Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
[24:]
HOOFDSTUK V.
Reeds den volgenden dag liet Brons zich door den notaris in de societeit introduceeren; hij bleef zijn eens voorgenomen houding bewaren; teruggetrokken, niemand het eerst aanspreken de, en als iemand zich met hem inliet, vol van zekere nederhuigende stijfheid, die eerst na verscheidene gesprekken op hartelijkheid begon te lijken. Door deze houding won Brons, die wanneer hij zich indringend of pochend gedragen had, den afkeer zijner vroegere meerderen zou hebben opgewekt, de sympathie van menigeen. Men zocht hem nu van alle kanten op, en ofschoon uit den aard der zaak, hij in dit gezelschap geene eigenlijke speelkameraden van vroeger aantrof, zoo waren er velen onder, die zich beijverden hem te bewijzen dat er vroeger wel degelijk tusschen hen betrekkingen hadden bestaan. Brons was er van overtuigd niet trotsch te zijn; hij schaamde zich niet over zijn familie, hij kwam in deze societeit omdat zij de eenige uitspanningsplaats van het stadje was, maar zich opdringen aan die groote lui, wilde hij niet. Hij gaf immers niets om al die trotsche hanzen en ondertusschen, terwijl hij schijnbaar verdiept in een courant zich geheel onverschillig toonde voor alles, wat rondom hem geheurde, zwol zijn hart van hoogmoedig geluk en gestreelde ijdelheid bij de gedachte, hoe hij op dit oogenblik het onderwerp was van ieders aandacht en, zooals hij vast overtuigd was, van ieders nijd. Jaren en jaren lang had het genot van dit oogenblik behoord tot zijn liefste illusiën; rijk en onafhankelijk zou hij de stadgenooten eens te toonen, wat hij geworden was en hoe hij geen van allen noodig had tot vermeerdering van zijn geluk, dit was altijd het doel geweest; waarnaar hij met alle krachten streefde.
[25:]
Sedert eenige oogenblikken wist Brons dat Gaston de Marcy in de zaal was; hij herkende zijn gemaakte, eenigszins schelle stem, alsof deze gisteren nog hem uitgescholden had met allerlei vrij onadellijke scheldnamen. De vicomte, wiens blikken bijna onophoudelijk naar den Indisch-gast afdwaalden, voerde met zijn gewone losheid van manieren en spreken een luid gesprek over de jacht. Eenige heeren kwamen bij :Brons een praatje maken, en een ander liet zich aan hem voorstellen en zoo was spoedig het tafeltje waaraan deze zat het middelpunt der conversatie geworden. De Marcy voelde zich verlaten; hij nam een courant op; ging bij 't raam zitten, maakte gekheid met een ouden heer, die wat doof bleek te zijn; in een woord hij trachtte zooveel mogelijk te toonen, dat hij geheel vergeten had dat er een Brons ergens op de wereld bestond. De andere echter volgde elk zijner bewegingen. Barends had hem reeds in 't geheim verteld hoe diep de Marcy's in de schulden staken en hoe de graaf er zelfs aan dacht zijn kasteel te verkoopen. De gedachte Dorenzathe het zijne te kunnen noemen, verblindde voor een oogenblik den helderen geest van den landheer; aan zoo iets had hij zelfs in zijn stoutste droom en niet durven denken. "Later, later!" was alles, wat hij den notaris voor het oogenblik antwoordde. De vrees, dat Brons reeds iets van zijn plannen voor de toekomst wist, bracht den armen vicomte nog meer van zijn stuk. Zijn toestand werd onhoudbaar. "Sprak de kerel mij toch aan!" dacht hij, "ik zou hem niet onvriendelijk behandelen; wat hij aan Alfred misdeed heeft hij reeds lang goed gemaakt door zijn gedrag jegens den armen duivel, maar ik kan toch niet een gesprek beginnen tegen mijn ex-knecht?" "De Marcy," riep eensklaps de kantonrechter, die zich ook sinds lang in stilte vermaakte met de houding van den graaf, "kunt u ons ook zeggen of er kans bestaat, dat ze van hier uit een spoor aanleggen naar Utrecht?"
[26:]
De Marcy deed eenige stappen nader met zijn courant in de hand en zich rechtstreeks tot den rechter wendende: "Ik heb er onlangs baron van Velden over hooren sprèken, maar het ware weet ik er niet van." "Het zou toch wel dienen, dunkt me," viel Brons ook tegen den rechter in, "wanneer ze...." en nu ontwikkelde zich een gesprek tusschen de heeren over spoorwegaansluitingen en concessiën; waarbij geen van allen aan 't eigenlijk onderwerp der conversatie dacht maar allen bezig gehouden werden door de verhouding tusschen Brons en de Marcy, die hoe langer hoe dichter bij de tafel schoof totdat deze eindelijk volgens een hem eigene gewoonte, welke hij zelf zeer los en bevallig vond, er half bovenop zat. Natuurlijk gebeurde het in 't vuur der rede, dat beiden nu en dan het woord tot elkander richtten en toen eindelijk de drukte van de redeneering begon af te nemen, bemerkten beiden dat met uitzondering van twee of drie onbeduidende vreemde heeren, die van hunne verhouding niets af wisten, zij zoo goed als alleen tegenover mekaar stonden. De Marcy voelde, dat alleen een losse, vrije houding tegenover Brons hem in diens oogen en die van anderen voor belachelijkheid behoedde. Een waardige zijn adel passende houding, begreep de vicomte zeer goed, paste hem in het geheel niet en zou nog meer ieders lachlust opwekken. Een familiairen toon tegenover Brons aanslaan had hij verkozen, maar deze toonde genoeg dat hem dit niet aangenaam was en hij er niet tegen op zou zien met een scherp woord den adelijken heer op zijn plaats te zetten. "Denkt U voor goed hier te blijven?" (meneer Brons kon nog niet over zijn lippen komen) zoo begon de Marcy toen hij voelde dat aan het wederzijdsche zwijgsysteem een einde moest komen. "Ja mijnheer de Marcy, ik heb mijn landen verhuurd en ga nu op mijn lauweren rusten." "Maar hoe komt u er toe een plaats als Groothuizen
[27:]
uit te kiezen om daar te rentenieren? Men leeft hier niet, men vegeteert." "Wat zal ik u zeggen? Ik heb altijd veel betrekking gehad op mijn geboorteplaats en mijn familie woont hier." Zich beroemen op zulke familie, als men heer geworden is en als heer beschouwd wil worden; de vicomte had groote moeite een spotlach te weerhouden. "Maar tocn, me dunkt als u uw hart eens opgehaald hebt aan de schoonheden van uw geboortestad en aan uw familie, dat dan de lust wel bij u zal opkomen om in een stad als den Haag of Brussel te genieten van uw geld, vooral omdat u vrouw noch kinderen heeft." "Ik heb een zoon." "Ja, die op zijn eigen beenen kan staan, en die ook ongetwijfeld liever in een groote stad zal willen wonen." "Wat mijn zoon verkiest te doen staat hem vrij, maar ik geef niets om de genoegens van een groote plaats. Mijn liefste illusie is hierin de buurt een goed te koopen, en mij te wijden aan den landbouw. Ik heb mijn leven geheel onder boomen en in de velden doorgebracht en kan nog geen afstand doen van mijn liefhebberijen." De vicomte werd hoe langer hoe onrustiger; hij wijdde even al zijn aandacht aan de punten zijner nagels om toen ijlings op zijn horloge te zien en na een vluchtigen groet zich uit dien benauwden hoek te verwijderen. Brons nam zijn courant weer op en veinsde niet meer belang aan 's graven toenadering te hechten; dan wanneer deze de minste kantoorklerk geweest ware. Toen de graaf na een fiksche hagelbui te hebben doorstaan weer in Dorenzathe aangekomen was, begaf hij zich dadelijk naar den kleinen salon, waar 's winters ook het middagmaal gebruikt werd. Buiten zag 't er besneeuwd, guur en akelig uit, maar binnen scheen alles even gezellig en lachend. Het porceleinen kacheltje, de helder wit gedekte, ovale tafel, waarop, eenig smaakvol zilverwerk blonk, het mollige tapijt, de donkere gordijnen, die nu reeds neerhingen, omdat de lamp sedert eenige oogenblikken was op
[28:]
gestoken, de hooge leunstoel, waarin mevrouw de douairière recht op haar gemak gezeten was, en vooral de vlugge, zonnige gestalte der jonge freule, die tusschen al die meubels en meubeltjes heenzweefde, zonder iets onnoodig aan te raken, dit alles bood zulk een aantrekkelijk gezicht aan, dat de Marcy onwillekeurig dacht: "'t Zou toch zonde en jammer wezen, die twee te berooven van een omgeving, waarmede zij als 't ware samengegroeid zijn!" "Ah, mon fils! wat zijt ge vroeg van daag?" "Vroeg, mama, en 't licht is al opgestoken!" "Bonne maman vindt het zoo gezellig niet het licht te eten en daarenboven nu merkt men niets van het weer: hoe minder men er iets van ziet, hoe beter." "'t Is een ellendig land," en de Marcy wierp zich op de sofa in zijn volle lengte neer, "ellendig zeg ik, zeer ellendig." "Wat moet ik er dan van zeggen, Gaston, ik die gedurende den langen winter geen voet buiten mag zetten en altijd veroordeeld ben naar die sneeuw te kijken?" "Ja, u heeft al zooveel voetstappen daarbuiten staan, maar ik, arme duivel!" "Gij kunt ze daar ook bijvoegen als ge wilt. Me dunkt, ge hebt tijd genoeg om te wandelen in Gods vrije natuur." "Was die natuur maar wat minder vrij en den Haag hier wat dichter bij dan Groothuizen. Ik begrijp dien Brons niet. Daarvoor moet men een parvenu wezen, een van niets tot iets gekpmene, om zulk een plaats te kiezen, terwijl men in heel Europa steden te kust en te keur heeft." "Het pleit zeer tot zijn avantage, dat hij zich niet schaamt over zijn familie." "Hij loopt er mee te koop om ons allen een des te gevoeliger slag in 't gezicht te geven." "Heeft u hem gesproken, vader?" "Hem spreken, wat verbeeldt ge je; hem spreken, laat hij bij mij komen als hij er behoefte aan heeft mij
[29:]
te spreken over oude herinneringen, zeker. Ik zal hem eens vragen of hij eens, zien wil, hoeveel mijn voeten in dien tijd gegroeid zijn." "Maar u dient hem toch wel te bedanken voor zijn zorg, toen oom Alfred..." "Chère petite, bel eens even; ik begrijp niet waar de bouillon blijft." "Die zaak is al afgedaan, niet waar mama, daarvoor behoef ik hem toch niet meer te bedanken? Weet u wel dat u indertijd hem een heel mooien brief daarover geschreven heeft?" "Sans doute, sans doute! Waar is mijn flacon, chère? Zou Mina niet weten dat papa thuis is!" De soep werd binnengebracht en op tafel gezet; Isabella schoof de fauteuil bij, haar vader stond op en plaatste zich tusschen de beide dames aan den disch, "Is die zoon van hem al thuis?" vroeg Isabella, zonder erg de soep opscheppend. "Interesseert je dat zoo?" vroeg de Marcy een weinig sarrend; hij wilde een kleine wraak nemen op de onbescheidene vraag, waardoor zijn dochter hem straks in verlegenheid had gebracht. "Interesseeren, wel neen! Maar ik zou toch graag eens willen weten hoe die veranderd was." "Zoo, zoo, hoort u, grootmama, hoe Belle naar jongelui informeert? Nu 't was alles behalve kwaad, hoor, wanneer jij je adel en hij zijn duiten met jou wilde ruilen." Grootmama zag verwijtend en verontwaardigd haar zoon aan en Isabelle bloosde als een meiroos; zij ook begreep niet hoe papa zulke ongepaste dingen kon zeggen. "We:hebben nog niet gebeden," sprak de douairière ernstig en zelfs streng en den geheelen avond was er op Dorenzathe geen spraak meer van den Oosterschen landheer.
inhoud | vorige pagina | volgende pagina