doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


HOOFDSTUK XV.

Op een koud en herfstavond reed een rijtuig van het station Grootenhuizen naar het kasteel Dorenzathe, dat geheel gereed was om zijn bewoners voor goed te ontvangen; de zware koffers, die op de imperiale stonden, werden afgeladen, terwijl de heer Brons en zijn echtgenoote de helder verlichte gang doortrokken en den weg naar het kleine salon insloegen.
Hier binnen was het recht gezellig, het haardvuur brandde, en de meubels stonden nog in dezelfde orde als vroeger toen het fijne gelaat der douairière tegen de donkerblauw fluweelen leuning van den grooten fauteuil zoo teekenachtig uitkwam. Zij alleen was verdwenen.
Met een diep bewogen gemoed zag Isabelle rond in deze ruimte, die haar zoo dierbaar was; Alfred hielp haar zich van het bont te ontdoen en zij zag met betraande oogen naar hem op.
"Welkom in ons huis, Alfted!" zeide zij teeder. Hij drukte haar aan zijn hart en fluisterde liefdevol:
"Laat ons God danken, Isabelle! Hij heeft alles ten beste geleid, de misslagen onzer ouders, onze dwaasheden en kortzichtigheid; wat nu overblijft, is niets dan onze liefde en ons geluk."

[236:]

Het diner wachtte hen; onder het dessert kwam vrouw Piering; Alfred wilde haar belet geven, Isabelle echter stond er op haar binnen te noodigen; zij ging haar vriendelijk tegemoet en noemde haar even gemakkelijk tante als mevrouw Ducombel.
Ze spraken van haar broeder, die zich nu in Amsterdam bevond en, hoewel niet geruineerd, toch lang niet de man meer van vroeger was.
"Hij wist niet, dat u hier zou wezen, neef," begon vrouw Piering een weinig verlegen, "want ik heb van morgen een brief van hem ontvangen, waarin hij me verzocht zijn kamers op Dorenzathe in orde te brengen, daar hij morgen avond hier dacht aan te komen."
"Welke kamers betrok hij dan gewoonlijk, tante?" vroeg Isabelle, "die van papa?"
"Ik geloof het wel, dat het die zijn, mevrouw... nicht."
"Nu, dan ga ik er voor zorgen, Alfred zal hem dan wel van het station afhalen."
"Dat spreekt; 't is een verrassing voor vader, het kasteel bewoond te weten. Ik vergeet nooit, tante, hoe gezellig het er hier twee jaar geleden uitzag, toen vader het pootje had en u hem gezelschap hieldt."
"Ik vergeet dat ook niet licht," verzekerde vrouw Piering, "ik heb in mijn leven veel ondervonden, veel verdriet en veel zorgen, maar toch die aangename avonden in deze mooie kamer, dat zijn lang niet de prettigste oogenblikken geweest."
"Nu we willen hopen dat vader het nu hier beter zal vinden, nietwaar, vrouwtje?"
"Dat wil ik gelooven, welk een verschil ook uw gezelschap en het mijne!" riep tante ootmoedig uit.
Vrouw Piering was zoo verstandig om bijtijds afscheid te nemen en Alfred en Isabelle keerden naar het salon terug, waar even als vroeger de thee werd klaargezet, Isabelle nam op de canapé plaats en zeide glimlachend tot haar man, die zich naast haar nestelde:
"Weet je wel, Alfred, wat bij deze canapé gebeurd is?"

[237:]

"Denk je dat ik zoo kort van memorie ben? Ons engagement immers..."
En beiden begonnen te lachen bij de herinnering aan hun houding op dien avond.
Dante zegt dat de overmaat van smart bestaat in het herdenken tijdens het ongeluk van voorbijgegane dagen van blijdschap, zou het dan ook niet omgekeerd de zoetste gedachte wezen in het geluk, terug te gaan naar het verleden, naar dagen vol bitterheid en rouw? Ja, vooral vanneer dit geluk gekocht werd door den strijd en de tranen van voorheen!
"Als ik nog denk aan je trotsch entrée de salon," zei Alfred.
"En ik aan je doodsbleek gezicht, O als je toen achter mijn hoofd hadt kunnen lezen, je waart zoo bang niet geweest."
"Wat stond er dan?"
"Wil je het weten, en zal je niet trotsch worden?"
"O hemel neen, het gevaar is voorbij!"
"Mijn eerste gedachte, toen ik je zag, was: hoe knap ziet hij er uit; jammer, dat hij me wordt opgedrongen!"
"En nu?"
"Dat hoor je eerst over drie jaar. Maar hoe vondt je mij?"
"Om van te schrikken; 't scheelde weinig, of ik was weggeloopen, ver van je vervaarlijk gezicht en liep nog."
Zoo schertsend dronken zij hun thee en Alfred zeide:
"Vader had nog wel een paar dagen later kunnen komen; ons tête à tête in Dorenzathe duurt me wat te te kort."
"Och Alfred, je bent egoistisch, die arme papa's van ons zijn al zoo verwaarloosd in den laatsten tijd."
"We zullen den ouden heer eens toonen, dat mevrouw Brons er beter slag van heeft dan tante Piering om in het oude kasteel een gezellig intérieur te scheppen. Dorenathe zou er nog een slechten naam door krijgen."
Een knecht braeht een paar brieven, waaronder twee voor mevrouw, die Isabelle haastig openbrak.

[238:]

"Die lila enveloppe ken ik te goed," zeide Alfred.
"Ja, 't is van papa," en zij las met klimmende belangstelling.
"Verbeeld u," en zij lachte hartelijk, "papa's engagement met freule Ingenhut is er door. Zij zal," schrijft papa ,een goede vriendin wezen voor u, mijn lieve Isabelle; nu gij alles wilt zijn voor uw man en niets voor uw vader, mag ik waarlijk we bij het naderen van mijn meer bezadigden leeftijd naar een geschikt gezelschap uitzien. Dorothée Ingenhut is een zeer beschaafde jonge dame van bij de dertig jaren, die mij alle waarborgen voor mijn toekomstig levensgel!lk aanbiedt. Ook mag ik het u niet verbergen, dat ik het tot mijn plicht reken er zorg voor te dragen, dat onze familienaam niet uitsterft. "
"Zeer vriendelijk van papa," zoo viel Alfred haar in de rede, "doch daarvoor behoeft hij zich niet ongerust te maken: die taak rust op den man van zijn oudste dochter. Mijn eerste werk, zoodra wij wat tot rust zijn gekomen, zal wezen om den koning te vragen den naam mijner vrouw bij den mijne te mogen voegen."
"Wil je dat doen, Alfred, werkelijk?" vroeg Isabelle.
"Nu ja, waarom dan?"
"Och, ik dacht dat je boven die dingen verheven waart."
"Zeker niet, Isa; ik heb het je reeds dikwijls gezegd, voor den adel en een schoonen naam heb ik eerbied, mits dat hij, die ze draagt, begrijpt welke verplichtingen hem die titel oplegt. Zoo ik voor mij en onze kinderen dus dien naam vraag, doe ik het niet uit ijdelheid, maar om het recht te hebben die verplichtingen na te komen."
"Het zal je goed toevertrouwd zijn," antwoordde zij en zag hem bewonderend aan, "O, wat ben ik blijde dat je er zoo over denkt. Wanneer je een de Marcy zijt, zal ik het ook weer worden en ach, Alfred! ik heb mijn naam zoo lief, 't is een zwakheid misschien, doch je bent er immers van overtuigd dat jij mij oneindig meer waard zijt, jij, die dienzelfden naam uit het slijk hebt gered."

[239:]

"St, Isa! Dat mag je nooit meer zeggen, freule Ingenhut kon het eens hooren! Die herinnering is versunken und ergessen."
"In ons hart, Alfred."
En hij streelde hare lokken en kuste een paar tranen weg, die onwillekeurig begonnen te rollen langs hare wangen. Zij werd gevoelig en om haar gedachten een anderen loop te geven, vroeg hij wat in den anderen brief stond.
"Die is van tante."
"Ha, en wat schrijft die goede, beste ziel?"
Isabelle las voor: tante stond op het punt, van naar Parijs terug te keeren en klaagde er over dat zij het zoo stil had, sedert het vertrek van haar neef en nicht. Zij wilde, dat de zomer maar weer gekomen was, dan zou de groote reis wagen naar bet waterland om hun bezoeken en een paar maanden bij hen op het kasteel door te brengen. Overigens weinig nieuws, Sosthènes was benoemd tot president van de Société hippique te Tours; kort te voren had hij haar gevraagd, wat hij toch met Fides beginnen moest, of mevrouw Brons verlangde, dat het dier naar Holland zou gezonden worden. Valentine was kort te voren op La Combelière geweest, zij zag er goed uit en de barones sprak er van, dat er misschien spoedig bruiloft zou zijn. De pretendent was een jonge dokter uit Nantes, voor wien Valentine evenveel achting als genegenheid scheen te koesteren, en zoo ging de vroolijke brief door.
"Hoor eens, Isa," zei Alfred nog dien avond, "vind je het goed aan je papa tot huwelijkscadeau te geven die f 13500, welke ik hem zond en die jou toekomen?"
"'t Beste wat je doen kunt," antwoordde Isabelle, want papa zal wel zelf niet weten, waar ze geleven zijn."
Den volgenden morgen was het in Groothuizen bekend, dat mijnheer en mevrouw Brons terug waren. Freule Elodie, wier belangstelling in de Dorenzaathsche kroniek nog volstrekt niet verflauwd was, zag des morgens het

