Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
[105:]
HOOFDSTUK XVIII.
"Mevrouw laat u vragen onmiddellijk bij haar te komen," zoo naderde,Germain den volgenden morgen den vicomte. "Mevrouw," en Gaston de Marcy zag den trouwen knecht even droomerig aan. "'t Is waar ook. Er is een nieuwe mevrouw op het kasteel." Eenige oogenblikken later klopte hij aan de deur zijner dochter. Geheel gekleed kwam Isabelle hem tegemoet. "Hoe is het, lieve schat?" vroeg hij deelnemend, "wel gerust? Wat beter dan gisteren?" "0 ja, dat gaat wel. Maar spoedig lees dit briefje! Adèle kwam het mij van morgen brengpn; 't is met de post gekomen. Ik begrijp er niets van! Wanneer al die knoeierijen mij maar niet waanzinnig maken." En zij viel op de sofa met het hoofd in beide handen. Verrast overzag de Marcy het briefje en las:
"Freule! Ge hebt gelijk; er is voor u en mij niets beter dan elkander nimmer terug te zien; ingesloten voeg ik den ring, dien gij mij Dinsdag geschonken hebt. We hebben een onwaardige komedie gespeeld, maar gij bezit het recht niet mij te verachten. "Vergeet alles, wat ik u ooit gesproken heb vaneen kinderachtige liefde, die ik voor de gravendochter koesterde. "Gij meent hoog boven mij verheven te zijn; uw geboorte,en uw naam graven tusschen ons een afgrond, die noch door liefde, noch door geld, noch door kennis kan gedempt worden. "Zijt gij er ook van overtuigd, dat diezelfde adel zware plichten oplegt? Ik ben het en daarom acht ik alleen den adel, die zijne plichten kent en nakomt.
[106:]
"Ingesloten vindt ge een briefje, dat de handteekening mijns vaders draagt; maar geschreven werd door een man, die een hoogen titel voert, wiens dochter slechts smaad en minachting over heeft voor ons, arme roturiers! "Mijn vader had het in handen zijn fanilie rampzalig te maken, den schuldige te doen veroordeelen tot een onteerende straf. Alleen wanneer deze de schoonvader van zijn zoon werd, stemde hij er in toe van het stuk geen gebruik te maken. "Ge ziet dus dat uw opoffering niet nutteloos is geweest. Misschien raadde een misplaatst gevoel van kieschheid mij ten onrechte af u reeds vroeger een keuze te laten doen, waartoe gij recht hadt. Ge zijt zoo trotsch en fier op uw geslacht dat ge wellicht liever den geschandvlekten titel uws vaders zoudt willen dragen dan mijn eerlijken naam. "Nu is alles gedaan! Ik geef u van harte gaarne uw woord terug; na hetgeen tusschen ons voorgevallen is, schijnt verwijdering en scheiding mij noodzakelijk. "Geef dit document aan den graaf Gaston de Marcy, dat zijn grootste straf nu zij aan zijn trotsch kind te verhalen, hoe zij zich v e r k o c h t heeft om hem. "Leef gelukkig, freule, ik zal uw pad niet meer kruisen en zoo de band, welke ons lot ter kwader ure aaneenklonk, u te zwaar mocht worden, twijfel niet of hij zal gemakkelijk ontbonden kunnen worden. "Wanneer ge tot dit besluit wilt overgaan, zult ge mij bereid vinden tot het doen van alle stappen, die van mijn kant daartoe gevorderd worden. "Ik verlaat Nederland, doch wanneer ik een vast adres heb, zult gij het bij mijn vader kunnen vernemen. Uw dienaar
ALFRED BRONS, Ingenieur.
"En het briefje, waar is dat?"
[107:]
"Hier! heeft u 't geschreven, papa? Is 't waar, weten de Bronzen dat u één... een falsaris is?" "Och kind, ze overdrijven de zaak! Een malligheidje! Maar wat is er tusschen jelui beiden gebeurd? Heb je woorden gehad? Hoe komt dit nu ook te pas, dien jongen zijn stand te verwijten, terwijl hij je man, je wettige man is? Zoo'n trots gaat te ver! Nu geeft hij er den brui aan! Maar dat moet hij weten. Ik heb 't briefje in handen, dat is het vooritaamste, Goddank!" "En met dat papier zou Brons u naar de gevangenis hebben gezonden, wanneer Alfred en ik niet..." "Juist! Jelui hebt komedie gespeeld en nu is die oude Brons er 't leelijkst aan toe, Zijn geld kwijt, zijn zoon weg! Ik geloof ook wel dat er een mouw aan te passen is. Scheiding..." "Laat dat aan mij over, papa! Dat is mijn zaak! Voor het oogenblik heet ik Isabelle Brons en ik ben dien jongen dank schuldig, ik die hem de bloedigste verwijten naar het hoofd geslingerd heb! Wat moet hij ons verachten in plaats dat ik er het recht toe had!" "Dankbaar zijn, omdat hij zich heeft verwaardigd, uit medelijden verwaardigd een meisje te trouwen, boven wier hoofd een onteerend vonnis hing." "Nu ja, je moet dien dienst zoo hoog niet stellen! Dat weet niemand en voor de wereld heeft hij een groote eer genoten, daarbij moet de jongen dol verliefd op je zijn, ofschoon ik er niets van heb gemerkt!" "Mijnheer de graaf, daar is de oude heer Brons om U te spreken," zoo klonk de stem van Germain aan de deur. "Ja, ik kom dadelijk! Belle, een vlammetje! Zoo, houd dat papier er aan, Ha, daar brandt het! Goddank! Onze eer is gered, lief kind! Laat de Bronser nu opvliegen. We zijn rijk en je man is zoo wijs om de wereld in te gaan." "En ik ben een verlaten vrouw, een onbestorven weduwe! Door uw schuld, uw intriges, papa!" De graaf hoorde de beschuldiging zijner dochter niet
[108:]
hij was nieuwsgierig van den ouden Brons iets naders te hooren over Alfred en ging dus snel naar het salon. Dorus' gelaat stond strak en somber. "Wat is er gebeurd, de Marcy?" snauwde hij den binnentredende toe, "wat heb jelui mijn jongen gezegd dat hem verjaagd heeft, verre van zijn vader en zijn huis?" "Ik? niets! Ik heb hem nageloopen, overstelpt met invitatiën, hij sloeg alles af, want hij moest bij zijn vader dineeren volgens hem." "Hij is niet bij me geweest! Ik dacht, dat hij hier was, zooals het behoorde bij zijn vrouw, en nu brengt de post mij van morgen dit briefje; hoor eens!"
"Dierbare vader! "Ik heb de voorwaarde vervuld; die gij steldet om de eer van freule de Marcy te redden." "Ik heb u niets verweten, ofschoon ik zag dat ik aan uw wraaklust mijn levensgeluk ten offer bracht; nu is 't aan mij om op een andere plaats, ik wil niet zeggen geluk, maar verstrooiing te zoeken. Anderen zouden deze misschien in het genot trachten te vinden; ik voor mij geloof, dat niets geschikter is dan drukke arbeid om het verledene en de toekomst te vergeten. De toekomst en welke toekomst? "Naast een vrouw, die mij opgedrongen is en die het als een eer voor mij en een ongeluk voor haar beschouwt mij hare hand te hebben gegeven, wil ik niet langer leven; de tijd zal, naar ik hoop, weldra komen dat de herinnering aan haar mij niet meer verbittert, maar om dat oogenblik te verhaasten, moet ik werken, altijd wer- ken. Nimmer zal ik kunnen uitrusten aan eigene haard, want die hoop moet ik voor goed ten offer brengen; al geef ik freule de Marcy ook hare vrijheid weer, ik zal mij steeds als gebonden aan haar beschouwen. Laat me dan hopen, liefste vader, dat ik bij u steeds een tehuis zal vinden! Wees niet boos op mij, ik moet dit besluit nemen; 't is het beste. Spoedig meer...."
[109:]
De stem van Brons was onder het voorlezen zwakker en zwakker geworden, hij haalde zijn zakdoek voor den dag en droogde zijn oogen af. "Dat hebt jij me aangedaan, Gaston de Marcy! Zooveel was je dochter mij niet waard. Ik heb niets gewild dan zijn geluk en nu is hij een vluchteling! een ongelukkige, arme, eenzame jongen! Wat belet me nog de zaak publiek te maken?" "Het papier is verscheurd." "Ja, maar het getuigenis van Jacobson blijft me nog over. Er komt een proces, laat me het verliezen! 't Deert me niet, het schandaal is dan gemaakt; mijn naam beteekent niets, ik heb geen adel, dien ik tot schande kan strekken, maar wie zal Gaston de Marcy nog willen aanzien, wanneer de heele onsmakelijke zaak aan het licht komt? Geknoei met een jood, namaken van mijn handschrift, verkoop van zijn dochter, leugens aan alle kanten, dat zijn de lieve, recht adellijke handelingen van den HoogEdelgeboren graaf." "Brons, hou je toch kalm!" "Mij kalm houden, nu ik de dupe van de geschiedenis ben geworden? Ja ik zal kalm wezen, wanneer jij naar den officier van justitie geweest bent." "Dat zal je niet doen!" "En waarom niet? Wie weerhoudt mij?" "Ik, mijnheer Brons!" En Isabelle, die in het aangrenzende vertrek alles gehoord had, sloeg de portière open en trad bedaard binnen. "Ik zal het u beletten! Wat uw zoon nu doet is een zaak tusschen hem en mij, maar de voorwaarden zijn vervuld! Ik draag thans zijn naam, u heeft het recht niet mu verder in het ongeluk te storten en mij mee te slepen in een proces, dat u. evenzeer tot schande zal strekken als ons, Ik betreur de laatste handelwijze van uw zoon, vooral ter oorzake van u, maar een die moet onmiddellijk verricht worden. De wereld mag niet weten van hetgeen hier voorgevallen is. Ik wensch rust
[110:]
te zoeken, na de ontroering der laatste dagen, in het Belgische klooster, waar ik opgevoed ben, maar de stad moet denken, dat ik met mijn man op een huwelijksreis ben! Ze zullen het onnatuurlijk vinden, dat ik alleen vertrek, daarom zal het heeten, dat Alfred mij te Arnhem wacht; om allen schijn te redden is het dus noodig mijnheer Brons, dat u straks met mij daarheen vertrekt." Zij sprak deze woorden op een kalmen toon, waarvan elke buiging den stempel droeg van rijp overleg, en Brons zag haar verbaasd aan; hij, die haar vader alles durfde zeggen, voelde zich verbluft en verlegen tegenover dit jonge meisje. "Ja, freule... mevrouw, maar dat gaat zoo niet." "Ik heb 't recht om te verlangen, dat ik ten minste ongerept uit dit moeras van onedele listen te voorschijn kom. Ook mijn levensgeluk is vernietigd en ik verlang niets meer dan een onbevlekten naam, hoe deze ook klinken moge. U heeft geen recht mij die te misgunnen, mijnheer Brons! Bedenk, uw zoon is een eerlijk man; nu heeft uw huis nog waarde voor hem, doch indien ge zijn offer vergeefs doet zijn, hebt ge alle aanspraken op zijn liefde verloren. Daarom zal ik mijn toebereidselen maken en dus...Tot van middag twee uur!" Ze liet hen beiden alleen. "Niet dom! De meid heeft verd... gelijk," mompelde Brons, ,ik heb het gelag betaald. Met groote heeren is het slecht kersen eten." "Brons," zeide de Marcy, "je bent een flauwe kerel. Maak je niet bezorgd. De boel komt in orde; ze zijn beiden jong en knap..." "Je kent mijn zoon niet! Hij heeft ook zijn trots, meer misschien dan een verloopen graaf, die gevangeniskost nauwelijks meer waard is." En zonder groeten verdween de ex-schoenpoetser. Om twee uur hield de equipage van de de Marcy's voor het huis van Dorus Brons stil; deze stond in verbeten woede uit zijn raam te zien,.. maar ook hij zag in dat er niets beters was, dan wat Isabelle had aan
[111:]
geraden om aan alle praatjes den bodem in te slaan en zoo voor zijn stadgenooten den aureool te behouden van schoonvader der gravin de Marcy. Isabelle gaf haar vader een wenk zich op de voorbank neer te zetten en zij wees Dorus de plaats naast haar aan; zoo reden zij naar het station, voorbij de woning van vrouw Piering, die niet weinig trotsch was haar broer bij al die voornaamheid te zien zitten, maar het alleen niet op kon, waarom hij tegenwoordig altoos zoo knorrig zag. Voorwaar, daar boog Isabelle zich en groette. "Hemel en aarde! dat was toch een eer! Ja, ze had gegroet en dan zouden de menschen nog zeggen, dat het een gedwongen huwelijk en neef Alfred zeer te beklagen was met zoo'n vrouw! De bruiloft was heel stil afgeloopen, maar geen wonder ook, de oude mevrouw was nog denzelfden nacht overleden, doch de familie had zich niet te beklagen. Alfred had hen allen goed laten eten en drinken op zijn gezondheid. Hij was nu wel niet bij de partij geweest maar dat kwam zoo toevallig." Aan het station was het vrij vol. Eenige bekenden, die Isabelle nog niet gezien had na de gebeurtenissen, welke op Dorenzathe hadden plaats gegrepen, kwamen haar feliciteeren en condoleeren. Zij nam de gelukwenschen en condoleantiën zeer natuurlijk aan en verhaalde dat haar man van morgen plotseling naar Arnhem had moeten gaan, wat zeer onaangenaam was; maar nu bracht haar schoonvader haar tot zooverre. Ze zouden een groote,reis maken naar het zuiden- en zeker niet in het eerste jaar terugkomen. "Wat zijn die groote lui toch geboren komedianten," dacht Brons, "wat ben ik begonnen mij met dat volk af te geven. Maar ik heb de domheid gehad van A te zeggen en nu moet het gaan tot en met Z." De trein kwam aan; men nam afscheid, wenschte een aangena,me reis en het tweetal stapte in een coupé eerste klas, nageoogd en besproken door alle achterblijvenden.
[112:]
"Ze schijnt recht in haar schik," was de algemeene opinie. Toen werd er gefloten en ze spoorden heen. Allen keerden huiswaarts, overtuigd dat alles in orde was en niemand vermoedde, dat beiden tot Arnhem geen woord met elkander wisselden.
inhoud | vorige pagina | volgende pagina