Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK XIII.
In onbeschrijfelijke spanning kwam Isabelle bij de mijn aan; hoe scheen alles veranderd sedert het vorige jaar! In het dorp teekenden angst en schrik aller gelaatstrekken; zij durfde echter geen vraag doen, want uit iederen mond vreesde zij Alfred's doodvonnis te vernemen en dan... Zij waagde het niet den zin te voltooien, den zin, die over haar leven beslissen zou, dat haar troosteloozer en somberder toescheen dan ooit te voren. In het dorp gekomen, stapte zij uit en wandelde naar den haar bekenden ingang der mijn; overal hoorde zij het gejammer en geschrei der vrouwen en kinderen van de bedolvenen; nog ondervroeg zij niemand en kwam aan de plaats, waar de meesten verzameld waren, begeerig naar iets naders omtrent het lot der ongelukkigen. Eindelijk deed zij een weenende vrouw de vraag, of er al eenigen gered waren.
[217:]
"Drie zijn gevonden, waarvan een zwaar gekwetst en een reeds dood; nog zijn er drie beneden; het getal is zoo groot niet als men aanvankelijk meende, doch mijn arme broeder is er ook bij." "En de ingenieur?" vroeg Isabelle, die het kloppen van haar hart niet meer hoorde. "Hij is ook nog vermist; sedert drie dagen zijn ze beneden; al is hun leven ook gered, wat moeten zij niet lijden door den honger?" Hoe Isabelle de kracht nog bezat voort te gaan en als een slaapwandelaarster zich te wagen tot aan den ingang, bleef haar steeds een raadsel. "Jonkvrouw de Marcy," hoorde zij plotseling zeggen; zij staarde rond en zag, dat zij voor den baron de Mirécourt stond; "heeft uwe tante u gezonden?" "Neen," antwoordde zij, "ik kom in persoon tijdingen vragen van mijn echtgenoot." "Uw echtgenoot?" "Ja, de ingenieur Brons." Als de mijn met geweld ingestort ware, dan zou de baron met geen grooter verbazing opgehoord hebben; dadelijk echter beheerschte hij het gevoel van verrassing, dat zich van hem had meester gemaakt, en sprak: "Men is nu in groote spanning, mevrouw, nog slechts een hoop steenen scheidt de redders van bet tooneel van het ongeluk; het schijnt dat de bedolvenen niet verpletterd zijn, maar ook van hun kant hebben gewerkt om de bouwvallen weg te ruimen." "Leven zij nog?" "Wij willen het hopen, mevrouw, men heeft geluiden gehoord." De bel werd met hevigheid getrokken, de touwen werden in beweging gebracht, en eenige minuten later, die wel jaren schenen te duren, kwam Brénis boven, die niet tot de verongelukten behoorde en de hulptroepen leidde. Hij ondersteunde een schijnbaar levenloos lichaam, dat eenige vrouwen omringden en met een dierbaren naam noemden.
[218:]
"En de anderen?" vroeg de baron. "De doorgang is vrij; de opzichter Thomas is nog bij zijn verstand; hij zal dadelijk boven worden gebracht." "En Brons?" "Tot gisteren heeft hij den anderen moed ingesproken en zelf meegeholpen tot de bevrijding; toen begon hun licht uit te dooven, hun geringe mondvoorraad was verbruikt en hij is neergevallen, verder in de gang. Ik zal hem zoeken." Hij daalde af en kwam kort daarna weer te voorschijn. "Brons is gevonden!" riep hij, "doch ik vrees..." De baron had Isabelle zijn arm geboden en zij was hem dankbaar voor dien steun want zij voelde dat haar krachten haar ontzonken, te lang was zij moedig geweest. "Mevrouw," sprak hij, alle hoop is niet verloren! Er kan van niets anders sprake zijn dan van vermoeienis en uitputting. Uwe echtgenoot is jong en sterk; ik vreesde dat hij verpletterd zou zijn doch, dit is Goddank, niet zoo! Laat mij u naar zijn vertrekken brengen, over een kwartier kan hij er zijn." Isabelle liet zich leiden en in de kamer aangekomen, waar zij eenige maanden geleden hem nog zoo vol leven en gezondheid gezien had en waar nu de schaduwen des doods heerschten, overviel haar een doffe wanhoop. Zij zonk op de canapé neer in een toestand van wezenloosheid, die de baron erger vond dan de uitbarsting der luidste smart; hij gaf haar wat te drinken en sprak haar bemoedigend toe. "Mijn God! als hij eens stierf! Welk eeuwig zelfverwijt!" lispelde zij eindelijk en sprong eensklaps op; in de verte had zij stemmen gehoord. Het was slechts de boerin, die op bevel van den baron in der haast een hulp bed op den vloer der kamer spreidde, waarop de gewonde zou neergelegd worden. "Daar komt hij," riep de vrouw, "God geve dat hij nog leven moge, die goede, vriendelijke heer!" Isabelle snelde ademloos naar buiten waar een treurige stoet de ruïne naderde.
[219:]
Op een baar lag Alfred, met bebloed aangezicht, waarop de kleur des doods reeds rustte, in zijn blauwen aan flarden gescheurden kiel; een arm hing slap langs zijn lichaam, de andere hield nog een houweel omklemd. Een geneesheer ging naast de baar, terwijl verscheidene mijnwerkers met hun verwanten belangstellend volgden. "Dood?" vroeg Isabelle en het scheen of meer dan haar eigen leven van die vraag afhing. Een gebaar van den geneesheer duidde aan, dat hij het nog niet wist. De zieke werd op de matras neergelegd en allen ontvingen bevel naar buiten te gaan. De baron, de dokter en Isabelle bleven alleen bij den gewonde. "Ik verzoek u spoedig te werk te gaan," zeide de baron, "mevrouw Brons is in de grootste spanning over het lot van haar echtgenoot." De geneesheer, die niets van Alfred's familieverhoudingen kende, vond dit niet meer dan natuurlijk en begon zijn onderzoek. Isabelle stond hem met bewonderenswaardige kalmte bij. Het glas aan zijne lippen gebracht besloeg even en hij verzocht azijn en water om het gelaat te wasschen. Een half uur daarna, sloeg hij de oogen op; Isabelle naast hem neergeknield streek met het hare bevende hand door zijne lokken, voor het eerst drukte zij hare lippen op zijn voorhoofd en voor het eerst noemde zij hem zacht en sidderend "Alfred!" De baron was vol verbazing en zag haar met een mengeling van argwaan en medelijden aan; de zieke sloot echter weer zijn oogen, haalde diep adem en maakte een beweging als zocht hij iets. Isabelle legde haar hand in de zijne en eerst toen scheen hij rust te vinden. "Er zal wel koorts komen; het gevaar is niet voorbij, doch hij moet nu gevoed worden," oordeelde de dokter. Melk en bouillon werden voorzichtig in zijn mond gegoten, het scheen hem te verkwikken, want gaandeweg werd zijn kleur natuurlijker. Toen de dokter sprak van linnen om pluksel te maken, ging Isabelle naar boven,
[220:]
naar zijn slaap kamertje; het was hier nog eenvoudiger dan beneden. Een ijzeren ledikant, een kast, een stoel en een waschtafel maakten het ameublement uit; boven zijn legerstede echter zag zij een tak oranjebloemen hangen oven het portret eener schoone vrouw, zijn moeder ongetwijfeld, en met een gemengd gevoel van blijdschap en deemoed herkende zij het takje, dat op hun trouwdag haar borst had versierd. Het was de eenige herinnering aan zijn vrouw, doch alle gedachten aan hetgeen eens als een hooge muur hen gescheiden had, verdwenen uit Isabelle's geest; wanneer hij slechts leefde, wat zou zij dan nog vreezen? Toen de avond viel, nam de baron afscheid en fluisterde haar toe: "Mevrouw, de geneesheer zegt, dat zoo hij goed verzorgd wordt, het gevaar niet groot is. Troost u dus, want dan behoort u de toekomst, die nog lang en gelukkig kan zijn; ik ga echter naar Parijs en kom zoo noodig met een professor in de geneeskunde terug. Hebt ge uwe tante niets te zeggen?" "Verhaal alles, wat hier voorgevallen is en verzoek haar mij te vergeven, dat ik een geheim voor haar heb bewaard." Dien nacht waakte Isabelle alleen naast het lijdensbed van haar echtgenoot; de koorts kwelde hem hevig enhij vroeg dikwijls naar water. "Ben je dat, Yvonne?" vroeg hij, denkend dat zij de boerin was. Zwijgend gaf zij hem het glas en hij dankte; soms keek hij haar met zijn groote oogen aan, doch zonder haar te herkennen; hij sprak onsamenhangende wooren, over de mijn, over de werklieden, doch geen enkelen keer noemde hij haar naam. De morgen brak eindelijk aan, een sombere, mistige morgen, die de lande in een nog treuriger gewaad hulde. "Wat moet de winter hem lang en eenzaam zijn toegeschenen," dacht Isabelle, en huiverde bij het zien der kille omgeving. De dokter kwam en vond Alfred's toe
[221:]
stand bevredigend; doch het bewustzijn keerde nog niet terug; Isabelle wist niet of zij dit betreuren dan wel er zich over verheugen moest; wanneer hij eens weer niets voor haar had dan een koud woord of een scherp verwijt? Zij voelde na meer dan ooit, dat zij geheel van hem afhankelijk en hare toekomst aan de zijne verbonden was. In Parijs wist men zeker reeds alles van haar huwelijk; in Holland ging zij reeds sinds drie jaar voor mevrouw Brons door en al ware dit zoo niet, meer en meer voelde zij dat de man, die daar nu hulpeloos neerlag, haar innig lief was, liever dan alles op aarde; verstiet hij haar niet, dan eerst mocht ze nog op geluk hopen; wanneer hij het deed, wat zou haar lot zijn? Den tweeden dag naar hare aankomst ontving zij twee brieven, een van hare tante vol teedere verwijtingen en volledige vergiffenis, de andere van haar vader met de volgende woorden:
Beste meid, ik vind het een duivelsche slimme streek "van je, dat je bij Alfreds dood wil wezen. Doe je best om Dorenzathe machtig te worden, zoo hij nog een paar dagen leeft; het moet nog heel vrij zijn. De oude moet fameuze klappen hebben gekregen en twijfel dus of de jonge, al blijft hij ook leven, zijn verplichtingen jegens u zal kunnen nakomen. Ik kan die scheidingsgeschiedenis onmogelijk verder pousseeren, want je toestemming werd vrij gegeven; van die andere redenen is natuurlijk geen sprake, dat kan men zoo niet uitleggen, Nu, adieu chérie, wat zal ik blijde zijn te hooren, dat mijn engel vrij is. Met het fortuin, dat je beste tante je verzekert, kun je een partij doen volgens je stand. 't Is verschrikkelijk door te gaan voor de vrouw van zoo'n burgerman.
In afwachting. Je innig liefhebbende Pa,
Met een kreet valt verontwaardiging wilde Isabelle den brief vernietigen, doch juist vroeg Alfred om drinken en zij legde het stuk haastig tusschen de bladen van
[222:]
haar kerkboek om zoo snel mogelijk aan zijn verlangen gevolg te geven. Nadat hij gedronken had, zag Alfred haar strak aan. "Wie is u?" vroeg hij. "Ken je mij niet, Alfred?" en zij beefde van ontroering. "Alfred, wie noemt me zoo? Jij, Isabelle?" "Ja, ik, je vrouw." Hij viel als uitgeput achterover op de kussens, maar zijn hand drukte de hare en hij bracht ze aan zijn lippen. "Ik dank je. dat je gekomen zijt," vervolgde hij zacht, "ik dank je." Verder sprak hij niets, maar Isabelle gevoelde zich vol zalig geluk en vergat weldra alles, wat haar vader schreef, vooral nadat zij hem geantwoord had. Den volgenden morgen kon hij reeds plaats nemen in den fauteuil; spreken viel hem moeielijk en ook zijn oogen waren zoo aan de duisternis gewend dat zij van het licht schenen te lijden; zijn toestand was nog droomerig en half bewusteloos, maar een goede slaap, zei de dokter, kon hem weldra gezondheid en krachten teruggeven.
inhoud | vorige pagina | volgende pagina