doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


HOOFDSTUK IV.

De familie Brons en Piering waren druk in de weer.
Van daag zou immers de rijke broer "uit de Oost" komen en voor deze gewichtige gebeurtenis moesten de laatste voorbereidselen getroffen worden.
In het voormalige Burgemeestershuis ging Brons de timmerman voor den laatsten keer rond, om eens te zien of alles op zijn plaats stond en of de vuurroode gordijnen geen onaangename tegenstelling vormden met de grasgroene zittingen der canapés en stoelen.
Zijn zuster, vrouw Piering, in haar beste zondagsche japon, zette op de marmeren tafel in den salon een soort van voorloopig maal gereed: boterhammen, vleesch in vijf verschillende gedaanten, vruchten, gebak enz. waarnaar haar vier jongens reeds begeerige blikken wierpen.
Antje Brons, oudste dochter van haar broer, stond voor

[19:]

een der spiegels haar nieuw hoedje recht te schikken, terwijl haar tante nu eens harder dan weer zachter pruttelde over de ijdelheid van het jonge volk, dat nooit moe werd zich zelf te bekijken en geen hand uitstak om eene oude vrouw als zij te helpen.
Oom Dorus had geld vooruit gestuurd en verder alle vrijheid geegeven om zijn huis deftig te meubelen, zoodat hij onmiddellijk in zijn eigen woning zijn intrek kon nemen. Natuurlijk hadden broer en zuster hun uiterste best gedaan om die opdracht te vervullen en dit had wel eenigen naijver tusschen hen opgewekt.
Brons kon niet verdragen dat Keetje zich daarmee bemoeide, dit waren immers geen vrouwen zaken, zij beweerde juist het tegendeel en wreekte zich nu op hem door geheel alleen de zorg te dragen voor het waarlijk vorstelijke feestmaal.
Het was. ook iets buitengewoon streelends voor vrouw Piering, die anders niet verder kwam dan de gang of het voorhuis der deftige woningen, waar zij haar fruit kwam verkoopen, om nu zelf in het mooiste huis der stad haar bevelen te kunnen geven, een taak, die haar als geheel toekwam, want vrouw Brons haar schoonzuster was zwak en ziekelijk en lag op een der sofa's zeer gemakkelijk uitgestrekt. het oogenblik af te wachten, waarop haar zwager zijn plechtige intrede zou doen.
De jongens van vrouw Piering, die soms een gebakje of pasteitje van de tafel afsnoepten, zaten in hun mooie kleeren stijf en onbeholpen op den rand der fraaie stoelen, blijkbaar nog niet op hun gemak in de pracht, die henomringde; de jeugdige Bronzen gaven zich eer het aanzien hier te huis te zijn, zij liepen kamer in kamer uit, maakten hun neven opmerkzaam, nu eens op ditm dan weer op dat moois, totdat hun vader hun toeriep:
"Kom jongens, 't is tijd naar het station te gaan!"
Vrouw Piering sloeg ijlings haar grooten rood en groen ruiten doek om, zette haar fonkelnieuwen hoed met helder blauwe linten op, de jongens namen de petten ter hand, Antje en Daatje gaven een laatsten streek aan hun

[20:]

dasjes en het gezelschap verliet statig de woning, in het volle bewustzijn van den belangrijken plicht, dien zij vervulden.
Overal waar zij langs gingen werd eventjes door de ramen gegluurd, hier en daar kwam een buurman, die sedert maanden over dezen gewichtigen dag had hooren spreken, even aan de deur een groetje van hen opvangen of wel wisselde met zijn buurman de een of andere min of meer welwillende opmerking.
"Hoe die Dorus er uit mag zien; 't was een leelijke jongen voor hij weg ging.'
"Ik zeg maar dat de Bronzen gelukkig zijn; eerst dat hooge kostgeld van dien zoon...."
"Dien ze honger lieten lijden, terwijl hun eigen kinderen er dik van werden."
"Wat was dat kereltje altijd sjofel gekleed."
"En het lint van vrouw Brons haar muts werd met het jaar breeder."
"Zal hij nu meekomen?"
"Neen, hij moet in het buitenland nog eenige examens doen. Hij is in de laatste jaren niet hier geweest."
"Geen wonder, toen hij zijn verstand begon te krijgen zal hij er den brui aan gegeven hebben bij zulke menschen als de Bronzen en moeder Piering zijn vacantie door te brengen."
"Ik zeg maar dat het Dorus mooi gegaan is, weg te gaan als een kwajongen, die gezeten heeft, en terug te keeren als een rijke mijnheer."
"Hij schijnt geen grootheid aan 't hoofd te hebben, dat hij zich hier komt vestigen."
Ondertusschen was de familie aan het station gekomen, waar zij nog wel een half uur te wachten hadden en dat zij benutten met op 't perron in twee of drie groepen op en neer te gaan, soms zich verwaardigen de dezen of genen der beambten even aan te spreken.
Al de glans die van de guldens van den rijken oom uitging, straalde op hen af.
Daar werd het sein gegeven voor den naderenden trein.

[21:]

Vrouw Piering haalde haar witten zakdoek voor den dag, begon bij voorbaat aan oogen en neus te wrijven; riep hare jongens bijeen, want. ze was voor niets banger dan dat Dorus die bleekneuzen van Teun voor haar kinderen zou aanzien. Antje en Daatje knepen elkander in den arm en giechelden tegen elkaar, wat hen een berispenden blik uit tante's roode oogen deed oploopen.
Brons liep als onverschillig heen en weer en maakte tegen den station chef de opmerking dat het weer zich bijzonder goed hield.
Eindelijk kwam snorrend en zuchtend de trein aan.
Reeds uit de verte zagen zij een heer met grijzen hoed, waarom een groene shawl geslingerd was, zich uit het portier buigen.
Vrouw Piering begon hoorbaar te snikken en haar broer bleef eindelijk staan; een oogenblik later voelde de aangekomene zich door de armen zijner vrij zwaarlijvige zuster omstrengeld, terwijl zijn broer in stomme aandoening zijn eene hand omklemd hield en de neven en nichten op eerbiedigen afstand het juiste tijdstip afwachtten, waarop hun beurt zou komen.
"Zoo Teun, zoo Kee! Hoe gaat het? Jongens, Kee, je bent er niet magerder op geworden, evenmin als ik. En zijn dat je kinderen? Dag jongens! Ha, een paar aardige meisjes, komt hier, geeft oom nu maar gauw een zoen. Dit ding was er ook niet toen ik wegging," en hij zag rond naar 't station.
"Zal ik voor uw bagage zorgen?" vroeg Teun, nadat de eerste begroeting voorbij was.
"Als 't je belieft, daar hebt je het bewijs, of hoe noemen ze zoo'n ding ook?"
"De vigelante staat klaar, broer," begon vrouw Piering, hare laatste tranen afdrogende.
"Wat vigelante? Noem je zoo'n palankijn een vigelante? Dank je wel! Nooit van die dingen gehouden. Ga jij er in zitten met de nichtjes, ik loop naar huis."
Juist kwam de vicomte de Marcy met zijn dochter, die een gast weggebracht hadden, langs de familie.

[22:]

De graaf wierp een nieuwsgierigen blik op zijn ouden schoenpoetser en herkende dadelijk dat eenigszins pokdalige, breede gezicht, waarnaar hij eens zijn laarzentrekker had geworpen, maar de magere, hoekige jongengestalte was forsch en breed geworden; de gelaatskleur verbrand en de haren vergrijsd, maar toch 't was en bleef Dorus.
Isabelle verwaardigde zich niet een blik op de groep te werpen en zweefde elegant en sierlijk de wachtkamer in.
Toen ze verdwenen waren, keerde Dorus Brons zich juist om.
"Was dat Gaston de Marcy."
"Juist."
"Zoo? En dat zijn vrouw?"
"Neen, zijn dochter."
"Ha zoo! Hoe jammer dat ik mijn Alfred niet bij me heb."
"Hé ja, 't speet ons ook zoodanig."
"'t Kon niet anders. Zeg Teun is de boel bezorgd."
"Om u te dienen, Do... broeder."
"Nu, ik ben er op gesteld te voet de stad in te gaan, ga jij maar in den bak zitten Kee, met de meisjes, dan kunnen de jongens loopen."
Maar de jongens hadden zich reeds alle mogelijke pret voorgesteld van het rijden en trokken een zuur gezicht en zoo werd er dan in der minne geschikt, dat moeder Piering met haar broers en twee der grootste jongens zouden loopen, terwijl het overige gezelschap in 't rijtuig gepakt werd.
De stoet aanmerkelijk gedund zette zich thans ten tweeden male in beweging en Dorus Brons gaf zich geheel over aan het oproepen van oude herinneringen.
Nauwelijks was hij de voornaamste straat van het stadje ingekomen, of elk huis, elke gevel sprak hem van het verleden, maar daar was iets weggebroken, daar stond vroeger de pomp, zijn lievelingsplekje.
Waarom had men dat veranderd? Wist men dan niet dat eens Dorus Brons als rijk man uit de Oost zou

[23:]

terugkomen, en er op gesteld was alles in zijn geboorteplaats onveranderd te vinden?
Daar stond de gevangenis.
Vrouw Piering, die zich er op beroemde een fijn gevoel te hebben, sloeg voor, een zijstraatje in te slaan.
"Neen," zei haar broer, "ik ken den weg wel. We gaan over de markt."
En voor de gevangenis gekomen bleef hij staan.
"Hé, die hebben ze niet veranderd: Ja, de ken ik nog goed, ik moet mijn celletje nog eens terugvinden. Als ik daar niet in gezeten had zou ik nooit de man zijn geworden, die ik ben."
Mevrouw de Marcy over hare voorouders Montmorency en Noailles sprekende, kon geen trotscher zelfbewustzijn uitdrukken, dan opgesloten lag in dat "ik ben".
Ondertusschen doorstond moeder Piering een zware beproeving, te midden van haar neven en nichten, die beladen waren met de parapluies en valiezen van oom; ze wist dat van alle kanten door alle ramen en raampjes nieuwsgierige oogen gluurden, naar den nieuw aangekomene, die daar stilstond voor de gevangenis. Zelfs broer Teunis werd onrustig.
"Zullen we niet verder gaan, Dorus!"
"Ja, dadelijk! wat dat ding me herinneringen geeft! In elk geval, die arme drommel van een de Marcy ligt daar begraven - een gewoon soldaat en ik, zijn schoenpoetser, lach ze allen uit. Ben je er verlegen over, Kee? Nou, ik zou 't maar niet zijn, je ziet ik ben niets trotsch geworden, alles behalve. Ik heb 't niet vergeten, dat ik de schoenpoetser ben geweest van graaf de Marcy. Ha, ha!"
Eindelijk stonden zij voor de nieuw ingerichte woning, die; op de markt uitzicht gaf. Dorus ging de hooge stoep op, bleef even op het hek van de balustrade leunen met een gelaat alsof hij bezit nam van 't huis, de markt en de stad en overschreed met het hoofd trotsch in den nek geworpen den drempel van zijn nieuwe woning.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina