Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK XII.
In October keerde mevrouw Ducombel naar Parijs terug. Zij was dit jaar minder sterk dan het vorige en
[210:]
weerstond daarom Isabelle's verlangen niet om stil en teruggetrokken te leven. "Ik geloof dat Isabelle plan heeft in een klooster te gaan," sprak zij dikwijls tot mademoiselle Jeanne, "zij leeft nu reeds als een non en brengt haar tijd door in het bezoeken van armen en kerken." "Ja, zij is inderdaad zeer veranderd sinds het vorige jaar, toen kon men haar teruggetrokkenheid nog toeschrijven aan haar rouw, maar nu aan niets anders dan aan hare teleurstelling bij het vernemen van d'Armainville's huwelijk." "Ik geloof het ook. Maar waarom heeft zij zijn aanzoek dan afgeslagen?" "Omdat zij hoopte, dat hij het nog eens herhalen zou." De vicomte de Marcy zond zijn dochter altijd ontwijkende antwoorden betreffende de scheidingszaak; hij nam eerst informatieën, hij wilde geen opspraak maken, want niemand twijfelde er aan of Isabelle woonde bij haar man, in elk geval zulke dingen gaan langzaam. De voorbereidselen duren vaak langer dan de behandeling zelf; zoo Isabelle had kunnen vermoeden, dat haar vader er belang bij had de zaak op de lange baan te schuiven, zou ze wellicht eenige achterdocht hebben opgevat omtrent de waarde der stappen, die hij voorgaf gedaan te hebben, maar nu vermoedde zij er niets van en leefde dus steeds in afwachting. Alles was haar onverschillig geworden; zij hoopte niets meer van de toekomst en verbeeldde zich dat zij slechts een ding verlangde, Alfred vrij en gelukkig te zien, wellicht zonder bitterheid aan haar terugdenkend. In plaats van af te nemen door de afwezigheid en de scheiding, nam hare liefde in kracht en sterkte toe; de gedachte, aan Alfred overliet haar geen oogenblik; zij zocht haar troost in den godsdienst en in weldadigheid, maar zijn beeld vervolgde haar overal en zoo zij met Valentine correspondentie hield, dan was het alleen om nu en dan iets van Alfred te hooren. Hij kwam een enkelen keer hij de Mirécourts in Nantes om over zaken
[211:]
te spreken, doch Valentine's opgewondenheid aangaande hem scheen zoo al niet bekoeld, dan toch bedaarder geworden en deze verandering van toon verontrustte Isabelle misschien meer dan haar vroegere bewondering. Eenige dagen na Nieuwjaar kwam de baron de Mirécourt te Parijs en bezocht zijn mede-eigenares der mijn. Beiden waren in het salon druk aan het redeneeren over zaken. Isabelle zat achter haar borduurraam in een diepe vensternis half door een gordijn verscholen. "Het spijt me zeer, dat Brons zich terugtrekt wanneer het jaar om is," sprak de baron. "Is hij onverbiddelijk?" "Helaas, ja! Men heeft hem aanbiedingen gedaan voor de exploitatie van zilvermijnen in Noord-Amerika. Natuurlijk, men kan ook niet van een man als hij verwachten dat hij zich geheel wijdt aan ons nietig mijntje. Doch adjunct Brénis is goed op de hoogte en het zal wel gaan." "We zullen 't hopen. Hebt gij hem nog kort geleden gesproken?" Isabelle had haar naald laten vallen en was geheel ooren. "Ja, de vorige maand!" De baron schoof zijn stoel wat dichter bij en nam een vertrouwelijker toon aan. "Ge hebt met mijn vrouw indertijd gesproken over een neiging, die ge in onze Valentine meendet opgemerkt te hebben?" "Ja, ik herinner het mij!" "Welnu, dat heeft ons te denken gegeven! Wij hebben ons kind hartelijk lief en verlangen niets dan haar geluk, Brons scheen mij wel in staat om haar dat te verzekeren, en ook wij merkten op dat Valentine, hoewel zichzelf nog geen rekenschap gevend van hare gevoelens hem niet ongenegen was." "En hij dan?" "Hij gaf er volstrekt geen blijken van, dat hij Valentine bijzondere aandacht wijdde; hij behandelde haar eer als kind, doch we schreven zijn terughouding toe
[212:]
aan zeer prijzenswaardige bescheidenheid en dus besloot ik, op raad der barones, hem eens voorzichtig te polsen." "Ge maakt mij nieuwsgierig." "Hij kwam een paar maal in Nantes en bracht bij ons den avond door; eens dat we in mijn kabinet zaten te rooken, spraken wij over allerlei onderwerpen, o. a. ook over Theodoor en Clara, die zoo gelukkig zijn in hun huwelijk, wat hij een zeldzaamheid in Frankrijk noemde. Ik gaf dit toe, afschoon ik het niet bij ondervinding wist; toen kwam het gesprek over de wijze, waarop hier de meeste huwelijken tot stand kwamen in vergelijking van Holland. Langzamerhand bracht ik hem naar het punt, waar ik hem wilde hebben en plotseling vroeg ik: "En gij dan, mijn waarde, gij hebt een positie, die u in staat stelt een vrouw te onderhouden, ge zijt jong en knap. Waarom ziet ge niet eens rond?" Zijn gelaat betrok en na een poos nadenken, sprak hij: "Daaraan mag ik niet meer denken, ik ben getrouwd." "Getrouwd!" riep mevrouw Ducombel, "wie had dat gedacht, Maar hij heeft geen trouwring aan den vinger, dat weet ik zeker. Daar kijk ik altijd het eerste naar. En waar is zijn vrouw?" "We leven gescheiden, dat is voor ons beiden beter," voegde hij er alleen bij en verder niets. Toen ik de opmerking maakte, dat het wel een treurig lot was zoo jong en reeds voor het leven verbonden te zijn aan iemand, met wie hij toch niet leven kon, zag ik, dat het hem verschrikkelijk pijn deed over de zaak te spreken en ik veranderde dus van gesprek.' "Zoo'n arme jongen! Hoor je dat, Isabelle, had je dat wel gedacht? Getrouwd en gescheiden! Nu, ik wil er alles op verwedden, dat de schuld geheel aan haar ligt en niet aan hem." "Mag ik uw discretie vragen, lieve dames? Hij heeft mij wel geen geheim opgelegd, maar ik acht het toch mijn plicht het aan niemand te zeggen dan aan hen, op wier vertrouwen ik rekenen kan."
[213:]
"Weet Valentine het reeds?" vroeg Isabelle, die haar stem zoo vast mogelijk deed klinken. "Ik vertelde het daags daarna aan de barones terwijl ze er bij zat; zij werd doodsbleek en was den geheelen avond en een paar dagen later iets stiller, maar nu is ze weer de oude." "Het spijt me, het was een geschikt paar geweest. Ik had, zoo ze elkander waarlijk liefhadden, gaarne het verschil van geboorte over het hoofd gezien. Daarbij Brons zal op een andere wijze naam maken, dan door te teren op een adellijken titel, eeuwen geleden door een voorvader verkregen; hij wordt een beroemd man." Isabelle voelde zich na dit gesprek nog meer gedrongen spoed bij te zetten aan de pogingen van haar vader en 't scheen, dat hij er nn werkelijk mee begon. "Men zegt," schreef hij, "dat de oude schoenpoetser domme zaken gedaan heeft en gevaar loopt fout te gaan. Ik zal er voor zorgen, dat gij uw vrijheid terug krijgt. 't Is een schande tot zulk een familie te behooren." De vicomte vermoedde niet dat zijn dochter niets meer verlangde dan werkelijk voor goed vereenigd te zijn met een lid dier familie. Zoo ging de winter dan om, langzaam en eentonig zoowel voor Isabelle in het groote Parijs, als voor Alfred in de stille lande. Beiden dachten onophondelijk aan elkander, beiden waren te trotsch om stappen te doen tot verzoening. Isabelle omdat zij vreesde dat zij Alfred onverschillig was geworden, hij daar de gedachte hem hatelijk was, dat zijn vrouw hem alleen goed genoeg achtte om haar een jaargeld uit te betalen, dat hij slechts ten koste van vele opofferingen bijeen kon sparen, want zijn vader om geld vragen voor een doel, dat Brons, zoo hij. er mee bekend was, sterk veroordeelen zou, vond hij onedel. Bovendien wist hij dat de oude heer in een net van onaangename zaken gewikkeld was, die hem zoo al niet een geheelen ondergang dan toch een groote vermindering van fortuin zouden veroorzaken. De week na Paschen kon mevrouw Ducombel er ech
[214:]
ter niet buiten, haar vrienden een soirée aan te bieden en zij verzocht Isabelle, vriendelijk maar dringend, toilet te maken. De zalen waren goed gevuld en de jongelui verzochten half luid een beetje te mogen dansen; madame Dubombel gaf gaarne toe en ook lsabelle moest wel aan de sauterie deelnemen, wilde zij niet nog meer den bijnaam van zwarten Sphinx verdienen. Zij zag er dien avond bijzonder goed uit in haar lichtblauw kleed; de inspanning, die zij zich getroosten moest om de eer van het huis op te houden en vroolijk te schijnen, kleurde hare wangen hooger dan gewoonlijk. Sosthènes, die toevallig in Parijs was, verliet haar geen oogenblik en scheen haar nu zelfs, afgescheiden van Fides die nog steeds onder zijn zorg stond, te bewonderen. De avond was reeds meer dan half om toen Isabelle vermoeid even in een zijsalon ging uitrusten, waar eenige oudere heeren- en dames om whisttafeltjes zaten. Granjac volgde haar en boog zich over de leuning van haar stoel om een gesprek te kunnen voeren, dat haar schrikkelijk verveelde. De professor Breval, de Granjac in het oog krijgende, vroeg hem eensklaps: "Chevalier, gij hebt nog eerst gisteren de provincie verlaten. Weet gij ook bijzonderheden van het ongeluk dat in de mijn van Cohanec moet gebeurd zijn? Onze gastvrouw heeft het pas door mij vernomen." Mevrouw Ducombel, die aan hetzelfde tafeltje zat, vervolgde: "'t Is verschrikkelijk! Twintig werklieden moeten bedolven zijn en van de ingenieurs, die onmiddellijk toeschoten om hulp aan te brengen, hoorde men nog niets. Ik heb Mirécourt getelegrafeerd om nadere berichten." "Ik weet er niets van; dat hebben ze trouwens altijd te wachten, die zulk gevaarlijk werk doen. Er zijn zooveel ambachten op de wereld, waarom juist zoo iets gevaarlijks gekozen? Scheelt u iets, freule? U is zoo bleek en uwe handen beven."
[215:]
"Neen, 't is niets, de hitte!" "Mijn hemel, kind! Wat overkomt je," riep haar tante verschrikt; "een glaasje wijn, je valt nog flauw." "Neen," antwoordde Isabelle opstaande, "ik word niet flauw, doch het kan er van komen. Staat u mij toe, dat ik heenga." "Ja, voor een oogenblik! Zijt gij zoo geschrikt door hetgeen in die mijn voorgevallen is? Laat ons hopen, dat het zoo erg niet is." "De financieele schade zal zoo groot niet wezen," troostte Sosthènes, die precies wist welk gedeelte der mijn tot den bruidsschat van jonkvrouw de Marcy behoorde. "Ik ga heen, tot straks!" Isabelle verliet het salon door een zijdeur, ging de gang door en de trap op naar haar kamer en schelde haar kamenier. "Keert mademoiselle niet naar het feest terug?" "Dadelijk! Zoek mij spoedig den indicateur der spoorwegen en help mij inpakken." "Gaat u dan op reis?" "Ja, en geen woord aan iemand, daar het een geheim is." Nanette was gaarne deelgenoot in een geheim. Zij bracht de jonkvrouw den verlangden reisgids en nadat Isabelle haar vertrek op den volgenden morgen vijf uur bepaald had, keerde zij naar het salon terug, waar zij als ware er niets gebeurd, haar plichten als dochter des huizes vervulde zonder echter meer te dansen, want het scheen haar toe of van alle kanten haar doodkisten aangaapten en de muziek klonk haar als een lijkmarsch in de ooren. Tegen twee uur vertrokken de gasten en in haar kamer teruggekeerd, bracht Isabelle den tijd door met hare tante te schrijven en hare laatste voorbereidingen te maken. Tegen half vijf had zij een vigelante besteld; door Nanette bijgestaan, verliet zij onbespied het huis en liet zich rijden naar het station van St. Lazare. Een half uur later stoomde zij weg naar de richting van Bretagne.
[216:]
Op het laatste oogenblik had zij in haar kamer nog een pas aangekomen brief haars vaders gevonden, dien ze meenam en eerst na rustig in haar coupé gezeten te zijn, openbrak. Het voornaamste daarin was, dat de vicomte uit haar laatsten brief met genoegen vernomen had, hoe rijk zij eens zou worden en dat hij druk bezig was met het scheidingsproces. Dorus Brons was wel niet failliet maar toch razend achteruitgegaan en zou dus wel een toontje lager gaan zingen. Bij het station van R. telegrafeerde Isabelle aan haar vader, dat zij wellicht spoedig aan het sterfbed van haar man zou staan en zij in geen geval meer wenschte dat er sprake van scheiding zou zijn; vervolgens nam zij een rijtuig en liet zich naar Cohanec brengen.
inhoud | vorige pagina | volgende pagina