doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


HOOFDSTUK II.

"Isabelle, ik geloof waarlijk dat je preutschheid alleen voortkomt uit een soort van minachting voor den kring, waarin ik verkeer. Mevrouw d'Armainville is markiezin, dat weet ik, maar 't is een adel, die nog geen eeuw oud is; zeg maar de waarheid, dat is je te min, de Montmorency's tel je immers in je stamboom? Ik kan je helpen; ofschoon ik dubbel en dwars met dien dwazen familietrots gebroken heb, bezit ik nog vriendschappelijke relatieën met die personen genoeg."
"Tante, lieve tante, plaag me toch niet! Gelooft u mij dan niet, als ik u verzeker, dat ik niets meer om die familie geef? Eenige jaren geleden, toen ik nog jong was misschien."
"Nog jong, wel douairière hoe oud is u thans?"
"Ik verlang niets dan uw gezelschap, de zorg voor

[124:]

u, die me zoo onophoudelijk aan mijn liefste grootmoeder doet denken, en wanneer mijn gezelschap u minder aangenaam mocht zijn, welnu,.. dan blijft me nog maar een uitweg over en ik word dame de compagnie in Engeland of Rusland. Nu beschouw ik me nog voorloopig als uwe lectrice."
"Pas op! als ik u zoo behandelen wil, dan zijt ge mij gehoorzaamheid verplicht en wee u dan!"
"Neen, ik vrees u niet! Tante zal haar arm nichtje niet dwingen tot iets wat haar ongelukkig zou maken," en zij omhelsde met betraande oogen de oude dame en dacht: "O hadde ik u eerder gekend, dan zon die rampzalige band mij niet ketenen."
Zij was op het punt alles te verhalen maar trots en eerbied voor haar vader hielden haar terug.
"Ongelukkig maken, lieve schat, hoe zou ik dat willen? 't Is juist mijn liefste wensch je gelukkig te zien."
"Dat ben ik, hier onder bescherming uwer moederlijke liefde en nergens anders!"
"Nu, spreken we er nooit meer over! Doe wat je goedvindt, maar verlaat mij niet. Ik kan het me niet voorstellen, hoe ik zoovele jaren je heb kunnen ontberen."
"En van avond, als uwe vrienden komen, zal ik thee schenken en de dochter des huizes voorstellen."
"Bravo! Dat is verstandig gesproken! In een blauwe japon?"
"Neen, een grijze om den overgang wat lichter te maken."
's Avonds was de jonge markies er weer en de oude generaal, een professor van de Ecole Centrale, met zijn vrouw en nog eenige andere dames.
Isabelle was allerliefst en zelfs hare tante scheen over haar tevreden. Zij luisterde vooral met zeer veel belangstelling naar den professor, die van de nieuwste uitvindingen op het gebied der natuurkunde en-industrie verhaalde op een even aangename als voor allen bevattelijke wijze.

[125:]

"Nu, mijnheer," zeide eene jonge dame, "begrijp ik ook, waarom tegenwoordig in drama's en comédies de rol van premier amoureux niet meer als voorheen geschonken wordt aan jonge vicomtes en dappere officieren, maar aan ingenieurs! De ingenieur is de held der eeuw!" De professorsvrouw glimlachte en sprak:
"Ik heb van jongs af gedweept met ingenieurs. De officieren zullen naar ik hoop weldra uitgediend hebben, als de algemeene vrede heerschen zal, als er geen volken meer zijn en geen grenzen."
"Ma chère, wat draaft ge weer door à la Victor Hugo," merkte haar man droog op.
"Die tijd zal komen! Spoedig zie ik alle volken der wereld even vreedzaam en even kalm naast elkander gelegerd als de afdeelingen op de groote tentoonstelling in het Champ de Mars; ze kennen dan slechts een ijverzucht, niet wie de grootste legers heeft, maar wie het meest leveren kan op 't gebied van kunst en industrie. En door wie anders wordt dit tijdperk voorbereid dan door de ingenieurs?"
Isabella schonk haar thee zonder op te zien.
De markies lachte spotachtig om den levendigen uitval der jonge vrouwen raadde haar aan, een oproeping te richten aan alle jonge meisjes der wereld, om geen andere echtgenooten te nemen dan die het brevet van ingenieur hadden.
"Waarom niet," antwoordde zij lachend, "nu reeds is de tijd daar, dat een ingenieur zijn diploma wil ruilen tegen een adelbrief!"
De markies wist niet of hij boos kijken of lachen zou, en de jonge dame, vooral aan het gelaat van haar echtgenoot ziende dat zij te ver was gegaan, wendde zich tot Isabelle:
"Gij kunt beslissen, lieve jonkvrouw, gij die een fraaien adellijken naam draagt, wilt gij aan mijn oproeping gehoor geven, of zijt ge niet van mijn meening?"
"Ik heb altijd een zwak gehad voor alles wat door de eeuwen gestempeld is. Wanneer ik twee of drie

[126:]

honderd jaar later misschien nog eenmaal op de wereld kom, zal ik wellicht met de ingenieurs der 19de eeuw evenzoo dwepen, als ik het nu doe met den grooten Conde en den connetable de Montmorency."
"Ik zie het al, wij trekken een lijn. Wij zijn verdedigers van het voorrecht der geboorte, freule, quand-même," juichte de markies.
"Quand-même?" herhaalde Isabelle peinzend, "neen dat niet."
En zij vergeleek het onbeduidende, op den boulevard in de theaters en salons, voorbijgaande leven van den markies met dat van zoo vele anderen, die werken en worstelen om een eervolle positie, die er het hunne toe bijdragen om de wereld te verrijken met nuttige uit vindingen of den geest te veredelen door meesterstukken van ware kunst; doch zij zweeg, want sedert het gesprek over ingenieurs liep, was zij niet op haar gemak.
"Maar Jacqueline," begon mevrouw Ducombel tot de professorsvrouw, "weet ge wel, dat uw ingenieurs afhankelijk zijn van iets dat hun, vandaag of morgen nu juist niet, maar toch eens ontbreken zal? Wat kan een koopman doen zonder geld, een soldaat zonder zwaard, een ingenieur zonder steenkolen?"
"O, mevrouw, komt tijd, komt raad, tegen dat alle steenkolenmijnen uitgeput zijn, zal de electriciteit ongetwijfeld de kolen kunnen vervangen."
"Voorloopig behoeven wij daarvoor niet te vreezen, mevrouw," hernam de professor, "er is voorraad genoeg. Vandaag nog las ik van een ontdekking, gedaan door een landgenoot van u, mejonkvrouw, een jeugdig mijningenieur, wien het gelukt is in mijnen, die men uitgeput waande, door een nieuwe uitvinding aderen te vinden, waarvan men het bestaan zelfs niet meer vermoedde."
"Een landgenoot?" vroeg Isabelle; haar hart klopte.
Hoe dwaas toch, Holland was immers rijk aan mijningenieurs, en haar tante maakte juist bij zichzelf de opmerking dat die grijze japon lsabelle bleeker deed schijnen dan anders.

[127:]

"Zijn naam heb ik onthouden, 't is een hollandsch woord, dat ik echter goed versta, Brons, dat is zeker het fransche Bronze, niet waar?"
"Juist mijnheer!" zij zette haar kopje neer, want hare hand beefde blijkbaar; niemand zag hare ontroering, daar men niet vermoeden kon, welk verband er bestond tusschen de nicht van mevrouw Ducombel en dien onbekende.
"Dan ken ik toch een hollandsch woord! Als het zich bevestigt zal hij naam maken; ik zou gaarne iets naders er over willen weten, en zal mijn best doen zijn adres te vernemen. Hoe dwaas toch, freule, mijn eerste gedachte was u te vragen, of u hem bij toeval kende."
"Maar Jacques, dat zou even dwaas zijn, als wanneer een Hollander u vroeg naar een Parisien, die in Belleville woont."
"Dat heb ik ook bedacht, vrouwtjelief, en daarom deed ik de jonkvrouw de vraag ook niet."
Isabelle zweeg; zij was nu weer gloeiend rood geworden. Arm kind! zij wist nog zoo weinig haar gelaat en oogen te beheerschen, en 't scheen haar toe of het geheele gezelschap het geheim op haar voorhoofd lezen kon.
Maar er werd over andere onderwerpen gesproken en niemand lette op de kleurveranderingen der theeschenkster dan misschien hare tante, die vreesde dat hare nicht verkouden zou worden, en besloot haar dien avond gerstenwater, het universeel geneesmiddel der Franschen, te laten drinken.
's Avonds toen zij alleen was, zuchtte Isabella diep en vroeg zich af, hoe dat eindigen moest. Het hooren van zijn naam hier in den vreemde, maakte op haar eenwonderlijken indruk. Wat deerde haar die vreemde en zijn uitvindingen, waarmede de geleerde wereld zich bezig hield?
Toen beving haar een koude rilling; zij zag zich terug op dien dag, waaraan zij niet meer denken kon zonder een gevoel van schrik, toen zij in haar bruidskleed naast

