Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK X.
"Hebt ge u naar wensch geamuseerd, chérie?" vroeg madame de Marcy den volgenden morgen. "Neen, bonne.maman!" was het oprechte antwoord, "ik heb er spijt van dat ik uw raad niet volgde en, stil t'huis gebleven ben." "Et pourquoi donc," hervatte de oude dame, zonder den minsten schijn dat deze bekentenis haar eenige voldoening gaf, "was de boargeoisie er te sterk vertegenwoordigd?" "Dat weet ik niet, bonne-maman, ik heb er niet op gelet. Ik heb alleen gedanst met kennissen van ons. Hier is mijn balboekje." "Maar wie is dit ?A. Br ..? Armand Breevoort is toch niet hier." "Neen grootma, 't is de zoon van Brons!" "Heeft die u durven vragen...? Ja, natuurlijk, hij de zoon van den quasi-gastheer! En gedroeg hij zich nog al comme-il-faut? Ik meende ook al van morgen, dat ge een parfum van tabak in de kamer bracht. Dat komt toch niet van hem?" "Neen zeker niet, bonne-maman! Men zou 't hem niet
[54:]
aanzien, dat hij de neef van vrouw Piering is, en tabak of sigaren, daar heb ik niets van gemerkt!" "Dan heb ik 't mij stellig verbeeld; och ja! vroeger kon men de aristocratie herkennen aan haar manieren, maar nu, helaas is ze neergedaald tot de bourgeoisie en deze tracht zich op te heffen en zoo worden beide klassen gelijk, c'est fâcheux!" "Och grootma, wat zijn die jongelui toch allemaal onbeduidend en laf! Foei, geen degelijk gesprek, geen geestig woord heb ik opgevangen! 't Is waar, daarvoor gaat men niet naar het bal, maar toch wat het zout voor 't eten is, dat is toch de geest voor de conversatie!" "Zoo moest het zijn, Isa. maar zoo is het niet meer! Vroeger ja, vroeger toen Frankrijk nog den toon aangaf van de fijne vormen evenals van de mode, toen heerschte er een andere geest, maar tegenwoordig. Geld is adel en een groote naam zonder geld, beteekent niets meer." "Vroeger wel, grootma?" "Ja, toen ten minste begreep ieder, welke verplichtingen hem zijn naam oplegde. Den kinderen werd het in de jeugd reeds ingeprent, dat hun voornaamste zorg moest wezen hun stamboom zuiver te houden. Belette armoede hen tot een établissement te komen, dan begaven de jongens zich in krijgsdienst, de meisjes traden in het klooster, liever dan een huwelijk beneden haar stand te sluiten." "Dat is toch hard! Zonder roeping..." "Zij verkozen een geëerde plaats in het huis van God boven een toestand van afhankelijkheid." "Zou u dat ook gedaan hebben,grootma?" "Zeker kind, zeker!" "Maar dan kwamen die jonkvrouwen stellig nooit in aanraking met rijke burgers!" "Toch wel, soms! Helaas! het tegenovergestelde zag men meermalen gebeuren; arme zonen van groote familie verguldden hun blason door de millioenen van hun burgerlijke vrouwen bedachten niet welke verantwoordelijkheid ze daardoor op zich laadde!"
[55:]
"Ja, grooter dan indien een meisje tot zoo iets overging. Zij doet dun slechts voor zichzelve afstand van haar adel, terwijl een man burgerlijk bloed in de aderen van zijn heel nageslacht doet stroomen." "Dat is waar; de naam der jonkvrouw, die tot zoo iets overging, verdient uit de rij van haar geslacht te worden gewischt." Als de beide dames over adel en bourgeoisie bezig waren, eindigde het gesprek zoo spoedig niet. De oude gravin verhaalde voor den honderdsten keer van haar grootvader, die de manie des belles manières zoo ver uitstrekte dat zij naar het voorbeeld van den grooten koning geen dame met gedekten hoofde zou toespreken, en zelfs den hoed afnam, wanneer zijn kleindochter, toen nog geen zes weken oud, hem voorbij werd gedragen. Ondertusschen kwam de vicomte binnen, bleek, slaperig, met een fijne havana in den mond, die zijn moeder onmiddellijk naar haar zakdoek deed grijpen, terwijl Isabelle hem een verwijtenden blik toewierp. "Hoe is het mogelijk zoo kiesch keurig te zijn. grootma," sprak hij, "die sigaar is van het fijnste soort, echte havana." "Tabak is tabak, mon fils! en hoort in een cabaret maar niet in mijn kamer t'huis. Ik zal u niet vragen hoe ge u vermaakt hebt. Uw laat opstaan zegt het genoeg!" "Dol, mama, dol! Wat 'n fideele vent is dat, die..." "Wie, zegt ge?" "Och, die... die baron van Zandten!" "Is die zoo fideel? Hé, een man van mijn leeftijd bijna!" "Neen, niet hij juist, maar zijn zoon." "Heeft hij een zoon, tiens, dat wist ik niet! Ik meende dat die overleden was." "Neen; 't is eigenlijk zijn schoonzoon, maar dat doet er niet toe! Zeg Bel, hoe beviel je dat eerste bal?" "Zeer goed, vader!" "Hebt ge niet met den baron gedanst, die papa zo goed bevallen is, chérie?"
[56:]
"Neen, bonne-maman!" "Dat was niet mooi van u, Gaston, Isa beklaagde er over dat er zoo weinig conversatie was bij die de lui, ge hadt haar dien heer moeten voorstellen." "Hij danst niet en daarbij 't is niet mogelijk zich te isoleeren, wanneer men op een bal komt en een gezicht trekt of alles je te min is en of men zich hoog verheven acht boven alle andere personen. Ik ben niet trotsch van aard; ik beschouw alle menschen voor wat ze zijn, mijn gelijken. Niets meer en niets minder! Het kan den goeden God niet aangenaam wezen, wanner men op het grootste gedeelte van zijn schepselen neerziet met een leelijke lip, die beteekenen moet: Ik ben toch van beter deeg en maaksel dan jelui!" "Gaston, ge zijt nerveus van morgen! Ook ik beschouw den arme als mijn broeder, maar mij de gelijke achten van menschen, die me door hun opvoeding en geboorte verre moesten blijven, neen, dat nimmer. Want zie, cher fils! ook gij ziet op allen niet met dezelfde oogen neer, er is iets anders wat allen voor u gelijk maakt." En de douairière maakte eene beweging met de vingers. "Dat is ook de hoofdzaak tegenwoordig," ging de vicomte met klimmende verbittering voort, "wat geven al die Montmorency's en Noailles en Laferrières of zij heeten mogen? Zij hebben er goed van geleefd ,dubbel genoten van hun naam en geld, maar wat ben ze mij nagelaten? Verplichtingen en schulden." "Foei, c'est du dernier bourgeois! In alles geld zoeken, laat ik aan roturiers over. Wij aristocraten moeten het verachten." "Maar niet wat wij voor 't geld kunnen krijgen." "En ons verheffen verre boven kleingeestige berekeningen." "In de hoop dat onze schuldeischers het ook zullen doen." "Geld is slijk, zei mijn grootvader altijd." "Maar slijk is geen geld, anders had die oude heer gedaan zijn kelder met slijk te vullen, en kon ik, waardige kleinzoon, op een andere manier toonen
[57:]
hoeveel prijs ik stel op zijn mooie bezitting, dan door altijd maar hypotheken er op te nemen. Barends heeft mij reeds verteld dat Jacobson zijn hypotheek tegen Mei heeft opgezegd. Konden wij al het slik dat op Dorenzathe ligt maar als geld beschouwen!" "Papa, u zijt van morgen vrij knorrig," schertste Isabelle, die voelde hoe het gesprek bonne-maman onaangenaam werd. "En zou ik het niet wezen, als ik zie, hoe burgers leven zooals ze willen, terwijl wij ons bekrimpen." "Dat zie ik niet in! We leven geretireerd maar très comfortable." "O ja, altijd zonder te vragen, hoe wij aan ons geld komen, totdat eens de bom losbreekt en wie moet dan vóór alles staan, op wien komt alles neer? Niet op de dames, die zich in haar voornaamheid niets daarvan aantrekken en verzekeren dat die akelige zaken haar te min zijn." "Papa, u wil toch niet dat grootma zich met de geldzaken bemoeit of wel ik..." "Mijn zoon, ik vergeef u, dat ge voor een oogenblik vergeet tot wie ge spreekt," zeide de douairière plechtig. De koffie werd in stilte gebruikt, behalve eenige opmerkingen van den vicomte, die vond dat de eieren te hardgekookt waren en dat de koffie eer cichoreiwater mocht heeten, wat zijn moeder toegaf, in haar jeugd zou geen dame de qualité ooit zulk een vocht over haar lippen hebben doen komen, waarop men besloot de keukenmeid, eens flink de les te lezen. Maar Isabelle dacht er een oogenblik ernstig over na of het niet eervoller was cichoreiwater te drinken, dat betaald was, dan koffie, waarvoor men bij den winkelier in het krijt stond. Na de koffie ging de vicomte stadwaarts, liep eenige straten door en de markt op en neer; eindelijk was zijn besluit genomen en ging hij de hooge stoep op van het oude burgemeestershuis, Daatje maakte hem de deur open.
[58:]
"Is mijnheer Brons te huis?" "De oude of de jonge, mijnheer?" "De oude." "Wil u maar even binnen komen?" en zij liet hem in een zijkamer. De vicomte zag eens rond. "Prachtige meubels, komen niet bij mekaar, weinig smaak! 't Ruikt naar de schoensmeer." Na eenige minuten kwam Brons er en verwelkomde hem vriendelijk, maar met zekere neerbuigende hartelijkheid. "Kom naar boven, graaf," zeide hij, "is er iets van uw dienst?" "Dat juist niet! Ik wou je eens vragen Brons, hoe het je van nacht gegaan is na dat partijtje." "Perfect, geslapen als een roos." Boven in de nog rijker gemeubelde ontvangstkamer zat Alfred te lezen; hij ontving den vicomte uiterst beleefd, maar noch vader, noch zoon schenen het hoog bezoek zoo op prijs te stellen als de graaf verwachtte. 't Was toch geen kleinigheid, dat hij met zijn ex-schoenpoetser als gelijke wilde omgaan en hem zelfs het eerste bezoek bracht. "Komt u mij niet eens bezoeken, heeren?" vroeg de vicomte. "Zeker," was het antwoord van Brons Sr., "zoodra ik slechts vermoeden kan dat mijn tegenwoordigheid op Dorenzathe aangenaam is." "Twijfel er niet aan, dat u mij groot genoegen daarmee doen zult; ik ben van het idee van onzen tijd. Al die haarkloverijen van stand en aanzien vind ik belachelijk. De mensch is datgene, wat hij op het oogenblik is." "Juist!" "Daar valt niets tegen te zeggen," zeide Alfred, die moeite had een glimlach van spot te onderdrukken. "Wat mijn dames betreft, ik zal je wel niet aan haar kunnen voorstellen. Mama is zeer lijdend en mijn dochter verlaat haar geen oogenblik."
[59:]
"Zoo, zoo! Nu Alfred, dan ga je zeker niet mee?" Wanneer het zijn zoon betrof verliet Brons licht den scherp afgeteekenden weg, dien hij zich tegenover zijn vroegeren meerdere had voorgeschreven. "Integendeel vader," antwoordde Alfred, die zijn geraaktheid over deze vraag overwon, "ik zou heel gaarne Dorenzathe van binnen willen zien. 't Is een flink huis!" "Foei, ik zou dit prefereeren, midden in de stad, hecht en solied gebouwd. Dorenzathe heeft niets aantrekkelijks dan zijn naam." "Zullen we ruilen, graaf?" vroeg Brons senior. "Voor mijn part met alle genoegen, maar mijn dames hebben er veel betrekking op. Ze verbeeiden zich dat hun adel met het kasteel verkocht wordt." "Dien zullen wij de dames gaarne overlaten, maar wat het kasteel betreft, 't zou me juist lijken.. De tuin en het bosch konden een prachtig engelsch park worden. Heeft Barends er u niet over gesproken?" "O ja, nog voor uw komst, maar zoolang mama leeft bestaat er geen kans op; mijn dochter zou ik natuurlijk niet om raad vragen doch de wenschen der oude dame moet ik eerbiedigen." "Nog een glas port, graaf?" "Als 't je belieft! Zeg eens Brons, dat had je toch niet kunnen droomen in je jonge jaren dat je hier eens met mij zoo fideel een glaasje port zoudt zitten drinken." "Neen graaf, dat ik hat u zou schenken, nooit." 't IJs werd dien middag bij een fijn glaasje port en geurige sigaren gebroken; men sprak van het verledene. Brons begon het eerst over het schoenen poetsen en verzekerde, dat hij die edele kunst sedert jaren wel niet meer in praktijk bracht, maar toch altijd een kenner van het vak was gebleven. Op zijn beurt sprak Gaston over den armen duivel Alfred en nadat het bezoek een groot uur had aangehouden, gingen beiden recht broederlijk naar de societeit. Brons Jr had al sinds lang het tweetal verlaten en zat op zijn kamer te schrijven; hij scheen ontevreden,
[60:]
en herhaaldelijk fronste hij zijn wenkbrauwen en beet kwaadaardig op zijn pen. "Dwaas, die ik ben! Overal zie ik die blonde lokken hun wonderen goudgloed; van alle kanten staren die trotsche blauwe oogen aan en ik zie haar niet gister avond maar als jaren te voren bij den burgemeester, toen ze nog zoo kinderlijk en eenvoudig was en geen begrip had van aI die vooroordeelen, welke haar er zegt te verachten, maar die hij eenvoudig voor oogenblik terzijde zet, omdat het hem bevalt dat de schoenpoetser goede sigaren heeft en fijne port. Zij heeft meer karakter; al zou haar kasteel op het spel staan, zij zou zich niet vernederen voor het plebs. Bespottelijke ideeën! Kom, over veertien dagen zal het over en zullen die nuffige kunsten mij niet meer prikken als ik telkens aan haar denk, is omdat ze mij gegriefd heeft, en ik het toch niet verdiende."
inhoud | vorige pagina | volgende pagina