwaarts waren vergeten, en nu was het nog te veel
[134:]
hem een kommetje warme soep toe te reiken. De broer is jullie niets, maar zijn geldzak alles. Goddank dat ik ten minste nog een zoon heb en jullie niet op mijn erfenis behoeft te azen!" Vrouw Piering breide met koortsachtigen ijver door. "Maar," en hij vloekte op zijn oud-hollandsch, "waarom zeg je nu niets? Zie je te duidelijk in, dat ik gelijk heb. Dat doet me pleizier, maar zeg het dan! Of heeft die smerige kous meer waarde voor je dan mijn woorden? Schei toch in 's hemelsnaam met dat gebrei uit. Ik voel al genoeg, dat ik in 't ellendige Holland zit, dat kikkerland met zijn negen maanden winter en drie maanden regen en wind. Dat hoef jij me niet te herinneren met jouw kous. Ga morgen naar de stad, koop daar twee, drie dozijn kousen maar laat dat ellendige breien toch eens rusten." Vrouw Piering was nog in tweestrijd of ze een scherp antwoord geven, dan wel in tranen uitbarsten zou; zij begon tot het laatste over te hellen toen er aan de bel werd gerukt. "Daar is Teun weer met zijn eeuwig gezanik. Ga naar beneden Kee en zeg hem, dat ik van avond te onwel ben en niemand spreken wil." Vrouw Piering maakte niet veel haast; zij was er niets op gesteld het tête-á-tête met haar broer voort te zetten. "Ga je nu of ga je niet? Bij den dr... jij hebt het vandaag er op gezet mij een toeval van kwaadaardigheid te laten krijgen." Ze verwijderde zich maar kon het toch niet laten als blijk van hare ergernis de deur met, geweld achter zich toe te trekken. Brons draaide zich van kwaadaardigheid in zijn stoel om, wierp de couranten, die hem toch niet erg interesseerden, door elkander en richtte zich toen half op; daar hij een levendig gesprek. in de gang hoorde. "Zij laat hem toch in, die slang," bromde hij; weder werd de deur snel geopend en vóór hem stond zijn
[135:]
zoon, in reiskleeren, die hem zoo hartelijk mogelijk verwelkomde. Het gelaat van Brons senior verhelderde als bij tooverslag; die verrassing had hij niet durven hopen. "Maar mijn jongen, hoe kom je zoo uit de lucht gevallen? Wat zal je het koud hebben! Stook het vuur flink op Kee, en zorg voor een ferm souper!" "Ik wilde u verrassen, vader," zeide Alfred lachend, wierp zijn mantel op een der stoelen en zijn bontpet er boven op, tot verontwaardiging zijner tante, die veel zorg had voor het oude fluweel, en toen zijn handen warmend, "ik ben blij dat ik hier weer goed en wel terug ben! Ik heb een fameuze reis gehad, zes en dertig uur aan een stuk in het spoor gezeten. Ik kom nu uit Rusland." "Daar heb je goed aan gedaan! je geeft ten minste blijken, dat jij je ouden vader niet vergeet." "Wat zie ik? Heeft u het pootje? O jé, daar zou u geen last van hebben, als u evenals ik, den tijd had doorgebracht, uren onder den grond!" "En hoe gaat het met nicht Isabelle, neef?" vroeg vrouw Piering met gemaakte belangstelling, want zij wist reeds sinds lang hoe de vork in den steel zat. "O heel goed, dank je wel tante! Wat hoofdpijn, anders niet." "En had zij geen lust mee te komen?" "Neen, de reis was haar te ver! Heeft u de couranten ontvangen, die ik u heb toegezonden, papa?" "Over je nieuwe uitvinding? Zeker jongen en ik zou er nog trotscher op wezen, als je daarvoor niet noodig had de wijde wereld zoo in te trekken." "Wees gerust papa, dezen winter blijf ik bij u." "Werkelijk," en de oogen des vaders schitterden van vreugde. "Ja, praktisch is mijn uitvinding proefhoudend gebleken, maar nu moet ik het theoretisch bewijzen, en ik ben van plan daarover een brochure te schrijven, die tegen het voorjaar in druk moet verschijnen."
[136:]
"En nicht dan?" wilde zijn tante vragen, maar ze zweeg, bevreesd voor een uitval van haar broeder. dien zij in Alfred's tegenwoordigheid liefst vermijden wilde. "Ja, ja, ik dacht wel dat je eens naam zoudt maken; de couranten heb ik in de societeit gelegd, dan kunnen al die benijders hun hart eens ophalen aan je roem." Alfred lachte en zijn vader zag hem met voldoening aan. "Maar je ziet er kapitaal uit, flink, ik zou haast zeggen gegroeid." "Ja, ik ben ook recht gezond en opgewekt; met versterkt lichaam en frisschen geest door den aanhoudenden arbeid kom ik terug." "Nu, je moet me die uitvinding van je eens goed uitleggen; van dat geschrijf begrijp ik niemendal. Verbeeld je, de kantonrechter zei me de vorige week, dat het wel mis zou loopen, want alle uitvindingen, waarvan zulk een omhaal gemaakt wordt, blijken later niets te wezen dan bluf." "We zullen hopen dat dit een uitzondering op den regel zal zijn," antwoordde Alfred vroolijk; "maar tante, vader zei daareven een goed ding. Ik heb van het reizen grooten honger gekregen en zal u voor elke kleinigheid, die ge mij tot versterking geeft, dankbaar wezen." Vrouw Piering verwijderde zich; Alfred naderde het been van zijn vader, en vroeg deelnemend of hij erge pijn had. "Neen, dankje, 't is niet erg, maar ik verveel me zoo. Goddank, dat je hier bent! Ik dacht er strak over uit te zien naar aangenamer gezelschap dan dat van je tante, maar à propos, hoe staat het nu tusschen jou en haar?" "Hoe zou het staan? Ik heb niets van haar gehoord, maar het kan me ook weinig schelen; ik denk niet meer aan haar. Zij is uit mijn herinnering gewischt door de studie en den arbeid."
[137:]
"Zoo, dat doet me plezier! Wil je nu geen werk maken van de scheiding?" "Waarom? Ik heb afgedaan met de vrouwen. De mijnen hebben voor mij heel andere charmes en zoo de band freule Isabelle te zwaar wordt, laat haar dan spreken!" "Ja, maar ik vaar er het slechtste bij. Ik, die hier zoo gaarne een lieve dochter in plaats van die onbeschaafde Kee zou willen ziep en dan vooral mijn kleinkinderen!" "Die kans is verkeken," zei Alfred somber. "Maar een verzoening, is die den in het geheel niet mogelijk? Ze is toch je vrouw, Alfred, bedenk dat!" "Ik wil geen verzoening!" zijn lippen krulden zich trotsch en zijn oogen fonkelden van verontwaardiging. "Niet alleen de hoogadellijke familie de Marcy mag op haar fierheid pochen. Ik heb ook mijn trots." "En is dus al je liefde vervlogen?" "We willen het hopen. Voorloopig heb ik genoeg aan mijn werk, en nu vader-lief, een verzoek, spreek niet meer over dat donkere punt in mijn leven. Mijn gedrag zal geen haarbreed afwijken van de plichten, die ik toen op mij heb genomen; zij zal geen reden hebben mij iets te verwijten maar verwijdering is het beste tusschen ons. Bovendien zij verlangde niets anders en ik volg haar wensch." "En de menschen, Alfred, wat zullen ze zeggen als je hier alleen terugkomt?" "Denkt u dat ze de waarheid dan niet vermoeden en dat de Marcy zich stil houdt? Gedane zaken nemen geen keer, en wij handelen misschien heel verkeerd, denkende dat ons niets beters te doen staat. We kunnen overigens om den schijn te redden iets verzinnen." Brons zuchtte: "Alfred, wat hebt je toch gedaan?" "Vader, betreur het verledene niet en verheug u liever dat ik het overmijdelijke zoo goed weet te dragen." "Ha, daar komt tante aan, het wordt tijd, ik zou flauw vallen van den honger."
inhoud | vorige pagina | volgende pagina