doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


[113:]

HOOFDSTUK I.

"Neen, mijn lief kind! zoo kan het niet blijven! De rouwtijd is dubbel en dwars verstreken. Anderhalf jaar! Wanneer ge weduwe waart en dan langzamerhand het grijs begon te ruilen tegen heel, heel zacht blauw, dan zou ik nog niet weten, wie u daarover een verwijt kon maken, maar nu het niets meer is dan een grootmoeder... Beste meid, ik heb nooit kleinkinderen gehad, maar ach! wanneer ik denken moest dat ze om mijn herinnering te eeren, zouden meenen den zwaren weduw-rouw aan te nemen, zie, dan zou 't mij dubbel hard vallen deze schoone aarde te verlaten."
Isabelle de Marcy, tegen wie deze woorden gericht waren stond voor het raam van een allerliefst salon, dat uitzicht gaf op den boulevard des Italiens, en zag glimlachend naar een beminnelijke oude dame, die bij het open haardvuur gezeten onmiddellijk aan de douairière de Marcy deed denken. "Tante-lief, ge weet onze afspraken, ik kwam bij u, omdat ik ziek, bedroefd, moedeloos was, en u op mijn schrijven, waarin ik u den dood mijner onvergetelijke bonne-maman mededeelde zoo vriendelijk waart dadelijk mij te komen zien, troosten, afhalen, niettegenstaande ik u geheel onbekend was en de vriendschap..."

[114:]

"Kom, begint het nu weer? Waarover spraken we, kind? O ja, of je van avond volstrekt niet mee wilt naar de soirée van madame d'Armainville. Antwoord me mijn vraag en zonder omwegen!"
"Maar tante, wat hebben we dan afgesproken?"
"Ja, een jaar geleden, toen ge er uitzaagt als hadt ge het bitterste chagrin d'amour ondervonden. 't Kan ook zijn, je schenkt mij je confidentien toch niet!"
"Lieve tante!"
"Nu, ik wil ze ook niet hooren, maar verlang van je geen geloof dat boven mijn kracht gaat. Uw afkeer van de wereld komt niet alleen voort uit verdriet over het verlies der oude grootmoeder."
"Neen, tante Isaure, dat is't ook niet. Ik ben bang voor alles, wat ik niet ken en dus ook voor die groote wereld..."
"Waarover ge toch zoovele romans en novellen hebt gelezen, Maak je niet ongerust. lieve meid! De wereld, waarin madame Ducombelle, geboren gravin de Marcy D'anville, roturière uit eigen keuze en vrijen wil, u brengen zal, heeft met de sterk geparfumeerde salons in Feuillet, Houssaye, en hoe al die heeren verder mogen heeten, niets gemeen."
"Ik ben er overtuigd van, maar..."
"Nu wat maar?"
"Ik ging van avond liever doodeenvoudig in onze stille loge zitten van de Italiens om mij te vergasten aan de Norma."
"Eeuwig die opera's! Wanneer zullen die je vervelen?"
"Nooit!"
"Een soirée bij de geestige madame d'Armainville hebt ge nooit bijgewoond; zij heeft er sterk op aangedrongen dat ge toch zondt meekomen. Haar zoon Albert brandt van verlangen je te leeren kennen."
"Tante, praat me toch niet van de zoons van uw vriendinnen!"
"Albert is van goeden adel, Isabelle," plaagde de oude dame schalksch van onder haar gouden lorgnet haar nichtje toekpippend.

[115:]

"Dat is me heel onverschillig! Lieve tante, bedenk wat ik tot eerste voorwaarde gesteld heb, om met u mede te gaan. Kom nooit bij mij over huwelijksplannen spreken; liever ga ik dan op staanden voet in het klooster."
"Nu ja, dat heb ik toen beloofd, maar is de tijd nog niet verstreken? Komt er geen oogenblik, waarop je minder inhumaine zult wezen, of hebt gij reeds een gelofte gedaan kamenier te worden van Sint-Katrien?"
"Al lang. tante! Ik wil aan geen huwelijk denken, nu niet, en het volgende jaar niet en nimmer."
"Maar aan soirées?"
"Daar u er zoo op gesteld is... Passe voor deze ééne, maar ook nooit meer."
"En is je toilet in orde?"
"Mijn zwarte zijden japon zal toch wel voldoende zijn. U weet ik draag geen kleuren meer."
"Zonderling meisje! Isabelle, men zou me komen zeggen, dat je weduwe waart, een troostelooze, werkelijk troostelooze weduwe, het zou me niets verwonderen."
Isabelle stond met het gelaat naar 't raam en dus kon hare tante niet het pijnlijk lachje zien, dat hare lippen vertrok.
"Weduwe, erger dan weduwe!" zuchtte zij, "ik ben niets, wat ik nu speel is een rol, en ik kan zelfs tante de zaak niet bekennen, zonder een deel van de waarheid te verbloemen. Ik mag hem geen onrecht aandoen en toch ook mijn vader niet als een schurk in de oogen van tante laten doorgaan, tante, die er niet om treurt wanneer het weer blijkt hoe een adellijke titel geen vrijbrief is tegen lage handelingen."
"Als ge zoo onverschillig zijt, Isabelle, zal ik me genoodzaakt zien met Jeanne over uw toilet te overleggen opdat ge mij geen schande moogt aandoen."
En met een vlugheid, die menig jong meisje de bijna zeventigjarige vrouw zou benijd hebben, wipte zij de kamer

[116:]

uit, en Isabelle liet zich moedeloos in een laag fauteuiltje vallen.
De anderhalf jaar, die sedert den gedenkwaardigen 1 Mei verloopen waren, hadden haar niet veel zorgen gebracht. Haar tante bracht den winter met haar in Mentona door, en den zomer op een buitengoed, dat mevrouw Ducombel in de omstreken van Tours bezat.
Zij ontvingen daar weinig bezoek, ofschoon mevrouw een uitgebreiden kring van vrienden en kennissen had, maar zij eerbiedigde Isabelle's tegenzin om met menschen in aanraking te komen en wilde die heel gaarne op rekening stellen van haar rouw om grootmama's dood. In het diepste van haar hart was ze er echter van overtuigd, dat een teere hartskwestie in het spel was en Isabelle andere redenen had om zich van de wereld terug te trekken.
Met kiesche oplettendheid verzocht zij dus op haar kasteel geen vrienden gedurende den zomer en ofschoon ze reeds sedert bijna twee maanden in Parijs terug was, had zij haar salon, waarin zij geregeld tweemaal in de week ontving, nog niet geopend.
Mevrouw Ducombel was een vrouw van zaken in haar tijd geweest en in hoe menig opzicht zij Isabelle aan hare grootmama herinnerde, op dit punt bestond een hemelsbreed verschil; nog kon zij met verbazing opzien naar de vrouw, die over financieele kwestiën, beursoperatiën sprak met meer kennis dan de notaris Barends en dan betreurde zij het diep, dat een oude veete haar grootmoeder belet had zich eerder tot hare nicht te wenden.
"Als tante bijtijds de zaken van Dorenzathe in handen had genomen, dan zou er niets van dat alles gebeurd zijn," dacht zij menigmaal en schreef het ook aan haar vader, die nu eindelijk zijn lievelingsleventje en garçon in den Haag leidde en er volstrekt niet op gesteld scheen dat zijn dochter dit kwam deelen.
Isabelle van haar kant gevoelde zich bij de hartelijke, kinderlooze oude dame, die haar zoo teeder "mon enfant" noemde, geheel t'huis. Alles rondom haar was zoo deftig

[117:]

van toon, dat zij geheel en al vergat bij een onadellijke te zijn en bovendien waar kon zij in hare zonderlinge positie beteren steun vinden dan bij die moederlijke vriendin?
Mevrouw Ducombel was op en top een Parisienne: levendig, energiek, er geheel en al van overtuigd, dat een mensch niet op de wereld is om te treuren en te zuchten, maar dat na afgedane zaken er niets beters was dan een helder verlicht salon, waarin zij, omgeven door lieve, geestige menschen, zich aan het echte Fransche genot kon overgeven der "causerie'. Om andere genoevens gaf zij niet veel, maar een soirée bij te wonen, waar zij met een paar vrienden haar partijtje whist kon spelen, afgewisseld door een prettig gekeuvel over het nieuwste boek, de laatste financieele berichten, de opera, de comédie, die zojuist opgevoerd was, dit verzaakte zij niet gaarne.
"Zoo Isabelle eens mee is geweest," dacht zij, "bestaat er geen bezwaar meer om met mijn Mercredi's te beginnen."
Isabelle echter bracht een offer; zij verlangde niets van de wereld dan een wandeling langs de schitterende winkels der boulevards, bezoeken aan de kunstschatten van den Louvre, de opera, de Français en klassieke concerten. Overigens de eenzaamheid, de vergetelheid.
Zij had kennis gemaakt met eenige oude dames, die evenals madame Ducombel lid waren van een weldadige vereeniging. Haar tante kon niet meer zoo geregeld aan de vergaderingen en bezoeken in de arme wijken deel nemen en was dus blijde, dat Isabelle zich bereidwillig aanbood haar te vervangen.
Met vuur wijdde het meisje zich aan haar nieuwe taak; zij had nu. iets dat haar te handelen en te denken gaf; haar vingers hielden zich veel bezig met het naaien van grof linnen; aalmoezen kon zij niet geven. De jonge mevrouw Brons wilde niets van wat haar echtgenoot behoorde als het hare beschouwen, daarom schonk zij het werk harer handen, meer dan dat, de gave van haar troostend, opbeurend woord, als ze in de verblijven der

[118:]

ellende nederdaalde, een ellende, die men niet zou vermoeden, dat in het koninklijke Parijs der weelde en beschaving een plaats kon vinden.
Daar zag ze veel schuld en laagheid, maar aan den anderen kant ook opoffering en deugden, waarvan zij, in hare trotschheid zoo omsluierde jonkvrouw tot nog toe geen denkbeeld had gehad.
Andere gedachten dan die haar door de ijdele grootmoeder waren ingeprent, kwamen in haar helderen geest; zij begon in te zien hoe de adel van een naam niet het eerste voorrecht is, dat de mensch op aarde bezit.
Haar kennismaking met dames uit den deftigen burgerstand vooral, droeg er veel toe bij haar vooroordeelen zoo niet weg te nemen dan toch te verminderen. Zij had de gelegenheld de werkplaatsen te zien, waarin de menschelijke geest de stof bezielt, het genie de natuur aan zich dienstbaar maakt; haar verstand was te helder, haar doorzicht te scherp om geen eerbied te koesteren voor de wonderen door krachtinspanning, studie en volharding gewrocht, hetzij deze zich openbaarden in de onsterfelijke kunststukken, welke de zalen der musea vulden, of wel in monumenten, die van alle zijden hare aandacht trokken, meer nog in die bijna onzichtbare werkplaatsen, waar alles tot stand wordt gebracht, wat onze eeuw boven de eerdere eeuwen onderscheidt: de wonderen der industrie.
Parijs was voor haar de stad, waarin boven alles de geest zijn triomflied zingt, de stad, die het menschelijke stand als haar afgod huldigt, en tot nu toe kende Isabelle te weinig de wijze, waarop aan dezen afgod hulde werd gebracht. Zij leerde het nu, zij zag in hoe er in de wereld gewerkt, gestreden, geleden werd, hoeveelhet kost zich daarin een plaats te veroveren en zij moest zich met schaamte bekennen, hoe weinig het haar hier baatte vicomte de Marcy geboren te zijn!
Zonder de opoffering van een burgerjongen, was op dien naam een eeuwige schandvlek geworpen, en zij zelf? Hoe langer hoe meer voelde Isabelle zich nameloos vernederd tegenover dien jongen, zooals ze hem in hare

[119:]

gedachten noemde. Zij kon geen trots tegenover trots meer stellen, want waarop mocht zij het nog zijn?
Zij begreep, dat hij haar verachtte, dat hij het recht bezat, wanneer zij hem met verzoenende woorden tegemoet kwam, haar koel en fier van zich af te wijzen en dat, meende Isabelle, zou het zwaarst te dragen wezen. Intusschen trachtte zij niet aan de toekomst te denken. Het tegenwoordige zou zonder het voorgevallene gelukkig geweest zijn, nu was het alleen 't beste wat zij verlangen kon. Met meer waardigheid kon men zich in haar vreemdsoortigen toestand niet gedragen en het was slechts met den grootsten tegenzin, dat zij van haar gedragslijn afweek en dien avond hare tante in een vreemd gezelschap volgde.
De verschijning der schoone, aristocratische nicht van mevrouw Ducombel maakte indruk. Tot haar schrik bemerkte zij; dat tante niet de volle waarheid had gesproken, want het was geen eenvoudige soirée bijna en familIe, maar een danspartij in miniatuur,"een sauterie", zeide de gastvrouw verschoonend.
Isabelle was het vreemd te moede; sedert dien avond in de societeit van Grootenhuizen was zij niet in een groot gezelschap geweest. Alles kwam haar weer helder voor den geest; de bezwaren van bonne-maman, de luchtige scherts van den vicomte, het pokdalige gezicht van den ouden Brons en Alfred eindelijk. Toen reeds was zij begonnen hem koel en trotsch te behandelen en toch had hij haar aan zich willen verplichten.
"Neen, ik kan geen opgedrongen liefde beantwoorden. Dankbaar zal ik hem wezen. Hij heeft alle rechten; 't kost hem slechts éen woord en ik zal mijn plichten als vrouw vervullen, door aan zijn zijde te leven, maar hem beminnen, nimmer!"
En zij sidderde bij de gedachte, dat hij van besluit veranderen en haar dwingen kon met hem naar Dorenzathe te gaan. Als het zwaard van Damocles zweefde deze vrees Isabelle boven het hoofd en op dit oogenblik meer dan ooit.

[120:]

't Was haar of zij nu uit een veiligen schuilhoek zich in het volle licht waagde, of hij plotseling tusschen al die vreemden zou verschijnen om haar toe te roepen:
"Gij zijt een bedriegster, gij speelt een rol, gij draagt een naam, die niet meer de uwe is, Kom hier, volg mij!"
En ze was terug op Dorenzathe, zij zat aan tafel naast haar vader's schoenpoetser, hun timmerman sneed voor, de fruit verkoopster lag in bonne-maman's chaise longue uitgestrekt.
"Zoo diep in gedachten, freule?" zeide een stem naast haar. Zij zag op en herkende Albert d'Armainville.
"Kan ik u niet overhalen tot een dansje, een enkel?"
"Neen," antwoordde zij koel en beslist, "ik dans nooit."
"Op uw leeftijd is het ook een verboden vermaak," vervolgde hij met gemaakten ernst.
"Mijn leeftijd?"
"Ja, op uwe jaren, die u niet meer veroorloven wit te dragen en bloemen."
"Ik wist niet dat mijnheer de markies zich ook bezig hield met de toiletbijzonderheden der dames."
"Maar freule, als wij het niet deden, waartoe zouden de dames dan zoo veel aandacht wijden aan dat hoofddoel van haar leven?"
"Zoodat het eigenlijk ons levensdoel is, volgens uw oordeel, uwe kennis in modeartikelen te vermeerderen? Hartelijk dank, wij verdienen ni cet excès d'honneur, ni cette indignité."
"Een indignité?"
"In mijn oogen, ja, in andere misschien een excès d'honneur."
"Beschouwen alle Hollandsche dames deze zaak uit dat oogpunt? Maken zij toilet alleen om een genot te hebben van hoogen, aesthetischen aard?"
"Ik weet het niet," lachte Isabelle, "ik weet alleen, dat ik mij zoo somber heb gekleed om niemand in de verzoeking te brengen, een vergeefschen aanval te wagen op mijn gezelschap als danseres."

[121:]

"Onverbiddelijk dus?"
"Onverbiddelijk."
"Ook geen tourtje door de zaal, zonder te dansen."
"Liever niet."
"Maar wat is u dan, freule? Een religieuse in zijden japon, een savante, een bas bleu?"
Isabelle glimlachte, haalde even de schouders op en antwoordde:
"Misschien."
"Geheimzinnig meisje!" dacht de markies, na een diepe buiging voor haar gemaakt te hebben, terwijl hij zich verwijderde, "dat leven moet een bladzijde bevatten waarop het antwoord staat van het raadsel, dat ze op haar schoon voorhoofd draagt, de zwarte sfhinx."
Dit woord maakte opgang. Want de markies, die er op gesteld was dat men zijn gevatheid bewonderde fluisterde het onder een quadrille aan zijn dame toe en zoo maakte het, nog eer de avond half om was, de ronde door het salon.
Isabelle zat intusschen op de canapé naast een dame die drie dochters onder de danseressen telde en met alle ernst haar verhaalde over de moeite, die het tegenwoordig kostte, meisjes zonder bruidsschat uit te huwelijken.
Isabelle deed haar best aandachtig te luisteren; haar tante, die naast de gastvrouw zat, ergerde zich over haar ernstige houding.
"Dat kind zoekt de oude dames op; zij is niet te bewegen, zich bij het jonge volkje te voegen," fluisterde zij hare vriendin toe; "'t is de schuld van haar grootmoeder, die haar eenzelvig heeft grootgebracht, en dan komt ze uit een land, waar men niets vindt dan grachten en moerassen. Water, water en niets dan water, grauwe lucht, mist en slijk. Geen wonder, dat zij nog wat stil is, maar het zal overgaan."
"Wanneer ge me niet het tegendeel verhaaldet, beste Isaure, had ik gemeend dat uw nichtje een getrouwde vrouw was, geen weduwe, want die, ge ziet het aan madame de Joigny, zijn vroolijker dan de jonge meisjes."

[122:]

"Ze durven in elk geval meer, maar haar toilet, haar houding, ze zijn niet die van een meisje, dat nog maar even over de twintig is. Overigens zeer gedistingeerd."
"Every inch a lady," zei een bejaard generaal, die de laatste woorden had opgevangen en ook bij de theetafel zat.
"Ge hebt ons beluisterd, foei mijnheer, dat is leelijk," en mevrouw Ducombel dreigde met haar vingertje, "maar ge hebt veel goed gemaakt met uw compliment, dat al te waar is om overdreven te schijnen."
De oude heer boog zich lachend naar de vriendelijke zeventigjarige; een oogenblik later stond bij op, nam den stoel in, die aan Isabelle's andere zijde openstond en bevrijdde haar alzoo, door een aangenaam gesprek, van de jeremiades der familie-moeder.
Na de weigering door den markies ondervonden, waagde niemand het meer haar ten dans te vragen; zij vermaakte zich zeer goed in het ernstige onderhoud met den generaal, maar het was haar toch aangenaam toen mevrouw Ducombel, vroeger dan zij verwachtte, aanstalten maakte om heen te gaan.
Nauwlijks zaten ze in het rijtuig of de oude dame riep:
"Nu zie ik toch in dat het je ernst is met je douairière-manieren. Kijk me eens aan, Isabelle, en zeg me, wat zijt ge toch voor een kind, dat een geheelen avond een vroolijk intiem gezelschap rondom je ziet en rustig blijft zitten tusschen een grijzen generaal en een oude, lastige klaagster.'
"Ik heb me zeer goed geamuseerd, tante!"
"Werkelijk? Dat doet me genoegen! Welnu, je zult nog velen van uwe nieuwe kennissen spoedig terugvinden. De generaal heeft mij gevraagd of hij woensdag mag komen en mevrouw d'Armainville heeft mij toevertrouwd, dat Albert je adorable vindt."
"Tante, lieve tante, spaar me toch!"
"Kind, is dat de hollandsche etiquette, die je zoo teruggetrokken doet zijn? Ik dacht juist dat je meer op zijn engelsch waart opgevoed, vrijer dan de Françaises."

[123:]

Isabelle sprak geen woord meer; zij leunde achterover in de kussens, en liet haar tante praten, doch toen beide dames weer in haar salon terug waren en het licht der gaskroon zijn stralen wierp op Isabelle's trekken, zag de scherpe blik van madame Ducombel duidelijk, dat er sporen van tranen lagen in haar oogen en op haar wangen.
"Kom, lieve kind, trek je de zaken niet aan," zeide zij troostend, "men dwingt niemand tot zijn genoegen. Ik dacht, dat je alleen zoo afkeerig van gezelschap waart omdat je geen ondervinding hadt van het gezellige van een parijsche soirée, maar als je zoo standvastig blijft en je daar zoo verveelt, ga dan in 's hemelsnaam maar met madame Bronchat naar een opera of concert, waar niemand je zien noch spreken kan, of naar een vereeniging van dames de charité."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina