Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK IX.
De intrede van den vicomte de Marcy met zijne schoone dochter, bracht in de ruime zaal eenige opschudding teweeg. Zij zag er allerliefst uit, als een wit rozenknopje, zacht blozend, een weinig bedeesd, maar toch met iets over zich dat duidelijk te kennen gaf, hoe zij in het volle bewustzijn was harer waardigheid.
[48:]
Het tooneeltje met hare grootmoeder had een weinig ernst op haar voorhoofd geteekend; ofschoon de afscheidskus der douairière hartelijk was geweest als altijd, begreep Isabelle dat grootmama nu een minder gunstig denkbeeld over haar karakter koesterde, en zich bedrogen vond in hare, verwachtingen aangaande de begrippen, harer kleindochter. Maar nauwelijks weerklonk de muziek door de zaal en was zij omringd door eenige vriendinnen, allen even vroolijk en opgeruimd, of dit wolkje dreef weg. Zij voelde zich niet misplaatst, al zag zij de gezette figuur van Dorus Brons tusschen de notabelen der stad en raadde zij weldra, dat ook zijn zoon zich onder de dansers bevond. Reeds menigen dans had zij meegemaakt toen haar vader met den zelfden, dien zij altijd voor Alfred Brons aangezien had, naderde en haar het jongmensch presenteerde. Zij bloosde en dacht weer aan grootmama. Hij vroeg haar een dans; weigeren kon zij niet en ofschoon het haar zeer hinderde moest zij dien toch beloven. 't Speet haar voor 't eerst, dat zij toch haar wil had doorgedreven en vond het alles behalve passend met den zoon van haar vaders schoenpoetser te dansen. maar 't geval lag er nu eens toe en waarlijk om het uiterlijk en de manieren behoefde Alfred voor niemand der aanwezigen onder te doen. Het hart van Alfred echter klopte van angstige verwachting; zij was hem nog nooit zoo schoon, zoo koninklijk voorgekomen als heden. Zou een prinses wel fijner, statiger gestalte bezitten of een liever glimlach? En die oogen, hoe verlichtten zij haar aristocratisch teer gekleurd gelaat! Zijn arm beefde toen zij haar handje daarop liet rusten en hij, die anders lien geheel en avond zich met iedereen ongedwongen en vrij had onderhouden, kon in de eerste oogenblikken geen woorden vinden om met haar een gesprek te beginnen.
[49:]
"Ik heb de stad niets veranderd gevonden," begon hij. "Er zijn ook niet veel veranderingen gekomen," was haar antwoord. "'t Is jammer, dat de vorige burgemeester zoo jong gestorven is." "Ja, 't was voor zijn familie een zware slag." "Gerard is naar Java toe." "Dat heeft Anna u onlangs geschreven." "De familie woont nu immers te Amsterdam." "Sedert het vorige jaar." "'t Is toch een mooi paar die twee," dacht Brons senior en staarde hen met welgevallen na. Plotseling zag hij de Marcy naast zich staan. "Weet u ook," vroeg hij schijnbaar onnoozel, "wie die jonge dame is met wie mijn zoon danst? Me dunkt zij is de koningin van het bal." "'t Is mijn dochter," antwoordde de Marcy met licht verklaarbaren vadertrots. "Nu, dan maak ik u mijn compliment over haar, mijnheer de Marcy! Geen dame die in hare schaduw kan staan." "Och dat zeg ik nu niet, maar uw zoon dan, Brons, ik wilde dat hij de mijne was, in plaats van dat meisje." "Een meisje is toch voor een vader veel pleizieriger dan een jongen; jongens gaan de wereld in." "Als de vaders nog jong zijn dan gaan ze mee de wereld in, terwijl de dochters trouwen." "Het zal voor u een zware opoffering zijn het uw dochter te zien doen." "Dat gebeurt zoo gauw niet. Isabelle is mooi genoeg, maar tegenwoordig ziet men meer naar de beurs dan naar het gezicht." "Niet iedereen toch." "Maar ook niet iedereen convenieert ons!" Brons moest juist iemand, die links van hem stond antwoorden, en zoo kon hij geen aandacht genoeg wijden aan het gezegde van de vicomte, dat eigenlijk wel kon dienen voor een soort van terechtwijzing.
[50:]
De muziek en de vroolijke omgeving wonden Dorus Brons hoe langer hoe meer op; terwijl hij oogenschijnlijk koel, bedaard en zelfs onverschillig hier en daar een praatje maakte, volgden zijne oogen onophoudelijk het jonge paar. "Magnifique! Men kan zich niets mooiers bedenken, hij groot en donker, zij slank en blond, maar toch kleiner; ze praten druk! Wat belet hun mekaar te trouwen? Dat de grootouders van haar groote hanzen waren en de zijne... Maar 't is juist zooals het behoort. De boeken en couranten zijn er vol van dat zulke ideeën niet t'huis hooren in onzen tijd, en op de keeper beschouwd, wat heeft dat kind aan lui, die al jaren en jaren dood zijn? Misschien moet ze anders een ouden jichtigen baron trouwen, die schatten bezit en wie weet of ze niet dol gaarne mijn mooien, rijken jongen zou hebben als papa er niets tegen heeft." Brons rekende niet met de grootmoeder. "Ja" ging hij met toenemend welbehagen voort, "Alfred, heer van Dorenzathe en getrouwd met de freule! Beter kon het niet; prachtiger kroon kon ik niet stellen op mijn werk! De zaken gaan daar op het kasteel in de war, des te beter voor mij! In troebel water is goed visschen, flink maar gemanoeuvreerd,tot nu toe gaat alles naar wensch!" "Verveelt ge u, vader?" vroeg een stem achter Brons. "Ha, Alfred! hoe is 't? Waar is je dame gebleven?" "Op haar plaats!" "Zoo, heb je haar niet wat al te spoedig laten zitten?" "Ze was duizelig," zeide ze. "Een mooie meid, hé!" "Jawel, dat gaat nog al!" "De mooiste uit de zaal en hoe is ze? Nogal lief?" "O, ja, heel lief." "Heb je nog een dans met haar?" "Neen, ten minste ik heb haar niet gevraagd." "En waarom dtle je dat dan niet?" "Haar boekje is vol, denk ik."
[51:]
"Hm, hm! Dan ben je er niet vroeg genoeg bij geweest." "Toch wel!" "Met wien danst ze nog meer?" "Met graven, en baronnen en jonkers,officieren, maar met geen burgerlui zoo als wij." "Zoo, verbeelding ook al? En waarop? Op de hypotheken, waarmee de oude rotte kast, die ze kasteel noemen, beladen is?" "Dat weet ik niet," lachte Alfred een weinig gedwongen. "'k Heb het altijd ingezien, vader, niets is gevaarlijker dan hoog vliegen niet alleen maar zelfs naar de hoogte zien. Men verliest den rechten weg daardoor, die zeker naar het doel leidt. Adieu, ik heb juffrouw Steen dezen dans beloofd." "De winkeliersdochter, wat een verschil!" De winkeliersdochter was echter hoog vereerd aan den arm van den jongen ingenieur door de zaal te gaan. Haar gelaat schitterde van vreugd en trots; de jonkvrouw daarentegen hoorde met blijkbare aandacht naar de flauwe praatjes van een jongen student, den neef van den kantonrechter, die van zeer goede familie was, maar wiens eenige verdiensten op zijn naamkaartje vermeld stonden. Isabelle was niet tevreden; zij had zich tegenover dien Brons niet gedragen zooals het haar paste. De woorden van hare grootmoeder klonken haar nog steeds in de ooren, ze meende dat het een soort van vergoeding was, die ze bonne-maman aanbood door den zoon van haar gastheer met in het oog loopende stijfheid te behandelen, want van aard was Isabelle noch trotsch, noch onvriendelijk. Het kostte haar moeite iemand een koel of norsch woord toe te voegen, maar het gevoel dat ze hier een stand op te houden, hare tegenwoordigheid, te verschoonen had, maakte haar afgemeten en teruggetrokken tegenover den armen Alfred, die zich diep gekwetst voelde door haar houding en zich voornam het nufje geen blik meer waardig te keuren en zelfs geen gedachte meer aan haar te wijden,
[52:]
Om half een uur bracht de vicomte zijn docher op haar verzoek naar huis; hij zelf kwam dadelijk terug en amuseerde zich kostelijk. Brons had hem verzocht deel te nemen aan een soupétje, dat hij aan eenige heeren bood en de Marcy, minder kieschkeurig dan zijn dochter, weigerde niet; zelfs ging zijn hartelijkheid zoo ver dat hij het niet beneden zich achtte een toast op den guIIen gastheer in te stellen; 't is waar de champagne vloeide toen reeds sedert een goed uur. Alfred gaf zijn vader bij het naar huis gaan den arm, welken dezen nog al noodig scheen te hebben. "Een heerlijke avond, niet waar, jongen? dol geamuseerd. Hij is in gezelschap zoo onaardig niet, die vicomte! En die dochter, een prachtstuk van een meid! Verbeeld je als die mij eens papa noemde. Hé Alfred, wat dunkt je er van?" "Voorzichtig, papa, 't is hier fameus glad," was het bedaarde antwoord van den jongen man, wiens geest en maag even nuchter waren, want ach, zoo hij een oogenblik buiten zich zelf was geweest, dan kwam dit slechts door een korten droom van bewondering en geluk, waarop echter een smartelijk ontwaken was gevolgd. Alfred had een sterke bekoring gevoeld om zijn teleurstelling te verdrijven door de prikkelende champagne, maar dadelijk had hij gedacht: "Neen, 't is de eerste illusie, die ik verlies, wanneer ik nu reeds dadelijk begin die wolk te verjagen door bedwelmend vocht, al is 't dan ook door het edelste, hoe moeten de anderen, die hierop zullen volgen dan verdreven worden? De laatste misschien door jenever!" Het waren dus slechts zwartgallige, bittere gedachten, die Alfred van het bal medenam, terwijl de beide vaders het er over eens waren, dat ze een alleraangenaamsten avond hadden doorgebracht, want ook de vicomte sliep in met de gedachte: "Hoe dwaas toch om ter wille van oude vodden, die me niets opbrengen, geen omgang te houden met een man die in staat is me zooveel genot te verschaffen."
[53:]
Isabelle sliep dien nacht niet veel; het bal was toch lang zoo pleizierig niet als zij gedroomd had. Was het gezelschap te gemengd geweest, of had het ongenoegen van grootmama bij voorbaat een schaduw geworpen op haar genot, of berouwde het haar zich onbeleefd gedragen te hebben tegenover een fatsoenlijk man, maar Isabelle's geest kwam er telkens op terug: "Waarom heb ik grootma's raad niet gevolgd, waarom niet in tijds mijne neigingen overwonnen en stil te huis gebleven?"
inhoud | vorige pagina | volgende pagina