[128:]

hem stond en verklaarde hem te willen aannemen voor haar echtgenoot. Zij had het niet bedoeld, zij had geen ja gezegd, maar toch zij wist het genoeg, als door een onweerstaanbare macht had zij het hoofd gebogen en dat was voor een voldoende toestemming aangezien: zij waren man en vrouw voor God en de menschen.
Zou die band nietig kunnen verklaard worden? Als zij er beiden om vroegen, wellicht! Maar zij mocht het niet vragen, zij, wier naam hij van schande had gevrijwaard.
Waarom deed hij het dan niet? Zou hij nog hoop hebben, dat zij hem tegemoet kwam; maar dat kon niet meer na de verschrikkelijke woorden, die zij hem had toegeworpen, na zijn vlucht, die voor de wet als kwaadwillige verlating kon gelden.
Vrij zijn? die gedachte scheen haar zoo zoet niet toe.
Zij leed nog niet door dien band; later misschien, maar nu wenschte zij voorloopig niets meer dan zoo voort te leven, stil en onbemerkt, ver van hem.
Onwillekeurig steeg ook zijn beeld voor haar geest, als op dien laatsten dag, bleek, bestorven, trillend van ingehouden drift, van machteloosheid om zich te verdedigen tegenover de vrouw, die hij redde en die hem in het aangezicht sloeg.
"Verdedigen kon hij zich niet, maar wreken wel, en dat heeft hij gedaan. Bloedig was zijn wraak, hij heeft mij vernederd, en hij moet mij nu verachten, daar ik geen woorden vind om hem te antwoorden. O,als hij mij ten minste opriep om aan zijn zijde te komen, dan zou ik misschien nog iets kunnen vinden, woorden, zoo niet van trots dan toch van gepaste waardigheid, maar nu?
Hij heeft het bloempje uit het slijk opgericht en toe het hem tot belooning stak met zijn dorens, toen keerde hij zich af en bekommerde er zich niet meer over.
Terwijl hij zijn uitvinding deed, zou toen mijn beeld nooit hem aangestaard hebben uit die cijfers, zou geen oogenblik de gedachte aan zijn vrouw bij hem opgekomen zijn? Ja misschien, misschien om haar bestaan te ver

[129:]

vloeken, om te smachten naar het oogenblik, waarop zij maatregelen zou nemen om hem te bevrijden van dien lastigen keten! Mag ik dan zoo werkeloos blijven? Alles, maar niet het doffe stilzwijgen, dat mij omringt en terneerdrukt."
Zij dacht veel aan Alfred, want hij stond in het innigste verband met de eenige belangrijke gebeurtenis, die haar jong leven gekenmerkt had, doch thans waren hare gedachten, als door stormwind hoog opgevoerde bladeren, aan het dwarrelen; hij was het middelpunt, waarom zich alles bewoog en voor het eerst hield zij zich bezig met hetgeen in zijn gemoed omging.
Zou die studie, die roem hem gelukkig maken? Zou hij waarlijk niet verlangen naar meer teedere gevoelens?
Wat wenschte zij zelf? Ach, ze was zoo verward, dat het haar onmogelijk toescheen hierop te antwoorden, en vergeefs zocht zij in den slaap een oogenblik vergetelheid.
Den volgenden morgen bij het ontbijt, vouwde mevrouw Ducombel een briefje geheimzinnig dicht en zeide lachend tot Isabelle:
"Verbeeld u, onze generaal vraagt mij een afzonderlijk onderhoud voor dezen middag."
"Zoo, tante, en convenieert u dat?"
"Zeker;'t is stellig iets belangrijks waarvoor hij komt!"
"Dat zal wel."
"En is u er niet nieuwsgierig naar?"
"Hoe zou ik dat mogen zijn, tante?"
"Dwaas kind, begrijpt ge dan niet dat hij over iets zeer gewichtigs wil komen spreken?"
"Een proces, een oorlog misschien?"
"Neen, mis, een huwelijk!"
"Met wie, tante?"
Mevrouw Ducombel lachte dat de tranen haar in lieve oogjes kwamen.
"Naïeve ingénue! Houd u zoo niet! Hebt ge niets gemerkt? Mijnheer de Rochemart zal mij de hand komen vragen van mademoiselle de Marcy, mijn lieve nicht!"

[130:]

"Tante," en Isabelle werd doodsbleek. "Ik moet weg, ik kan hier niet langer blijven. Wanneer ik mij niet verberg, dan..."
"Maar lieve kind, wat scheelt u nu weer? Staat de generaal u niet aan? Mij dunkt ook, hij is wat te oud, maar die kaarsrechte militaire figuren met den heldhaftigen snorrebaard en de goedige oogen hebben er wel jongeren dan gij bekoord - doch zoo ge niet van die meening zijt, zeg eenvoudig neen, en daarmee basta."
"Neen, in elk geval!"
"Als het de markies was...?"
"Noch de markies, noch de generaal, noch iemand anders... meer."
"'t Is goed, laat het aan mij over," sprak de oude dame, die aan Isabelle's toon genoeg hoorde, dat zij nu een kiesch punt bespraken en er zich een gevoelige plek in Isabelle's gemoed bevond, waarvan de bloote aanwijzing reeds pijn veroorzaakte.
De generaal kwam, deed zijn aanzoek maar werd stellig afgewezen.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina