doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


[1:]

HOOFDSTUK I.

Het was lang doodstil geweest in den kleinen salon van den Huize Dorenzathe.
Alleen het regelmatig tikken der pendule en het knetteren van 't houtvuurtje in den open haard verbraken de stilte binnenshuis; buiten gierde een onstuimige herfst wind langs de ruiten en joeg van tijd tot tijd groote regendroppels daartegen.
Op een voetebankje voor het vuur zat de jonge freule Isabelle de Marcy, terwijl eenige stappen van haar in een diepe fauteuil de douairière de Marcy Granville zoo onbeweeglijk lag, dat haar regelmatige, zachte ademhaling het niet eens behoefde te verraden, hoe zij voor eenige oogenblikken alle aardsche zorgen vergeten had.
Freule Isabelle had echter sedert eenige oogenblikken haar droomerigen blik van de brandende blokken afgewend en zag nu de oude dame strak aan, totdat deze hetzij door het magnetische van haar oogslag, hetzij door een sterkere windvlaag uit haar sluimering opschrikte en na een oogenblik verward rondom zich gezien te hebben in het duistere vertrek, met een onvaste stem vroeg:
"Hoe laat is het, Isa?"

[2:]

"'t Is tijd voor de thee, grootmama; zal ik het licht maar aansteken?"
"Ja kind, doe dat! Ach, ben ik weer in slaap gevallen en ik had nu juist wat willen denken aan oude tijden, maar ik weet niet hoe 't komt, zoodra ik een oogenblikje stil zit, vallen mijn oogen toe. Dat is de ouderdom, et toi donc, mon cher coeur, dites, heb je ook het verledene opgeroepen?"
"Och neen, grootma, mijn verleden is zoo kort."
"En de toekomst zoo lang! Ah chérie, bij mij is 't juist het tegendeel, le passé... o mon Dieu, qu'il est long, en de toekomst... il est presque fini... ten minste hier."
"Was ik ook maar zoo ver als u, bonne maman!"
"Oh non, non! het leven is mooi, Isa, al zeggen de ontevredenen ook dat het bitter. is. Men vergeet de smart zoo spoedig. Oui, bien vite, want er zijn zooveel rozen naast de doornen."
"De doornen hebben u toch dikwijls pijnlijk geprikt, bonne maman?"
"En die rozen zoet verkwikt. Tiens! C'est un bout rimé je crois. Ik heb veel geschreid. Ja, maar ook veel gelachen, en nu kan ik 't gerust zeggen, ik ben tevreden over mijn leven. Zonneschijn en regen wisselden elkander altijd af, maar ik ben voor beiden dankbaar geweest; toujours, toujours!"
Isabelle had de lamp intusschen aangestoken en het zachte licht bescheen nu in vollen glans twee schoone vrouwengestalten; de eene aan de poorten van het graf reeds, de andere nog juist aan den ingang van de jeugd, den uitersten grens der kinderjaren.
De douairière in haar donker kleed, met het blanke, regelmatige gelaat, waarop men eer diepe lijnen dan rimpels kon tellen; droeg als een natuurlijke kroon hare sneeuwwitte maar toch nog glanzende lokken onder het fijn kanten mutsje, waarvan de lange banden met een zekere coquetterie op haar borst waren vastgestrikt.
Freule lsabelle geleek op haar grootmama; ten minste

[3:]

haar volle bloeiende wangen zouden jaren geleden, ook die der oude dame geweest zijn, maar de snede van den neus, de natuurlijke welving van haar voorhoofd boven de eenigszins diep liggende oogen; die oogen zelf met hun lichtblauwe appels, de wijze, waarop het rijke blonde haar geplooid was, vooral zekere uitdrukking om den mond, die als zij lachte schalkschen levenslust doch als ze peinzend zag, trotschheid verried, dat alles waren zoovele familietrekken, die Isabelle op een jonger portret van hare grootmama deden gelijken.
Met welgevallen zag de douairière haar kleindochter aan.
"Zij heeft de echte beauté de race; geen éphemére frischheid, die de proef der jaren niet doorstaan kan, en alleen van de fijnheid van den teint afhangt, maar iets dat haar over jaren en jaren, als ze reeds bonne mama is nog een knappe vrouw zal doen zijn," mompelde de oude dame zacht voor zich uit.
"Zei u iets, grootma?"
"Non chérie, du tout! Laat eens zien petite, je houdt je schouder wat te hoog en je hoofd iets voorover. Zoo, zoo is 't beter, mijn gouvernante madame de Beaulieu waarschuwde me altijd, ik had datzelfde travers, en dan zei ze..."
Jammer dat het binnentreden van de meid met het benoodigde voor de thee, mevrouw de Marcy Granville belette te vertellen, hoe madame de Beaulieu haar had gewaarschuwd.
"Zou de notaris niet komen, Isa?"
"'t Is zulk een slecht weer grootma; zullen we samen een partijtje schaak spelen?"
"Maar petite, ik wil 't niet weten, dat je schaken kunt; dat is geen spel voor een meisje van je leeftijd. Monsieur de la Ferrière-Grantille, mijn welbeminde vader, was altijd van oordeel dat een meisje voor haar huwelijk aan geen spel deel mocht nemen."
"Een hazardspel misschien maar de edele schaakkunst, zie grootma, ik heb 't alleen geleerd om u; waarmee

[4:]

kunnen we ons bezighouden gedurenden de lange winteravonden? Die goede mijnheer Barends kon eens verhinderd zijn."
"Weet je wat, cher ange, haal eens den Almanak de Jotha uit dat kastje; daarin is ook een Nobiliaire des llustres maisons de France. je weet dat we nog gepareneerd zijn met de Montmorency's en de Noailles; je moet me eens alles voorlezen, wat op die familie betrekking heeft."
"Ja grootma, maar dat is zoo spoedig gedaan."
"Dan slaan we de dictionnaire der heraldiek eens op. Weet je het ontstaan der adelaars op het wapen den Montmorency? Daarvan komen nog de twee aiglons in het mijne."
"Ik wilde dat we in Frankrijk gebleven waren bonne maman, daar beteekende onze adel nog iets, maar hier..."
"Adel wordt overal gerespecteerd Isa, ware deze toont zichzelf te respecteeren. Ach, de mésalliances c'est le fléau de la noblesse, en helaas! Ook onze familie is er door aangetast. Had mijn overgrootvader niet de zeer rijke maar burgerlijke Marthe Drécourt gehuwd dan zou le Vicomte de la Ferrière nimmer de hand van zijn dochter hebben gevraagd en je vaders familie zelf kind, leed er ook door."
"Die revolutie, bonne maman, heeft alles vernietigd."
"De revolutie hebben wesans tâche gepasseerd, je grootvader de Marcy, onze oud-oom is geëmigreerd, maar onze familie is trouw op haar post gebleven malgré des persécutions inouies. Maar zal ik u het geheim zeggen van die mésalliances, bonne enfant? Ons blason had verguldsel noodig."
"Beter een onverguld blazoen, dan burgerlijk goud op onze wapens."
"Bien, très bien! Zoo hoor ik 't gaarne! Kom hier dierbaar kind, laat me u omhelzen voor dat fiere woord. Dat moest je op uw wapen voegen. Neen, voor u vrees ik niet, je zult geen burgerlijk bloed mengen in ons nageslacht. Wacht je voor een roturier!"
"Jamals, bonnne maman, jamais!"

[5:]

Zij stond fier voor de douairière, die haar bewonderend aanzag; hare lange gestalte was nu zoo recht als bonne maman het maar verlangen kon en om hare lippen lag de eigenaardige trek, die den meer dan gewonen trots van haar geslacht verried.
"Ik heb me niet vergist," hernam de oude dame aangedaan, "de roem van ons geslacht, quoique tombé en quenouille, eindigt nog niet."
"Ja grootma, ik neem uwe ideeën aan en dat bevalt papa maar half."
"Mon cher Gaston, zie, hij heeft geheel en al de levenswijze en manieren van een noble de l'ancien régime, maar de denkbeelden helaas niet!"
"Papa ziet ook bij 't bewonderen van een wapen het eerst naar 't verguldsel."
Er werd gebeld.
"Toch de notaris, dat zou te vriendelijk zijn."
Een oogenblik later werd er aan de deur getikt en een klein, vrij bejaard heer trad binnen.
De douairière begroette hem met een beminnelijken lach en stak hem als bewijs van vriendelijke familiariteit de linkerhand toe.
Isabelle schikte nog een kopje bij en sprak vroolijk:
"Ik bewonder uw moed, mijnheer Barends."
"Och dames, ik moet beginnen met mijn excuse te maken; 't is wat laat geworden, maar ik werd opgehouden. Leelijk weertje mevrouw."
"Déstestable."
"Hier heeft u een kopje thee, dat zal u goed doen."
"Dank u, freule, wel verplicht! Is mijnheer de Marcy niet t'huis?"
"O papa is sedert gisteren naar Paalbosch vertrokken, naar een drijfjacht daar georganiseerd en we verwachten papa niet voor overmorgen t'huis."
"Dat spijt me, dat spijt me!"
"Moest u mijn zoon dan spreken, meneer Barènze?"
"Ja mevrouw, zeer dringend zelfs."
"Zoo," en hare nog altijd flikkerende oogen schenen

[6:]

den notaris tot in de ziel te willen lezen, "c'est extraordinaire."
"Dat is 't ook mevrouw, maar 'k moet wachten."
"Isabelle, ma chère, mon flacon!"
"O mevrouw, u behoeft de freule niet weg te zenden. Ik kan u de reden van mijn bezoek of liever van 't bezoek, dat ik aan mijnheer de Marcy wilde brengen, gerust zeggen, al is freule Isabelle er bij."
"U weet, de zaken van mijn zoon zijn ook de mijne, dus het komt op 't zelfde neer of u met mij of wel met den vicomte er over spreekt."
De notaris boog terwijl hij zijn zakdoek uithaalde en geheel verdiept scheen in de daarop volgende bezigheid; zoo was 't dus onmogelijk voor de dames op te merken dat een fijn spotachtig lachje onwillekeurig zijn lippen vertrok.
"Welnu dan, mijnheer de Marcy had mij opgedragen om als er eens iemand kwam, die ernstig zin had in 't Huis Dorenzathe... hem te... waarschuwen."
De kleine handen der douairière sloegen krampachtig in elkander; de strepen op haar gelaat teekenden zich dieper en duidelijker en een mengsel van toorn en afschuw sprak uit hare oogen terwijl ze stotterend uitriep:
"Do.. ren.. za.. the verkoo.. pen - C'est affreux, c'est impossible."
"O foei, pápa, neen dat had ik niet gedacht," was tegelijk Isabelle's uitroep.
De frissche kleur van haar wangen was verdwenen en de hand, waarmede zij den bouilloire vasthield, trilde zichtbaar.
"Maar lieve dames, wat doe ik u schrikken! Ik dacht dat u er van wist, o wat spijt het me nu, u dit gezegd te hebben en mijnheer de Marcy .De vicomte heeft er me niet van gesproken; maar ik ben blij, dat ik het weet, mijnheer Barènze, très contente."
Zij leunde achterover en zweeg een geruimen tijd; de

[7:]

notaris speelde met zijn lepeltje in het kopje en freule lsabelle staarde nadenkend naar de figuren op het marmeren komfoortje.
De stilte begon pijnlijk te worden, totdat de douairière eindelgk langzaam vroeg:
"En wie heeft nu zijn wenschen gevestigd op ons huis?"
"De persoon, wie het eigenlijk aangaat; is niet hier, maar toch weet ik genoeg om voorloopig over die zaak te spreken."
"Mag ik zijn naam niet weten?"
"Toch mevrouw, zeker wel! 't Is die broer van Brons, u weet het misschien niet meer, die naar Java gegaan."
"Je sais, je sais, die ondeugende jongen, die eens mijn Alfred zoo geslagen heeft, de broer van Brons den timmerman en van vrouw Piering de fruitverkoopster. Zoo heeft die lust in ons Dorenzathe?"
Haar stem klonk snijdend koud en ironisch; Isabelle daarentegen hield met een pijnlijke uitdrukking hare oogen op den notaris gevestigd,
"Ja," vervolgende Barends, hoe langer hoe verlegener met zijne positie, "Dorus Brons is 't zeer goed gegaan in de Oost; hij moet meer dan millionair wezen en heeft zijn zaken aan kant gedaan, komt met de eerste mail hier aan en wil zich vestigen in Groothuizen."
"Wel zeker, daar heeft hij gelijk aan. Millioenen zijn hier hoog in aanzien gelijk overal, wèlzeker, rien de mieux."
"Is dat de vader van den jongen, die vroeger bij Brons in den kost was en te Groothuizen school ging?"
"Juist freule, dezelfde."
"Van waar kent u dien gamin, Isa?"
"Hij kwam soms met zijn oom mee als deze hier op het kasteel wat te werken had. Maar hij zag er niet erg millionnairachtig uit, een ondeugende jongen. Ik heb hem ook een paar keer ontmoet op een kindervisite bij den burgemeester."
"Zoo, kwam de jongen daar op visite? Ah, dat wist ik niet!"
"Hij is de eenige zoon van Brons, die een jaar of vier

[8:]

geleden weduwnaar is geworden. De jongen was erg wild en lastig; Teunis Brons heeft me dikwijls zijn nood over hem geklaagd, maar hij leerde goed en nu heeft hij zijn examen gedaan als mijn-ingenieur, Zulke woeste knapen worden dikwijls de flinkste mannen."
"Ten minste bij de boorgeoisie."
"O, ik weet het nog alsof 't gisteren was," ging Isabelle voort, "dat het oostersche jongetje (maar hij was toch meer verbrand dan zwart), op een laag bankje bij het kraampje van zijn tante zat met een boek op schoot, maar als zij toevallig omkeek, dan haalde hij vlug een appel of een peer weg. Wij konden dat zoo goed zien bonne maman, bij de Veenenburghs, waar ik dikwijls bij freule Clarice kwam. En die menschen zouden ons lief Dorenzathe willen koopen."
"Oh mon fils, mon fils!" klaagde weemoedig de douairière.
"Mijnheer zal er wel goede redenen voor hebben mevrouw en in elk geval, zou 't me aangenaam wezen als u mij er buiten liet."
"Het schaakbord, Isa, en van avond geen woord meer over deze zaak, Barênze, ik ben op Dorenzathe gekomen als eene de Marcy, en zoo de goede God mij niet daarvan jaagt dan zal slechts mijn lijkbaar het verlaten."
"Bravo, bonne maman! De hemel geve dat dit ons leven nog jaren en jaren moge voortduren,"


inhoud | volgende pagina