[240:]

jonge paar gearmd langs komen. Ze schenen het heel druk met elkander te hebben. Isabelle zag er hoogst elegant uit in haar langen bontmantel, die bijna tot hare voeten reikte, en hield in hare hand een groot bouquet.
Onmiddellijk zond ze haar meisje met een boodschap die richting uit en hoorde, dat zij naar het kerkhof waren gegaan. Isabelle's eerste bezoek gold het graf harer grootmoeder.
's Middags kon de freule de bekoring niet weerstaan om den jongelui een visite te maken; Isabelle ontving haar recht vriendelijk, later verscheen ook Alfred, en de freule kon, in haar wekelijksch kransje gekomen; niets anders verklaren dan dat die twee recht gek met elkaar schenen, en zij geloofde niet dat ze ooit van mekaar af waren geweest en op het punt van te scheiden.
Isabelle had van hun reizen door Italië en Frankrijk verteld en Alfred beloofde haar een volgenden keer de albums met gezichten uit die landen te laten zien.
Neen, het scheen toch wel een marriage d'inclination geweest te zijn.
's Avonds haalde Alfred zijn vader af. Dorus Brons zag er tegen op voor zijn zoons vrouw te verschijnen, doch Isabelle's ontvangst was zoo ongekunsteld vriendelijk, dat hij dadelijk op zijn gemak kwam en zijn best deed zoo beleefd mogelijk tegen zijn schoondochter te wezen. Alfred was verheugd en dankbaar over de kiesche wijze, waarop Isabelle zich jegens den man gedroeg, wiens tegenwoordigheid bij haar zoovele herinneringen van allerlei aard opwekte en dien zij alleen ter liefde van hem met kinderlijken eerbied en voorkomendheid behandelde.
Toen Alfred zijn vader 's avonds naar zijn kamer geleidde, sprak de oude man diep geroerd:
"Je hebt een goede keus gedaan, Alfred!Je bent immers, nu recht gelukkig, nietwaar?"
"Natuurlijk, vader, dat heeft u wel gezien!"antwoordde Alfred met een glimlach, die meer zeide dan vele woorden.
"Ik had het niet durven hopen; ik dacht ten hoogste dat ze van den nood een deugd zou maken, maar zooals

[241:]

het nu gaat... neen, dan heb ik er geen spijt van die zaak eens te hebben doorgedreven. Ik zal er mij ten minste niet over beklagen."
"En ik blijf er u mijn leven lang dankbaar voort," verzekerde Alfred, de hand zijns vaders drukkend.

Nu is Dorenzathe een alleraangenaamst zomer- én winterverblijf, niet meer zoo stijf als ten tijde der douairrière, nog minder zoo burgerlijk als onder het bewind van tante Piering. Mevrouw Brons de Marcy zwaait er haar scepter met de gratie, die haar eigen is. Alfred is de eerste onderdaan, die zich glimlachend voor haar gezag buigt, hij leeft slechts voor zijn koningin en voor hun kleinen prins en prinses.
De oude Brons woont in Amsterdam, doch komt dikwijls over bij zijn kinderen en vertroetelt de twee kleintjes, want zijn schoondochter imponeert hem nog altijd min of meer.
De vicomte de Marcy en zijn jonge vrouw verschijnen ook een enkelen keer, doch niet zoo veel als Brons Sr., niettegenstaande zijn schoonzoon hem met meer onderscheiding behandelt dan hij wel aan dezen verdiend heeft.
Mevrouw Ducombel denkt er sterk over la Combelière te verkoopen en haar zomers op Dorenzathe door te brengen. Zij vindt het waterland toch lang zoo waterachtig niet als ze gevreesd heeft; haar nicht tracht deze illusie levendig te houden, wat soms vrij moeielijk gaat.
Alfred zou gaarne zien dat zijn Isabelle zulk aangenaam gezelschap bij zich had gedurende verscheidene groote reizen, die hij in het belang van zijn vak door Europa moet doen en die hij ter wille van haar- zooveel mogelijk bekort.


inhoud | vorige pagina