doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


[30:]

HOOFDSTUK VI.

"De aankomst van den rijken oom" was een onderwerp dat niet spoedig zijn nieuwheid verloor,
Dagelijks werd op alle familiepartijtjes en thee-visites behandeld, wat hij al aan niet gedaan had en Brons, die zich door zijn neven en nichten op de hoogte liet houden van wat er rechts en-links over hem gepraat werd, genoot dubbel van zijn triomfantelijken terugkeer.
Zijn grootste genoegen was zeer onverschillig en eenvoudig gekleed door de straten te loopen en dan de uitroepen te hooren, die hier en daar uit groepjes menschen opstegen, de nederige groeten te ontvangen van al degenen, die eens zijn gelijken waren, maar vooral van de gemeenzame wijze te genieten, waarmede zijn vroegere meerderen hem nu tegemoet kwamen.
Nog een groote voldoening wachtte hem. Zijn zoon had zijn laatste examen afgelegd en nu zou hij hem eindelijk na tienjarige afwezigheid terngzien en met hem kunnen pronken, want Alfred was bestemd een nieuwer parel te worden aan de kroon, die hij zichzelf gesmeed had en waarmede hij zijn stadsgenooten zoo gaarne verblindde.
Langzamerhand had Brons eenige kennissen gemaakt, uit de zoogenaamde aristocratie der stad, heeren, die dikwijls bij hem een kaartpartijtje kwamen maken en voor wie een keurig fijn soupé misschien wel de meeste aantrekkelijkheid had!
Op zulke avondjes zorgde Brons wel dat zijne gasten nimmer zijn broer, nog iemand anders van de familie bij hem aantroffen.
Kwam er onverwachts een gast en zaten een of meer Bronzen hem gezelschap te houden, dan toonde hij zich volstrekt niet verlegen over hun aanwezigheid; hij stelde hen aan den nieuw gekomene voor en weldra, dat wist hij vooruit, gevoelden de eenvoudige lieden zich zoo slecht op hun plaats dat zij zich haastten afscheid te nemen.

[31:]

Daatje Brons nam zijn huishouden waar; eerst liet hij haar bij zich aan tafel zitten, wanneer hij kennissen te eten hield, maar toen hij merkte dat zij te goed luisterde en de gesprekken thnis overbracht, kreeg zij bevel voortaan bij zulke gelegenheden in de keuken te bIijven.
Onwillekeurig werd er door de familie zacht gemompeld dat broer Dorns toch wel de grootheid zocht, doch zoo lang broer zijn gouden tientjes onder hen liet rollen, verklaarden zij bij hoog en laag dat ze zich niet hadden kunnen voorstellen, Dorus zoo weinig veranderd te vinden.
Tot groot leedwezen van de stad kwam de jonge Brons des avonds aan.
Men had dus geen gelegenheid hem zijn intrede te zien doen.
Brons senior was zeer ingenomen met zijn zoon; Alfred had van zijn moeder, een knappe lndische dame, wier vader echter een geboren Europeaan was, een rijzige, slanke figuur geërfd; van haar was ook ongetwijfeld zijn fraai besneden gelaat, met een eenigszins donkere kleur, ravenzwarte haren en oogen, die hem in den vreemde voor Italiaan deden doorgaan. Op zijn vader geleek hij alleen door zeker fronsen van voorhoofd en wenkbrauwen, dat te kennen gaf dat zijn wil, hoewel van verscheidene kanten gedwarsboomd, onverzettelijk kon zijn.
Daags na zijn aankomst stond Alfred in de voorkamer, dezelfde, waar vrouw Piering eens het voorloopig maaltje had aangericht, voor het raam.
De oude heer zat in een gemakkelijken Indischen stoel zijn zoon aan te zien en te bewonderen; met hoeveel smaak droeg Alfred zijn kleeren en toch was hij op verre na geen modepopje. Hij, Dorus Brons, moest zich tot zijn ergernis bekennen, dat zelfs de beste kleermaker hem geen kleeren kon maken, die zoo recht gentleman-like zaten.
En hoe bleek was Alfred in vergelijking van zijn vader, die juist in den spiegel tegenover hem een rood, pokdalig gezicht ontwaarde, weinig geschikt om een fijngemeu

[32:]

beld salon door zijn aanwezigheid op te sieren. Zelfmisleiding behoorde niet tot Brons' ondeugden; dat hij er leelijk en niet deftig uitzag, wist hij reeds sedert jaren en daarom juist verheugde het hem dat zijn zoon in dit opzicht goed maakte wat aan zijn vader te kort schoot.
Alfred keek eens de kamer rond.
"O foei papa," riep hij eensklaps uit, "wie heeft dit salon zoo gemeubeld? Wat een smaak! groene kanapés en stoelen, roode gordijnen, een blauw tapijt, een goudgeel karpet en dan al die prullen voor den schoorsteen; die lompe pendule en die kersenhouten console bij al deze mahoniehouten meubelen, zonder nog iets te zeggen van die onmogelijke oleographieën! Heeft oom Teunis dat gedaan? Geen wonder!"
Brons lachte.
"Om je de waarheid te zeggen Fred, heb ik er nog niet naar gekeken. Je weet, ik let niet op zulke kleinigheden."
"Ik noem 't geen kleinigheid; gebrek aan smaak verraadt grofheid van zintuigen; in de kamer, waar wij ontbeten hebben, hinderden mij reeds de bonte kleuren van het buffet en die geelbruine zittingen. Het schijnt dat oom Teun kleurenblind is."
Juist kwam Daatje met de courant binnen.
Brons schaterde het uit.
"Hoor je daar meisje, wat je neef Alfred van je vader zegt, dat hij kleurenblind is."
"Neef Alfred mocht willen, dat hij zoo blind was als vader, dan hoefde hij geen bril te dragen," zeide het meisje scherp en met een boozen blik naar Alfreds lorgnet.
"Wil u zoo goed zijn, waarde heer en zoon, om eens onder geleide van Daatje het huis door te wandelen; ik geef je volmacht om wat je niet bevalt weg te werpen, te veranderen, te verruilen, te verkoopen, watje maar wilt."
"Zullen we het doen, Da? Of ben je bang dat ik zeere oogen bovendien krijg van de overmaat van schelle kleuren?"

[33:]

Daatje bromde wat van ontevredene menschen, moeite doen voor niets en verliet knorrig de kamer.
"Dan zal ik 't maar alleen beproeven, tot straks, pa," sprak Alfred glimlachend.
Brons zag zijn zoon na.
"Sprekend-zijn moeder! Jammer dat die arme Sophie hem niet terug gezien heeft. 't Was toch een goed schepsel, ik mis haar erg; een huis zonder vrouw deugt niet, Daatje is er geen mensch naar om de menschen te ontvangen zooals het in een deftig gezelschap past en Kee zou al mijn gasten op den loop jagen. Er moet in voorzien worden, maar hoe? Zelf trouwen doe ik niet! Ik heb lang genoeg de soesa's [Lasten] er van geleden. Die Sophie kon zulke rare ideeën hebben (ik hoop dat Alfred verstandiger is) maar ik was gewend aan haar en op mijn ouden dag mij schikken naar de nukken eener vrouw, die ik op dit oogenblik nog niet ken, dat nooit, zoo onwijs zal ik niet wezen. Alfred is nu bij de vier en twintig; hij kan gerust denken aan een vrouw. Ik zal eens rondkijken voor hem; ongelukkig dat ik geen dames hier aan huis mag ontvangen, anders verzocht ik alle mama's met hare huwbare doehters op een monster theevisite."
Alfred kwam terug met de handen voor het gezicht.
"Ik krijg een ongeluk aan mijn arme oogen, en zal dus de verdere revue maar uitstellen; foei, foei, is me dat toch een boeltje; het heele ameublement is verknoeid en wie weet hoeveel u dat kost."
"O dat is minder, daar zie ik niet naar."
"Ik wel; oom Teun had alles mooier en veel minder kostbaar knnnen inrichten, zonder zijn voordeeltjes natuurlijk."
"Hij zal me niet meer laten betalen dan 't werkelijk kost."
"O neen, integendeel!" en Alfred beet op zijne lippen, denkende aan den schralen kost en de armoedige kleeren, waarmede hij zich behelpen moest terwijl hij bij zijn

[34:]

oom inwoonde, niettegenstaande de groote wissels, welke zijn vader geregeld ter bestrijding der kosten van zijn zoon's opvoeding overzond.
Brons bemerkte de spotachtige uitdrukking niet, die in Alfred's laatste woorden lag,
"Nu, ik vond alles nogal mooi en niet bijzonder duur, maar zie je, ik weet niet hoe een deftig huis in Europa moet gemeubileerd zijn. 't Eenigste, wat ik van dien aard gezien heb, is 't Huis Dorenzathe geweest, en mij dunkt dat het er hier bonter uitziet, dat kan zijn; maar de stempel van comfort en élégance ontbreekt er geheel aan."
"Dien moet jij er aan geven, Alfred, tegen dat jij in dit huis eene meesteres brengt."
"Is 't aan mij dat te doen?" vroeg Alfred lachend.
"Natuurlijk, of zou je willen, dat ik het deed?"
"Waarom niet? U is hier meester, ik ben er maar en passant."
De wenkbrauwen van Brons trokken zich dreigend samen en zijn sigaar zonder complimenten over het karpet in een hoek werpend, zag hij zijn zoon strak aan:
"Wat beteekent dat? Heb jij misschien plannen gemaakt zonder mij te raadplegen?"
"Neen, ik heb aan geen plannen gedacht, maar dit begrijpt u wel, ik ben jong, krachtig en heb veel geleerd."
"Uit liefhebberij! Je bent rijk genoeg, je hebt niets van al die kunsten noodig; als je hier niets doet dan jagen, rijden en rooken dan kun je nog meer vertellen, dan menig hoogadellijk heer inkomen heeft."
"Maar of zoo'n leven in mijn smaak valt, dat vraagt u me niet... Hé; wat is de stad vooruitgegaan! Een amazone met haar cavalier!"
Brons stond op en ging naast zijn zoon bij het raam; juist reden een heer en dame, op fraaie paarden gezeten, de markt over.
Het was een mooie winterdag, koud maar kristalhelder; de amazone droeg een met bont omzoomd donkerblauw rijkleed; een donker hoedje met groote veer

[35:]

lag coquet op haar blonde lokken; haar door de kou en de beweging warm getint gelaat, vroolijke lach en fonkelende oogen schenen stralen te werpen tot in de kamer, waar vader en zoon stonden.
"'t Is Gaston de Marcy en zijn dochter," sprak Brons terwijl ze snel voorbij reden, "een knappe meid."
Toevallig zag hij zijn zoon aan.
"Maar jongen, vergis ik me niet, kijk eens in den spiegel, wat heb je een kleur!"
"Een kleur? Kom papa, ik ben toch geen jong meisje, dat elk oogenblik bloost of verbleekt. 't Is mijn gewone tint."
"Leugens! zooeven viel mij je bleeke kleur op en ik dacht nog: zou hij wel recht gezond zijn of heeft hij zich in den laatsten tijd overwerkt? Maar nu, neen nu wordt het minder. Kijk me eens recht in de oogen en antwoord me oprecht! Ken je die freule van nabij?"
"Wel neen, papa, als kinderen hebben we een paar keer bij den burgemeester hier in den tuin, en zelfs in deze kamer samen gespeeld, dat wil zeggen, de freules en jonkers in miniatuur zochten elkander op en wij gewone burgerkinderen mochten naar hun spelletje uit de verte toekijken."
Een kwalijk verborgene ergernis welde op in zijn gemoed bij de herinnering, hoe kaal zijn door tante Brons zelf gemaakt jasje afstak bij de kleeren der andere kinderen.
"Dan ken je haar toch?"
"Ik zou haar niet herkend hebben," verzekerde Alfred kortweg en stak een sigaar op.
"Ze is een mooi meisje geworden, maar trotsch, trotsch - als een... pioenroos."
"Neen, dat was ze niet! Toen ten minste was ze heel kinderlijk en lief."
"Ook tegen jou?'
"Ja, tegen mij ook," en hij glimlachte als bij een opkomende herinnering.
"Jongen! hindert de warmte van de kachel je misschien? Je begint weer te gloeien."

[36:]

"Geen nood, volstrekt niet."
"Kom, er is meer tusschen je beiden voorgevallen, dan je wel vertellen wilt; biecht eens op, je weet dat de Marcy's mij nog altijd belang in boezemen."
"Och, 't is niets, minder dan niets! Tante Brons had mij toen voor het eerst een meesterstuk van knip- en naaikunst aangetrokken, een jas van helderblauw laken, met groote gouden knoopen. Ik was de beste vriend van 't zoontje van den burgemeester en daarom ook geïnviteerd op een verjaringspartijtje. Toen ik binnenkwam, merkte ik reeds dat de meisjes onder elkander lachten en giegelden, en de jongens maakten rondweg allerlei grappen over mijn jas... Misschien is 't wel daarom, dat mijn smaak voor zachte kleuren zoo afsteekt met hun kleurenwoede."
"En lachte de freule mee?"
"Dat weet ik niet meer. Maar later toen we in den tuin aan 't spelen waren, blindemannetje geloof ik, speldde een deugniet mij vast aan haar japonnetje en 't is zeker geen bewijs van de deugdelijkheid der stof dat haar kleed ongeschonden bleef en een groote winkelhaak in mijn jasje scheurde. Dit gaf luid gelach, de freule alleen keek mij medelijdend aan, vroeg aan haar gastvrouw naald en draad en maakte het gescheurde zooveel mogelijk goed, Maar ik heb dat jasje niet meer aan gehad."
"Zoo, zoo," en Brons ldopte met zijn sigaar tegen den rand van de tafel zoodat alle asch op het tapijt viel, "is dat alles?"
"Alles!" maar Alfred vertelde niet dat na dien dag freule Isabelle onwillekeurig het middelpunt van zijn jong leven was geworden, dat hij met een sterretje op zijn almanak de dagen aangeteekend had, waarop het hem gelukt was haar te ontmoeten, en met een bloemkransje, die waarop zij met hem in gezelschap was geweest. Verder dat onder de souvenirs, die hij met teedere zorg bewaarde, daar zij van zijn innig betreurde moeder afkomstig waren, zich eenige bloempjes bevonden, die

[37:]

zij geplukt had en laten vallen, een blauw strikje, dat haar vlechten eens samenbond en dat hij heel voorzichtig had weten machtig te worden en een papiertje, waarop ze eens bij een gezelschapsspel eenige woorden had geschreven. Maar niemand wist iets van dit geheim gevoel, waarvan hij zichzelf nauwelijks rekenschap kon geven; zijn vader was de eerste, die er iets van gemerkt had en dit hinderde hem.
"Veel is 't niet; gebeurt je dat altijd wanneer je een mooie dame ziet dat je zoo rood wordt?"
"Misschien wel, ik merk er niets van. Gaat u vanmorgen niet uit?"
"Ja wel, zoo straks! Maar nog iets, zou je die freule Marcy hier niet graag als meesteres zien?"
"Maar papa, wat een gedachte! Isabelle de Marcy van Dorenzathe en ik..."
"Nu, wat ik?"
"Ik de neef van moeder Piering."
Met van toorn vlammende oogen zag Brons zijn zoon aan.
"Wat kan mij of jou mijn zuster schelen? Is het met mijn familie of met mijn zoon, dat ze dan trouwen moet? Zoolang jij je zelf niet weet te verheffen boven die standsvooroordeelen, dan verdien je ook niet dat anderen zich tegenover jou daarover heen zetten. Zie naar mij, hoe ik lach om al hun pretentien, ik met mijn millioenen!"
"Ja, u lacht er mee, maar anderen..."
"Anderen zullen 't ook doen; het hangt alleen van ons af, wat voor standpunt wij in de wereld zullen innemen."
"Doe mij genoegen, papa, zulke dingen niet meer aan te roeren; ik wil nog aan geen huwelijk denken en het minst met iemand, die zich hoog boven mij verheven waant."
"Die verhevenheid kon wel eens laagheid en vernedering worden," morde Brons tusscben zijn tanden.
Daatje kwam binnen en sloeg de handen in elkaar.
"Maar oom, zijn er geen aschbakjes genoeg, dat u asch [38:] en sigaren alles zoo maar op dat mooie tapijt laat vallen. 't Is zonde en jammer!"
"Waarom? Hoe spoediger dit bedorven is, hoe eer je neef Alfred een nieuw kan koopen."
"Maar dat doet men niet in Holland en neef Alfred moest het toch weten, hij die al zoo lang uit de Oost is."
Alfred, blijde dat het gesprek met zijn vader gestoord werd, antwoordde half schertsend, half ernstig op Daatje's verwijtingen.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina