doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


HOOFDSTUK XIV.

Zoo gingen twee dagen voorbij, en zonderling, Isabelle verlangde niet dat het anders zou worden; zij vreesde nog steeds voor Alfreds geheele bewustzijn; op den morgen van den derden dag scheen Alfred eindelijk een natuurlijken slaap te genieten, de kleur van zijn wangen, hoewel bleek, was niet ziekelijk meer en zijn ademhaling scheen weder geregeld.
Yvonne beloofde onder haar werk soms naar den zieke te komen zien en Isabelle ging naar het dorp, waar zij

[223:]

eenige boodschappen te doen had en eenige der gewonde mijnwerkers bezoeken wilde.
Nadat zij ongeveer een half uur weg was, ontwaakte Alfred; lang duurde het, voor dat hij een duidelijk begrip had van alles, wat er voorgevallen was; langzamerhand verzamelde hij echter zijn herinneringen. Hij hoorde weder den zwaren donderslag, dien het instorten der mijn veroorzaakte, hij zag zich zelf en zijn vijf makkers ingesloten, met eenige lampen en twee stukken brood; hij kon zich nog even flauw bedenken, hoe hij hun 't voorbeeld gaf om zich met het houweel in de hand een weg te banen door het ingestorte. gedeelte naar de zijde, van waar hulp kwam opdagen.
Na vier en twintig uren van onvermoeiden arbeid en doodelijke angsten, hoorden ze eindelijk van den anderen kant in de kolen werken, dat gaf hun moed; nog eenige uren! Helaas! de honger begon hun te kwellen; het brood, dat een hunner toevallig bij zich droeg, werd in steeds kleinere stukken verdeeld; de uren vergingen, zij waren dagen geworden, doch hij wist niets meer dan dat een zachte hand langs zijn voorhoofd gestreken en een zoete stem Alfred gezegd had.
Maar wat was de werkelijkheid, wat de droom? Hij stond op van zijn hulpleger en trachtte te loopen; hij was echter nog zwak: wankelend bereikte hij den fauteuil, waarop Isabelle hare nachten doorbracht, liet zich daarin nedervallen en zag rond...
Op een der stoelen lag een lichtblauwe shawl, iets verder een damestaschje; geen twijfel meer, een vrouw was hier geweest. lsabelle! zijn hart klopte van blijde verrassing en teedere aandoening; zij was gekomen, de plicht had gezegevierd.
O, wat hij haar danken, zegenen zou! Wie kon hen nog scheiden? Hij wist het immers, zij had een edel hart; zoo zij eens afkeer voor hem had gevoeld, geen wonder!
Hoe was hij niet aan haar opgedrongen. En later was hij ruw, grof tegen haar geweest. Hij had zich tegenover de adellijke dame getoond als een ruwe zoon van

[224:]

het volk en genoeg hadden hem zijn bittere woorden berouwd, maar haar trotsche houding had hem ook trotsch gemaakt en de woorden, die haar vergeving moesten inroepen, op zijn lippen doen verstijven.
Doch nu, wanneer zij terllgkwam, zou hij haar vergiffenis vragen, haar verzekeren dat hij gelogen had op dien avond bij het vuurwerk, dat hij haar toen aanbad meer dan ooit, doch dat hij een dwaashoofd was, en dat hij toen niet wist, wat hij zeide of dacht.
Zijn hart jubelde en zong een danklied mede met de vogels, die daarbuiten in het bout kweelden en zongen van blijdschap, daar de winter voorbij en de lente verschenen was. Voor hem immers brak nu, drie jaren na zijn huwelijk, de lente eerst aan. De eenzame treurige winter was geleden. Gelukkige ramp, gelukkige bezwijming, die hem eindelijk teruggaf aan haar, wie hij sinds jaren liefde en trouw had geschonken...
Wanneer kwam zij terug, zijn Isabelle? O, waarom ontbrak aan zijn voeten de kracht om haar tegemoet te snellen, haar aan zijn hart te drukken, vergeving te vragen en te danken voor haar komst, hare zorgen?
Hij trachtte weer op te staan, het ging niet; naast hem op een tafeltje lag een boekje. Hij herkende het: l'lmitátion in goudleer gebonden, hetzelfde dat Isabelle in hare hand hield, toen zij ingeslapen was, beschenen doot de stralen der ondergaande zon en hij half krankzinnig van smart en toorn zijn lippen had gedrukt op den zoom van haar kleed, voordat hij de wijde wereld inging.
Glimlachend nam hij het ter hand en waar hij sporen zag van hare vingers, kuste hij die vurig. Er lagen eenige prentjes en papieren in; hij bezag de eerste en de anderen legde hij ter zijde. Een beschreven velletje van licht lila papier deed hem 't bekende schrift van den vicomte zien. Zonder het in te zien wilde Alfred voortbladeren, toen hij op het papier 't woord Brons voor zijn nog zwakke oogen zag dansen. De nieuwsgierigheid werd hem te sterk; hij deed zijn best om te lezen en slaagde er maar al te goed in; boek en papier ontvie

[225:]

len zijn handen en met een doffen gil zonk hij achterover; waar was de vreugde van zooeven? Waar het verlangen naar Isabelle, dat hem straks nog vervulde?
"Sluwe berekening, anders niet! Ze verlangen mijn geld en verder niets. Ware ik gestorven, dan was haar doel bereikt. Nu echter is zij teleurgesteld; welnu, Dorenzathe zal van haar wezen, maar elken band verscheur ik. Amerika staat nog open, daar zal ik mijn leven voortslepen, doch van haar verlang ik niets meer. O, mijn arm, dwaas hart, dat nog op haar vertrouwde; haar gemoed is even egoïstisch, een koud als dat haars vaders, wiens raad zij in alles opvolgt. Toen alleen was zij waar, toen ze mij de bloedigste beleedigingen deed, later kwam de koele berekening en wilde zij zoo veel mogelijk partij trekken van haar opoffering. En ik ben veroordeeld eeuwig aan dat schepsel verbonden te zijn.
Yvonne trad binnen en was verwonderd hem op den fauteuil te zien; hij verzocht haar, zijn kermisbed weg te ruimen en het boekje met de daaruit gevallen papieren op te rapen.
"O, mijnheer, wat zal mevrouw blijde wezen," sprak de boerin.
"Zoo?"
"Met wat een zorg zij u opgepast heeft! De dokter heeft gezegd, zonder die voortdurende waakzaamheid ware het slecht met u gesteld geweest."
"Is zij uit?"
"Ja, mijnheer, zij wilde de zieke mijnwerkers bezoeken, doch ze zal wel dadelijk terugkomen. Ha, ik hoor het al, zij is, den tuin binnengekomen."
En de goede vrouw verwelkomde Isabelle bij de deur.
"Zie, mevrouw, wat een verrassing! Mijnheer is uit zichzelf opgestaan en zit reeds in den fauteuil."
Alfred opende zijn oogen niet, toen ze binnentrad en kon de gelukkige uitdrukking op haar gelaat dus niet bemerken; zachtjes kwam ze nader. Bedeesd als een schoolmeisje, bleef zij naast hem staan en sprak toen met bevende stem:

[226:]

"Alfred."
"Het gaat goed! Ik dank u," antwoordde hij koel en wendde het gelaat af.
Zij verbleekte en wendde zich tot Yvonne.
"Is hij niet bij zijn verstand?"
"Me dacht zooeven van wel! Doch hij is nog zwak."
Isabelle bracht hem zijn ontbijt; hij beproefde te eten, vermeed haar aan te zien en kon niets door de keel krijgen. Zij was geheel uit het veld geslagen en wist niet wat te denken; zijn lippen waren vast opeen geklemd, zijn oogen staarden hard en onverschillig voor zich uit.
De dokter kwam zien en vond dat zijn krachten toenamen, maar vreesde dat zijn ziel geschokt was; hij sprak geen woord en verbrak zijn somber stilzwijgen, alleen nu en dan door een zucht,
"Alfred," vroeg lsabelle beschroomd, "zeg me éen ding, is mijn tegenwoordigheid u onaangenaam?"
Hij knikte van ja: zij werd doodsbleek en knielde naast zijn stoel neer.
"Wilt ge, dat ik van hier ga?"
"Neen," antwoordde hij hijgend, "neen! Blijf, want wellicht is deze beterschap slechts bedriegelijk. Wat er echter ook gebeure, uw toekomst is verzekerd! Sedert lang ligt in mijn bureau een testament waarin ik u Dorenzathe vermaak. Mocht ik herstellen dan zal ik het uw vader schrijven, daar ge te trotsch schijnt om dadelijk uit mijn hand iets te ontvangen. Ik zal u niet meer zien, de wereld is groot genoeg om elkander te ontwijken; het leven is mij een te groote last, helaas! dat noch uwe, noch mijne wenschen het verkorten kunnen!"
"Maar wat spreekt ge toch raadselachtig? Waarom is het leven u tot last? Alfred, ik dacht dat uwe liefde grooter was; waaraan heb ik nu dezen haat verdiend?"
"Ik ben hard jegens u geweest; maar toen wist ik niet, wat gij voor mij deedt en de smart maakte mij half waanzinnig, ik meende dat ge mij vergeven hadt; wanneer uw afkeer jegens mij echter te groot is, dan kunt

[227:]

ge mij verlaten zoodra gij sterk genoeg zijt. Wat mij betreft, zoolang ge zwak .en hulpeloos blijft, zal ik niet van uw zijde wijken, ik heb al te lang mijn plichten als vrouw verwaarloosd."
Snikkend lag zij naast hem ter aarde; wie had het hem ooit voorspeld dat hij freule de Marcy, die hij hooger dan een vorstin vereerde, weenend aan zijn voeten zou zien? Doch was dit alles geen huichelarij?
Hij wendde zich om en drukte zijn hoofd diep in de kussens. De tranen verstikten hem; hij kon echter niet schreien, toorn en achterdocht vervulden zijne ziel te veel.
"Kon ik haar gelooven, kon ik haar gelooven!" deze wensch keerde onophoudelijk bij hem terug, maar ach! wie gaf hem dat verloren geloof weer?
Zwijgend bleef Isabelle hem verzorgen: hij zag haar aan en volgde elk harer bewegingen, doch geen woord dan volstekt noodig was kwam over zijn lippen.
"Wat is zij mooi! Hoe bedroefd ziet zij er uit. Doe ik haar zoo lijden?" deze martelende gedachten lieten hem geen rust. Ware hij gezond en sterk geweest, hij zou ongetwijfeld haar alles verhaald en om uitlegging gevraagd hebben, doch zijn ziekelijke toestand maakte hem prikkelbaar en eigenzinnig.
Isabelle echter zag dat haar ongeluk beslist was; hij beminde haar niet meer; zij was in Holland en Frankrijk reeds bekend als zijn vrouw en hij verstiet haar nu openlijk, de maat was vol! Wie, weet of zijn gedachten niet onophoudelijk bij Valentine waren!
Zoo brachten zij den dag door, de avond viel en de morgen kwam weder; doch niets veranderde in hun verhouding; ze bleven elkander even verre, hoewel hun geest onophoudelijk met elkander bezig was.
Tegen den avond zette Isabelle haar hoed op en zeide:
"Ik ga even naar de zieken zien! Yvonne zal u komen bezoeken."
"Goeden avond!"
"Tot straks!"
En zij ging heen, blijde alleen te kunnen zijn met

[228:]

hare gedachten, die allen even treurig waren. Ook hij was tevreden haar smartvol gelaat, dat hem; onophoudelijk stille verwijtingen deed, voor een oogenblik niet meer te zien.
Brénis kwam een poosje met hem praten; hij vond hem echter te neergeslagen en te afgetrokken om iets over mevrouw Brons te zeggen. Yvonne trad ook binnen en bracht een paar brieven en couranten, die Alfred onverschillig naast zich nederlegde. Nauwelijks was echter Brénis vertrokken of hij greep haastig een lila enveloppe met goudlak verzegeld en brak ze snel open.
"Geachte Heer," las hij, "een zeer kiesche famieliezaak dwingt mij het woord tot u te richten. Mijn dochter, wier grillig, fantastisch humeur mij reeds, helaas! zeer veel verdriet gaf, schijnt nu weder "een nieuwe caprice te hebben; niettegenstaande hare belangen het nu noodig maken dat het tusschen u beiden bestaand schijnhuwelijk ten spoedigste ontbonden wordt, wil zij juist thans, nu het voor haar dringend noodzakelijk is, in dezen handelend op te treden, haar geheele gedragslijn verloochenen en zich met u verzoenen.
Ik geloof toch met te veel van uw loyauteit te vragen, wanneer ik een beroep op uw eergevoel doe en u verzoek wel te willen begrijpen, dat op dit oogenblik uw vader, quasi geruineerd zijn de, een verbintenis tusschen u en de jonkvrouw Isabelle de Marcy ten hoogste onpassend voor haar zou zijn. Het geld, dat gij volgens uwe verplichtingen jaarlijks aan haar afstondt, berust nog in mijn handen; om haar kiesch gevoel te sparen,
heb ik haar over deze geldkwestie nooit gesproken. Ik wil mij niet rechtstreeks tot haar wenden, omdat ik, na in mijn laatsten brief haar de praktische zijde der zaak misschien wat te openhartig te hebben blootgelegd, een schrijven van haar ontvangen heb, waarin zij zeer te kort schiet aan den eerbied haren vader verschuldigd.
Reeds meermalen heb ik bewijzen ontvangen van uw echt ridderlijk eergevoel en daar ik uit Isabelle's

[229:]

schrijven opmaak, dat zij zich thans verbeeldt u te beminnen, acht ik mij verplicht uwe tusschenkomst in te roepen... Meer las Alfred niet van de vier zijden, die nog volgden. "Yvonne!" riep hij de boerin toe, ik ga naar boven!"
En wat wil u in 's hemelsnaam daar doen, mijnheer?"
Ik ga me kleeden."
En kan u dat? U is nog zoo zwak!"
En als met een nieuw leven bezield, ging hij het trapje op, verfrischte zich hoofd en gezicht en trok zijn beste kleeren aan. Een half uur later kwam hij beneden, nog wat bleek en afgemat, maar toch zoo levendig als in zijn gezondste dagen.
"Is mevrouw nog niet terug, Yvonne?" vroeg hij. "Nog niet, mijnheer!"
"Dan ga ik haar tegemoet." "U vergt te veel van uwe krachten, mijnheer?"
"Wees maar niet bang! Ik wensch gezond te zijn en oud te worden, dat is het voornaamste! Zorg dat er van avond iets goeds gereed is voor het soupé."
Hij nam zijn hoed en ging den tuin in; nu en dan moest hij zich aan een boom vasthouden, want telkens overvielen hem duizelingen, doch zijn wil hield hem staande. Hij richtte zich naar de vervallen trapjes, van waar men den weg naar het dorp overzien kon; de avond viel, de laatste stralen der zon wierpen vonken goud op de vensters der huizen en de stroodaken aan zijn voeten; de lande was gehuld in een geheimzinnig paars licht en rondom de mijn scheen de oude levendigheid weer te heerschen, maar nergens een spoor van Isabelle.
"Als zij eens vertrokken was," en die gedachte deed hem van schrik haast neerstorten, "mijne arme, lieve Isabelle, hoe heb ik haar beleedigd en gekweld! Zal ik haar nog ooit dit alles konnen doen vergeten! Wellicht is zij terug naar Parijs, doch bij God! Ik zal haar terugvinden!"

[230:]

Eenige stappen verder stond een bank in een kamperfoelieprieel verscholen, daarheen sleepte hij zich en bracht eenige minuten in smartelijke spanning door, die hij eenigszins verlichtte door zoo hartelijk mogelijk op zijn schoonvader,. de oorzaak van alles, te schelden.
Isabella keerde ondertusschen terug, treurig en somber gestemd. Pas had zij een tooneel van huiselijk geluk en onderlinge liefde gezien aan het bed van een mijnwerker, die het gevaar ook te boven gekomen was en wiens vrouw en kinderen juichend God voor zijn behoud dankten, en zij was. eenzamer dan ooit, niets bleef haar over, zelfs geen hoop.
Langzaam beklom zij de trappen en overwoog bij zichzelf of het niet beter zou wezen, morgen reeds te vertrekken, daar haar tegenwoordigheid Alfred toch hatelijk was en misschien zijn genezing vertraagde, toen zij hem plotseling voor zich zag staan.
"Isabelle," riep hij, "ach, vergeef mij!"
Zij voelde zich omstrengeld in een onstuimige omhelzing; hij trok haar met zich voort naar het prieel en zonk toen half machteloos naast haar op de bank.
"Kan je mij vergeven," snikte hij, "ik heb je miskend, ik heb je mishandeld op de laagste wijze, ik verdien je liefde niet meer, maar ik ben een dwaas geweest mijn leven lang!"
"Alfred, je bent dus niet boos meer op mij?" vroeg zij met van vreugde schitterende oogen en ze weenden in elkanders armen als een paar groote kinderen, die elkander in lang niet gezien hebben en nu eindelijk terugvinden.
Alfred liet zijn vermoeid hoofd op haar schouder vallen en zij ondersteunde hem, tusschen haar tranen glimlachend.
"Ik hoopte het een weinig," sprak zij, "dat je prikkelbaarheid een gevolg van je zwakte zou zijn, maar nu moet je rustig wezen en kalm. Alles is immers goed?"
"Verlaat je mij niet meer, Isabelle?"
"Neen, Alfred, niet voor de dood ons scheidt."

[231:]

"En ben je alleen gekomen, omdat het je plicht was?"
Zij bloosde hevig, terwijl zij antwoordde:
"Neen, al had ik het ook gewild, ik kon niet anders handelen, ik heb je gehaat, gevreesd, geacht en eindelijk begon ik je te beminnen, meer dan iemand ter wereld. Ik kon het niet helpen, hoe koeler je tegen mij waart, hoe inniger mijn liefde werd. O wat deedt je mij lijden! Ik geloof dat het begon na ons gesprek op het terras der Mirécourts."
"Ach, die rampzalige dag! Wat ik voelde, Isabelle, toen ik je terugzag schooner dan ooit; bewonderd en gevierd, terwijl niemand vermoedde, dat je alleen mij behoordet, is mijn eenige verontschuldiging. En wat dacht je van mij, bij al die ontmoetingen, bij de Mirécourts, hier in Cohanec, waar ik mij zoo koel en onverschillig gedroeg?"
"Dat je meer dan ooit uw edelmoedige daad betreurdet en dat je mij gaarne verruild zoudt hebben tegen Valentine?"
"Valentine ? Wie is dat? De freule Mirécourt, dat kind? Isabelle, je bent niet ijdel!"
"Maar laat ons naar binnen gaan: het word te koel voor u."
Zij gaf hem den arm en hij leunde meer op haar dan hij wel noodig had en zoo traden ze in het kamertje, waar de lamp was opgestoken en waar het er eensklaps zoo gezellig en vroolijk uitzag als nooit te voren.
Toen Yvonne met het souper binnenkwam, zaten mijnheer en mevrouw naast elkander, hand in hand, in zulk een druk gesprek, dat de goede ziel het noodig achtte eene opmerking te maken om mijnheer te waarschuwen, zich toch niet te veel te vermoeien.
Alfred en Isabelle dankten voor de belangstelling en zij zeide in het Hollandsch:
"Ze moest eens weten, hoe dit eigenlijk het eerste gesprek is, dat we voeren, en dat we tot nu toe elkander nog niets anders hebben toegevoegd dan hatelijkheden."
Zoodra het mogelijk is schertsend te spreken over vroegere oneenigheden, dan is de sluier der vergetel

[232:]

heid voor goed over het verleden gevallen, en dat woord van Isabelle deed Alfred meer goed dan de ernstige verzekering, dat zij aan niets meer dacht.
"We zullen den tijd hebben, hoop ik, om alles goed te maken," en hij drukte haar weer aan zijn hart.
"Nu nog een vraag," zeide Isabelle, nadat zij het soupé gebruikt hadden, "je leeft als een kluizenaar. Ieder verwonderde er zich over. Voor wien spaar je toch? Want de ongelukken van je vader dagteekenen van slechts zeer korten tijd."
Alfred glimlachte. "Geheimen wil ik niet voor je hebben, maar deze zaak mag je eerst later weten; thans niet, ik wil niet dat een wolkje je voorhoofd verduistert, Een ding moet ik je zeggen, daar jij over geldzaken begonnen zijt. Weet je, dat ik zoo goed als arm ben, want je mooi Dorenzathe brengt al heel weinig op, en ik werken moet om u en mij te onderhouden?"
Zij lachte trotsch.
"En weet je wel, dat ik rijk ben, dat je een jaar voor je vrouw hebt gewerkt, dat die halve mijn aan mij toebehoort? Ik breng je meer dan mijn titel."
"We zijn te innig verbonden, IsabelIe, dan dat goud of adel ons nog scheiden kunnen. Doch zeg me een woord, waarom heb je je vader gevraagd stappen te doen voor de ontbinding van ons huwelijk?"
"Hoe weet je dat?"
"Door je vader."
"Heb je wellicht den brief gelezen in mijn Imitation? Ach, papa meent het zoo niet; hij begrijpt weinig van ons gevoel, hij is wat egoïst, maar overigens in deze zaak heeft hij niets over mij te zeggen."
"Doch je antwoord mij niet? Was het om dien truffel-ingenieur?"
Isabelle lachte hartelijk en schudde-het hoofd van neen.
"Nu waarom dan? Waart je mij zoo moe?"
Zit verborg haar gelaat op zijn schouders en fluisterde:
"Neen, om je in staat te stellen gelukkig te zijn met Valentine."

[233:]

"Hartelijk dank voor je teere zorg! En eerst toen je van je vader hadt vernomen dat ons huwelijk niet te ontbinden was, ben je hierheen gekomen?"
"Alfred," riep zij verontwaardigd uit, "je bent nog niet genezen van je achterdocht. Je verdient het niet, maar nog eens zeg ik het je en dan nimmer meer, want het zou je nog trotscher maken dan je reeds zei. Ik heb dezen winter met mijn gedachten meer in deze kamer geleefd dan te Parijs; elk voorwendsel was mij goed om bij je te kunnen komen en hier aan je ziekbed heb ik pas den brief ontvangen, dien je zoo bescheiden geweest zijt te lezen, een schandelijken brief, dien ik vernietigen zal, want hij is een vicomte en mijn vader onwaardig, doch hij heeft een antwoord ontvangen, dat hem leeren zal van zijn schoonzoon op een anderen toon te spreken."
Dien nacht kwam de koorts bij Alfred weer terug; doch tegen den, morgen voelde hij zich beter en daar hij zoowel in zijn droevige als gelukkige dagen niet licht zijn zaken vergat, liet hij Brénis komen om met hem de middelen te beramen ten einde het ongeluk in de mijn te verhelpen.
"Wat is mijnheer veranderd sedert gisteren," sprak de oud-ingenieur verwonderd tot mevrouw Brons, die hem meteen gelukkigen glimlach ontving.
"Daar is de vriendelijke fee, die het wonder heeft verricht," antwoordde Alfred, en Isabelle zeide:
"Verbeeldt u, hij heeft me eerst gisterenavond herkend."
"Onbegrijpelijk; ik vond mijnheer gisteren wel stil en treurig, niet zoo opgewekt als thans, maar zijn verstand had hij toch, meen ik, ten volle."
"Zijn verstand misschien, maar niet zijn hart," schertste Alfred.
's Middags wilde hij reeds de gewonden bezoeken, doch zijn vrouw verzette er zich tegen en hij vergenoegde zich met een wandeling door den tuin; ze hadden zooveel, met elkander te bespreken, zooveelte verhalen, dat de tijd voor hen omvloog.

[234:]

Op de bank van het pavilloen gezeten, onder de reeds groene linde, waren ze zoo verdiept in hun gesprek, dat zij de aankomst niet bemerkten van een reiziger, die hen zachtjes naderde.
"Mijnheer Mirécourt," riep Isabelle plotseling.
"Kom ik u storen, dat spijt me zeer," zeide de baron glimlachend, "hoe het u gaat, Brons, behoef ik niet te vragen. Zooveel levenslust als thans heb ik nog nooit te voren in uw oogen gezien."
"Het leven begint ook nu eerst zich in zijn volle schoonheid aan mij te vertoonen," antwoordde hij enIsabelle vulde aan:
"Wij beginnen onze wittebroodsweken, na drie jaren getrouwd te zijn."
De baron zette zich bij hen neder en bracht hen een boodschap over van mevrouw Ducombel, die Parijs verlaten had en het jonge paar in La Combelière verwachtte.
"We zullen vertrekken, zoodra ik de mijn weer in orde heb," zeide Alfred, doch de baron drong er op aan, dat hij dit aan Brénis zou overlaten, "tenzij..." voegde hij er glimlachend bij:
"Dat u het zoete tête à tête der wittebroodsweken nog langer wilt rekken."
Na een uur met hen gepraat te hebben, vertrok de baron weder en drong vriendelijk bij hen aan op een spoedig bezoek in Beausoleil.
Toen hij vertrokken was, zeide Isabelle vroolijk:
"De baron weet zich goed te houden; hij toont niets van zijn teleurstelling."
"Teleurstelling, wat bedoel je?"
"Och, ben je zoo onnoozel, dat ge niets gemerkt hebt van zijn plannen? Wat heeft hij je dezen winter gevraagd?"
"Weet je dat ook al? Nu, ik vermoedde zijn bedoeling niet bij die vraag; mijn gedachten waren te veel met een andere bezig om aan zijn dochter te denken; je bent de eerste, die mij op 't denkbeeld bracht, dat er plannen bestonden om mij aan Valentine te koppelen.

[235:]

Edelmoedig zieltje, was het voor mij dus dat je werktet, zoudt je dan denken dat ik ten tweeden male de dwaasheid zou gehad hebben mij met een freule in te laten?"
"Neen, een meisje "uit het volk" beviel je beter."
"Slechts een enkele en geen andere," en zijn trouwring, dien Isabelle hem weder aan den vinger gestoken had aan de lippen drukkend, sprak hij diep ontroerd:
"Het devies van den heiligen Lodewijk is ook het mijne: Hors cet anel point d'amour."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina