doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


HOOFDSTUK VII.

"Nu Isabelle; ik kan aan je nieuwsgierigheid voldoen, de zoon van Dorus Brons is in de stad. Een knappe jongen, en ik geloof dat zijn vader nog trotscher op hém is dan op zijn millioenen. Hij neeft zijn Albert mêegenomen naar de societeit."
"Hij heet geen Albert maar Alfred."
"Hoe weet ge dat?" vroeg grootmama, haar brilletje van de oogen nemend en tusschen de plooien van haar zakdoek afvegend.
"Ik herinner het mij nog van vroeger."
"Alfred! wat een baroque inval, zijn kind Alfred te noemen, hoe komt hij er aan?"
"Dat heb ik hem ook gevraagd; hij zei dat het de mooiste naam was, dien hij kende."
"Waarom hem niet Teun of Kees genoemd, dat was ten minste in de familie," lachte Isabelle.
"Doux souvenirs," spotte de Marcy.
"En heb jij hem dat gevraagd, Gaston, dus je hebt conversatie met hem aangeknoopt?"
"Ik niet, maar het kwam zoo te pas, in de societeit. Hij wordt er zeer gerechercheerd."
"La noblesse des millions! Helaas! 't is onze tijdgeest."
"Wel zeker, en daarom,wil ik er me niet tegen verzetten, daarbij, die zoon Alfred...."

[39:]

"Noem dien naam toch niet, ça me fait mal."
"Hij mocht zijn kind toch noemen zooals hij wilde. 't Is een nette jongen met een knap voorkomen; er is geen knappere in de stad, dat verzeker ik u en met, een manier van zich voor te doen, die een jongmensch van onzen stand hem zou kunnen benijden."
"Dus is, het parvenues bloed er bij hem uit! Ik meende hem van morgen te zien, toen wij langs zijn huis kwamen; er stonden twee aan 't glas."
"O, gij vrouwen, wat ge toch niet opmerkt, zelfs wanneer ge met heel iets anders bezig zijt."
De douairière zag ontevreden naar hare kleindochter.
"Ma bonne enfant," sprak ze ernstig en treurig, "in mijn jonge jaren sprak een dame van goeden huize nooit op zulk een toon van een jong mensch, die niet aan haar gepresenteerd was, nog minder van iemand, die om zijn maatschappelijke positie zulk een eer niet waardig kon worden."
lsabelle bloosde.
"Attrapé!" plaagde haar vader, "'t Doet me pleizier, dat grootmama je eens onder handen neemt. Je hebt het wel nu en dan noodig en papa is te zwak."
Nauwelijks waren beiden een oogenblik alleen of Isabelle knielde voor haar grootmoeder neer en hief haar mooi gezichtje bij tot de oude dame:
"Grootma, u begrijpt immers wel dat het zooeven maar gekheid was, papa plaagt mij gaarne en dan antwoord ik hem op denzelfden toon, maar die jongen interesseert me niet."
"Iets anders verwacht ik ook niet van u, mijn kind, maar in onzen stand moet men zeer voorzichtig zijn en zelfs den schijn vermijden. Dat eene de Marcy zulk een mensch gelieft op te merken is reeds te veel. Als mensch kan hij hem beleefdheid bewijzen wanneer het te pas komt, maar overigens moet zij hem... ignoreeren."
Gelukkig voor de gemoedsrnst der oude dame merkte zij er niets van, dat haar zoon dien avond in plaats van naar de societeit of naar een zijner adellijke vrienden te

[40:]

gaan een avondpartijtje door zijn tegenwoordigheid opluisterde, dat Brons aan zijn vrienden gaf en waarop hij als ter loops ook Gaston de Marcy inviteerde.
De graaf zei het hard genoeg, hij gaf niet om zijn adellijken titel, maar de waarheid was, dat hij daar wel degelijk waarde aan hechtte, hoewel niet zoo veel als aan een fijn soupé en keurige sigaren. Kon hij deze twee dingen met elkander vereenigen, zijn stand ophouden en leven zooals hem aangenaam was, ja, dan zou hem dat het liefste zijn, maar nu vond hij het belachelijk alleen om die oude herinneringen zich te berooven van iets werkelijks, dat hij niet onder zijn dagelijksche amusementen mocht rekenen.
Mevrouw de Marcy ondertusschen en haar kleindochter zaten rustig en stil in 't salon naar de windvlagen te luisteren of wel zich amuseerende met uit te rekenen op welke wijze de G. van O's en de B. de V., familie waren van de P. tot Q. Opwekkende bezigheid was dit ongetwijfeld niet voor de levendige, geestige Isabelle en hoe ontevreden en weinig eischend zij ook was, kon men 't geen wonder noemen dat haar lieve oogjes begonnen te glinsteren en haar jong hartje iets sneller te kloppen toen haar vader een dag of wat later t'huis kwam met de boodschap, dat er een groot bal in de societeit zou plaats hebben.
Dat Dorus Brons het zijn voormaligen stadgenooten aanbood, verzweeg de Marcy wijselijk.
"Niet waar, grootma," sprak de vader, "u zal immers zorgen voor een heel fijn, lief toilet voor onze Belle, 't is haar eerste bal, moet ge denken."
"'t Zal er zeer gemêleerd zijn," zuchtte mevrouw. "Isa is eigenlijk nog niet gepresenteerd en haar entré op een koffiehuis-bal te doen, ce n'est pas distingué."
"Kom, wees zoo existent niet, grootma, waarom zou zij niet daar kunnen komen, als de freules van Hoort er verschijnen en die en die, en die..."
"Die zijn ook reeds gepresenteerd, maar wie zal haar chaperonneeren?"

[41:]

"Voor den dr... wie anders dan ik."
"Gaston! Gaston! Welke uitdrukkingen! Ach, in mijn jeugd liet men zulke gezegden aan de stalknechten over, maar toen waren zij het ook alleen, die in herbergen kwamen, en niet de heeren en zelfs hunne dochters!"
Isabelle had al dezen tijd doodstil gezeten, schijnbaar verzonken in haar borduurwerk, maar zij volgde met angstig kloppend hart het gesprek.
Grootmama had gelijk, maar toch een bal, daarvan had ze zooveer gehoord en gelezen; zij was bijna twintig jaar en nooit had ze er iets naars van gezien.
"Chère enfant," sprak de douairière, "wat zegt gij er van? Is 't nu wel goed daar te komen, zou 't niet veel meer comme-il-faut wezen als geen onzer daarop verscheen?"
"Lieve bonne-maman, ik laat het geheel aan u over," antwoordde zij met haperende stem.
Dit had mevrouw de Marcy nu juist niet verwacht, wanneer ook Isabelle zich tegen haar vaders voorstel verzette was het pleit gewonnen, maar nu werd het haar overgelaten en, dit maakte de zaak moeielijker.
"Kom, ik zou me aan al de gekheden niet storen," hernam Gaston, "niemand zal er noch mij noch Belle dank voor weten als zij in plaats van vroolijk mee te dansen hier in haar huisjapon bij de kachel blijft zitten. Bedenk toch eens mama, toen u zoo oud waart als zij, was u bijna geblaseerd van het dansen en dat arme kind heeft nog nooit een balzaal gezien."
"Een mooie balzaal!"
"In elk geval is 't een afleiding voor haar. Zij versuft hier dank uwe steile ideeën. Was 't mijn zin, Belle, dan verlieten we nog, liever van daag dan morgen dit ellendig nest."
Grootma zag eens het meisje van ter zijde aan maar Isabelle scheen, volstrekt niet van zins om als naar gewoonte, de partij der douairière op te nemen; door te zwijgen gaf ze niet onduidelijk te kennen dat papa's meeningen toch zoo heel erg niet tegen de hare streden.

[42:]

Wanneer hare mama nog leefde,"vervolgde mevrouw de Marcy, dan zou ik er niets in zien dat zij de wereld bezocht..."
"En onze financiën, als die het beter toelieten.."
"O 't geld, en met de onnavolgbare achteloosheid eener groote dame haalde mevrouw de schouders even op.
"Zulke dingen maakt men niet afhankelijk van zoo iets futiels, als geld."
"Ha, ha, ha! men doet dat ook niet, maar onwillekeurig moet men ook rekenen met zijn schulden, hypoheken en hoe die rommel verder heeten mag..."
"Daar heb ik geen verstand van! Isabelle, ma petite chérie, zoudt ge heel gaarne naar dat bal willen gaan?"
"O ja, bonne-maman, heel gaarne; en ik geloof niet dat men er aanmerkingen op maken zou."
"Aanmerkingen! Wie zou dat durven of daartoe gerechtigd zijn? Bonne petite, voelt ge dan nog niet, dat wij adellijk en iets doen of laten niet uit vrees voor aanmerkingen van wie ook, maar uit respect voor onze eigene gevoelens?"
"Nu ziet u wel, met de gevoelens van Isabelle strijdt dat bal niet en zij is de voornaamste belanghebbende, dus 't is besloten."
"Ainsi soit-il," zuchtte mevrouw, "Isabelle, moge het u nliet berouwen."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina