doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


[201:]

HOOFDSTUK XI.

Men ging intusschen naar de oase, die nu wel in vergelijking der donkere mijn een paradijs mocht heeten en beklom de verweerde, onder gras en veldbloemen half verscholen trapjes, die naar een verwaarloosden boomgaard leiden, waaruit men het huisje zag duiken, dat tusschen de groote, zwarte vervallen muren der oude burcht oprees.
Het had slechts een verdieping, maar daar de geheele tuin hoog lag, maakte het uit de lande gezien, den indruk van een torentje; slechts een kamer bevond zich in het gelijkvloers, dit werd door Alfred zijn salon genoemd. Uit de ramen had men een lief gezicht over het meertje, dat van drie kanten met laag houtgewas omzoomd, verderop een uitgestrekt panorama opende op de lande.
De meubels waren eenvoudig en landelijk; een rieten mat bedekte den rood steenen vloer, een schrijftafel was met papieren overladen; daar boven hing een fraai photographisch portret van Dorus Brons; een afbeelding van het kasteel Dorenzathe stond in een lijstje met voetstuk en overal zag men bloemen in vazen en hangers; dit was het eenige sieraad der met strengen eenvoud gemeubelde kamer.
"Neem plaats, zoo goed ge kunt en verschoon mij een oogenblik," zeide Alfred en verdween door een zijdeur.
"Wat is het hier eenvoudig," riep Valentine.
"Hij leeft als een kluizenaar," sprak de adjunct-ingenieur, die Alfred hielp de honneurs waar te nemen der mijn.
"Ik meende dat hij zeer rijk was," merkte de heer Bréval aan.
"Zijn vader moet het zijn, maar ik geloof dat hij vroeger vrij los geleefd heeft als student en nu er voor boet, want voor zichzelf heeft hij geen behoeften en verdient toch veel geld."

[202:]

Isabelle zag naar buiten en vroeg zich met verwondering af, waarvoor hij dat geld dan toch noodig had.
"Een lief mensch!" verzekerde mevrouw Ducombel.
"Een geleerde van het oude, goede ras," vulde de professor aan.
"Hij wordt aan gebeden door de werklieden en kan alles van hen gedaan krijgen," verhaalde de adjuuct-ingenieur, "maar toch met geld staat hij hen weinig bij."
"Is hij misschien in onmin met zijn vader?"
"Integendeel, hij schrijft hem veel! Daar hangt zijn portret. 't Is een Indische nabob en mijnheer Alfred een creool uit Java."
"Een creool uit Java, wist ge dat, Isabelle?"
"Maar Valentine, hoe kan ik nu alles weten, wat op dien man betrekking heeft!" was het vrij bitse antwoord dat zij ontving.
"Jammer, dat je zoo weinig met hem ingenomen zijt."
"Als de dames zich misschien verfrisschen willen," vroeg de adjunct-ingenieur voor, "aan het einde van den tuin is een kleine boerderij, waar ik mijn kamers heb en mijnheer Brons heeft er voor gezorgd, dat daar het nodige aanwezig is om alle sporen van uw moeilijken tocht af te wisschen."
Allen namen het aanbod gretig aan, behalve mevrouw Ducombel en haar nicht, die verzekerden het niet noodig te hebben; inderdaad geen smet kleefde noch aan hun kleederen, noch aan hun gelaat of handen. De oude dame was spoedig met den baron en den professor in een druk gesprek, dat half luid gevoerd werd, Isabelle zette zich voor het raam neer en staarde alweer naar buiten.
Zij verbeeldde zich dat dit haar huis was; daar tegenover de lessenaar plaatste haar verbeelding een piano.
Alfred was voor de tafel aan het werk en zij musiceerde, zat hier naast hem met een handwerk. Hij zag soms van zijn werk op om haar aan te zien als zooeven in de tuin, toen het voor een seconde beider dag werd in de duisternis.
Zulk een leven hier in de eenzame lande vond zij

[203:]

toch lang niet zoo somber en eentonig als het andere, dat in werkelijkheid haar wachtte.
Maar het was een droom, Alfred trad binnen, geheel verfrischt en verkleed; hij merkte haar tegenwoordigheid niet op, voegde zich bij de anderen in afwachting dat het jeugdiger gedeelte binnenstormde, allen even vroolijk en opgewonden op Sosthènes na, die de treurige ervaring met zich droeg, dat zijn overjas een onherstelbaar nadeel had ontvangen.
Allen verzameld ziende, noodigde Alfred hen uit hem naar buiten te volgen; op het gras onder de schaduw der appel- en pereboomen was een lange tafel gedekt en de beide ingenieurs namen de eer van het huis met veel hartelijkheid en tact waar.
Het maal dat hen wachtte was landelijk maar goed; de stemming zoo vroolijk als men slechts wenschen kon.
Alfred, die tusschen mevrouw Ducombel en Valentine zat, moest van de laatste een stortvloed van vragen doorstaan over zijn geboorteland of de leeuwen daar op straat liepen en of de slangen zich in het gras verscholen en waarom hij geen jong tijgertje had afgericht in plaatsvan een hond en of al het groen er zoo dor uitzag als de droge grashalmen, die men in vazen bewaarde.
Het waren dwaze vragen, maar zij deed ze echter zoo naief en aardig, dat ieder er om lachte en Valentine een lief meisje vinden moest. Isabelle begreep dat zij, die met hare koude, trotsche houding bijna alle spijzen onaangeroerd liet voorbijgaan, naast haar een treurig figuur maakte, doch het praten viel haar te moeielijk.
Sosthènes was zoo onbeduidend en de eene professor zoo geleerd, Alfred daarentegen wist bij ieder den juisten toon aan te slaan, hij wist over alles en met allen te praten. Geen wonder, dat hij haar hoe langer, hoe minder aantrekkelijk zon gaan vinden.
Na het maal, dat lang genoeg duurde om de opmerking te doen maken, dat men aan het vertrek van den trein denken moest, stond men op en maakte zich gereed weg te rijden, doch Valentine verzekerde dat het ple

[204:]

zieriger was te loopen, en de oudere dames alleen namen in den omnibus plaats. De ingenieurs boden hun geleide aan, de avond viel en een wandeling door de lande was zeker niet onaangenaam.
Alfred nam Valentine's arm, Sosthènes maakte zich natuurlijk van Isabelle meester, doch geen van beiden had lust een drukke conversatie te houden; ze waren ontstemd, heel anders dan de twee voorsten, die lachten en schertsten; elke vroolijke klank stak Isabelle diep in het hart, zij vervolgde hen onophoudelijk met haar blik en vroeg zich af wat zij eigenlijk voelde; was dat jaloerschheid of verontwaardiging, omdat Alfred de freule Mirécourt bedroog, het arme kind, dat niet vermoedde welke hinderpaal er bestond tusschen Alfred en haar? Dan verheugde zij zich weer, dat het zoo was en er zonder haar geen sprake kon wezen van een huwelijk tusschen die twee.
De gevoelens in haar hoofd waren tegenstrijdig en dwaas en het was een verlichting toen zij in 't station aankwamen en een oogenblik later wegreden.
Allen waren opgetogen over hun uitstapje, behalve Isabelle, die haar stille stemming aan hoofdpijn toeschreef, en Sosthènes, die nog treurde over zijn jas.
In een heerlijken maneschijn gingen de beide ingenieurs huiswaarts; doch het masker van Alfred's gelaat was gevallen. Hoe zijn kameraad ook zijn best deed om de herinnering van den vroolijken dag tot onderwerp te maken van een levendig gesprek. het wilde niet vlotten.
Alfred was in gedachten verdiept, die niet van de aangenaamste waren.
Te huis gekomen, vond hij het in zijn studeerkamer koud en leeg; het begon te regenen en te waaien: de herfst was in aantocht, de winter zou komen en sedert daar aan het venster een gestalte had gezeten met treurig peinzend gelaat, scheen de kamer zonder haar eenzaam en verlaten.
"Nog niet genezen," mompelde hij, "en ik moest haar verachten! Haar, die het waagt mijn huis te betreden, die mij geen vriendelijk woord wil toevoegen en toch

[205:]

mijn geld aanneemt. Zou het haar jaloezie hebben opgewekt, dat ik mij met Valentine bezig hield? Niet alle freules behandelen mij met haar voornamen trots. Wat kan het haar deren? Die truffel-ingenieur vergoedt haar, immers alles."
Het gesprek tusschen Alfred en Valentine had echter bijna geheel over Isabelle geloopen.
"Is uw vriendin altijd zoo stil?" vroeg Alfred haar.
"Zoo stil, neen! Zij is 't van daag bijzonder, zij heeft hoofdpijn, maar anders kan ze goed en vooral verstandig spreken. Ze is zoo'n wildzang niet als ik."
En Valentine begon een lofspraak over de deugden van haar vriendin, over alles wat zij van haar teruggerokken, nuttig leven in Parijs had vernomen, en zoo waren zij, voor zij het wisten, het station genaderd.
Die nacht werd door Isabelle bijna geheel in tranen doorgebracht. Zij beweende haar verloren levensgeluk; waarom was zij te trotsch geweest om daags na Alfred's vertrek hem te schrijven en vergiffenis te vragen voor haar in drift uitgesproken woorden, maar hoe ook waren hare gedachten over hem sinds dien dag niet veranderd! Toen hinderde het haar, iets aan dien schoenpoetsersknaap verschuldigd te zijn; hoezeer 't haar ook verheugde den naam der de Marcy's gespaard te zien, toch smartte het haar dat hij buiten haar om zoo gehandeld had. De dankbaarheid jegens hem vond zij een zware last, en haar liefste wensch zou geweest zijn er van bevrijd te worden. Zij vreesde niets erger dan dat hij zijn rechten op haar zou doen gelden en niets zou haar aangenamer hebben geschenen dan zoo hij iets verricht had, dat hem in minder gunstig daglicht voor haar oog had gesteld.
En nu? Nu was hij het, die haar dankbaarheid terugstiet, hij, die oogenschijnlijk meer dan zij leed door den hand; die hen vereenigde en die ongetwijfeld zijn vroerere, liefde belachelijk, zijn opoffering een romaneske jongensdaad oordeelde.
Maar zij, ach! zij kon geen oogenblik zijn beeld uit haar geest bannen; onophoudelijk stond hij voor haar,

[206:]

onophoudelijk hoorde zij die stem, zoo buigzaam en zacht, die over alles en met allen wist te spreken en die alleen tegen haar koud en onverschillig klonk. Dan brak zij weer in nieuwe snikken los en moest het zich eindelijk bekennen, dat zij hem innig lief had, dat zij hem beminde met al de kracht eener eerste liefde.
De vooroordeelen tegen zijn geboorte en afkomst waren verdwenen, de grieven tegen zijn vader, de zonderlinge wijze waarop hun huwelijk gesloten was, alles scheen vergeten en niets bleef in hare herinnering over dan dat hij haar eens hartstochtelijk had bemind, van af zijne kinderjaren, dat zij die liefde wreed had verstooten en dat ze nu ongelukkig, diep rampzalig was.
"Dat is de overmaat van mijn ongeluk," klaagde zij in bitteren weemoed, "dat ik hem nu bemin, nu zijn liefde voor mij verloren is, nu hij mijn bestaan wellicht als de grootste hinderpaal beschouwt tusschen hem en zijn geluk."
Het was voor haar een verlichting dat zij daags daarna weer naar, la Combelière vertrokken; met het zomerweer was het voorloopig gedaan, doch zij was te huis, zij behoefde vooral Valentine's gesprekken niet meer te hooren, onverschillige antwoorden te geven op de lofredenen, die zij ter eere van Alfred hield en geen Sosthènes meer te verdragen.
Mevrouw Ducombel vond Isabelle stiller en bleeker dan vroeger, doch zij schreef dit toe aan het bericht dat de markies d'Armainville volgens algemeene geruchten zich bijzonder spoedig had getroost over de teleurstelling bij Isabelle ondervonden, door om de hand van eene zeer rijke douairière te dingen.
Isabelle's gedachten waren vrij wat dichter in de buurt, in de donkere mijn of in het heldere kamertje met het vroolijke uitzicht; zij boette door haar smart en berouw, zooveel zij kon voor haar vroegeren trots en trachtte nu in arbeid en weldaden zooveel mogelijk eenige verstrooiing te zoeken. Het ging moeielijk; want Alfreds beeld vervolgde haar elk oogenblik, zij smachtte naar eenige

[207:]

tijding van hem en toen eens de baron de Mirécourt met vrouw en dochter het hek binnenreden, klopte haar hlart van blijde hoop.
Zij werd echter teleurgesteld; de baron ging met Valentine naar Zuid-Frankrijk en zou over veertien dagen terugkomen, in dien tijd bleef de baronnes op la Combelière logeeren.
Valentine wist niets naders van Alfred, doch tijdens haar kort oponthoud haalde zij weer hare herinneringen op van den laatsten tijd en vooral van den laatsten dag.
Dikwijls had Isabelle een waarschuwing op hare lippen om Valentine aan te raden, zich niet zooveel met dien man bezig te houden, wiens verleden zij niet kende en die wellicht niet meer vrij was, doch de gedachte bij het kind gevoelens wakker te roepen, die misschien nog slechts in haar ziel sluimerden, weerhield haar.
De baron de Mirécourt en haar tante hadden nog een ernstig onderhoud en toen de laatste met haar nicht een poosje alleen was, zeide zij:
"Nu ben ik gerust, lieveling, nu is uw toekomst verzekerd. Mijn goede vriendin zal tevreden op mij neerzien. De halve mijn, waar wij geweest zijn, zal u eens toebehooren."
"Tante!" riep Isabelle verschrikt uit, "meent u dat?"
"Wel zeker, zeker! en nu geen woord meer, want ik hoop dat het lang zal duren, voor ze werkelijk uw eigendom wordt."
Nogmaals voelde Isabelle de bekoring alles aan haar tante te bekennen, doch weer hield valsche schaamte haar terug. Bekennen dat zij dengene beminde, die haar gezelschap stelde beneden dat van het minste burgermeisje, dit was haar niet mogelijk, en zoo sleepte zij haar dagen voort, en vond het haar eenige troost, 's nachts in stilte haar ongelukkig lot te beweenen.
Op een herfstnamiddag zat zij, terwijl de beide dames in het salon keuvelden, onder de verandah, van waar zij het gesprek volgen kon:
De barones de Mirécourt sprak:

[208:]

"Valentine is veel veranderd. Zij leert beter, miss Ida is zeer over haar tevreden en vooral heeft zij veel liefhebberij opgevat in het verzamelen van steenen en schelpen. Haar piano bespeelt zij ook wat meer. Ik schrijf die verandering toe aan haar omgang met Isabelle."
"Hm, hm! 't Kan zijn," hernam mevrouw Ducombel.
"Isabelle is een welopgevoed, verstandig meisje, maar toch, mij dunkt, ,die invloed kan zoo ingrijpend niet wezen. Ik ook vind Valentine veranderd, doch geloof dat wij die verandering aan iets anders moet toeschrijven."
"Waaraan dan?"
"Aan de grootste leermeesteres, die de dwazen van hun dwaasheid en de wijzen van hun wijsheid geneest. Valentine is verliefd."
"Dat kind?"
"Houd toch eens op haar als kind te behandelen, zij is reeds lang jong meisje; misschien vermoedt zij zelf het niet, maar iemand heeft grooten indruk op haar gemaakt."
"Sosthènes toch niet?"
"Loop heen met uw Sosthènes. 't Zal u misschien minder bevallen, doch dat is uw zaak. Die knappe jongen, die ingenieur is het, die haar hart gestolen heeft."
"Onmogelijk, lieve mevrouw!"
"Geloof mij! Hij is de man, die haar past, die door verstand en liefde haar karakter zal weten te plooien en van onze Valentine een modelvrouw maken. Hij durft ongetwijfeld zijn oogen niet tot haar opheffen, maar wat ik u bidden mag, laat u door belachelijke vooroordeelen over stand en adel niet leiden en zoek alleen het geluk uwer dochter."
"Uw opmerking verrast mij zeer, ik dacht er niet aan; ge weet hoe Mirécourt er over denkt; wanneer dat jongmensch onze dochter bemint en ook zij hem lief heeft en hoogacht, dan mogen wij ons niet verzetten..."
Men hoorde Isabelle niet, zij nam haar tuinhoed werktuigelijk op, verliet de verandah en wandelde naar beneden; aan den oever der rivier bleef zij staan en staarde neer in de golven.

[209:]

Een gedachte rees bij haar op:
"Zoo ik daaronder lag, zou niets hem, meer scheiden van zijn geluk, zou de dwaze daad, welke hij nu bitter betreurt, geen invloed meer kunnen uitoefenen op zijn toekomst! Doch ik weet nu mijn plicht; het huwelijk moet ontbonden worden. Ik mag mij den dood niet geven, wellicht kan ik mij nog terugtrekken."
En in de verbeelding zag zij Alfred vrij, gelukkig met Valentine, en zij zelf... huiverend ging zij voort met gebogen hoofd, in een soort van doffe wezenloosheid tot aan de dorpskerk. De deur stond open. Zij trad binnen en viel op een der achterste banken neer, haar hoofd zonk in hare handen en zij brak in een hartstochtelijk snikken los:
"Gij straft mij, O mijn god, met het zwaarste wat mij overkomen kon, hem te beminnen, mijn eigen man, nu het te laat is; doch ik heb 't verdiend. Mijn plaats was aan zijn zijde en ik heb mijn plicht ontvlucht, mij voor hem verborgen. Laat hem nu gelukkig zijn; nog blijft mij een troost over: leven om het aan te zien en te boeten voor mijn trots."
Toen zij opstond was haar offer gebracht; zij wilde hem gelukkig maken zonder dat hij ooit vermoeden mocht, wat dat besluit haar kostte, en nog dien avond schreef zij haar vader om hem op te dragen alle stappen te doen, die noodig waren tot het nietigverklaren van hun huwelijk, voor zoo verre dit nog mogelijk was zonder Alfred's medewerking. Eerst wanneer de zaak in vollen gang was wilde zij er hem kennis van geven.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina