doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


HOOFDSTUK III.

Voor de deur van het zoogenaamd kasteel (dat er eigenlijk niets anders van had dan den naam en twee klokketorentjes) stond freule Isabelle op het grasperk.
't Was geen mooie herfstdag, maar het regende ten minste niet en de wind had zich gelegd.
De freule was bezig haar duifjes te voeren en toen zij haar vader zag naderen, riep zij hem toe:
"Heeft bonne maman u duchtig beknord en blijft Dorenzathe ons eigendom?"
"Malle meid," gromde de vicomte, "je maakt elkander nog gek met al dat geblader in adellijke registers en dat bestudeeren van blazoenen. Beter als een burgerjongen zich te amuseeren, dan zich als hertog te vervelen."
"Dat is geen antwoord of liever ja, ik zie 't aan uw knorrigheid, uw plan gaat niet door, 't kasteel blijft van ons."
"Van ons? Wat is er nog van ons; de punt van den windwijzer is niet meer van ons." Dit hoorde lsabelle echter niet; "kom hier, sta niet zoo op 't natte gras en zeg me eens of je niet liever in den Haag bals, concerten en opera's zoudt willen bijwonen, dan hier naar

[15:]

't schaken van grootmama te kijken, eindelooze sonates te spelen en anti-macassars te haken."
"En Dorenzathe opgeven? Neen, papa, nooit! Ik mag mij immers altijd de Marcy van Dorenzathe noemen, niet waar?"
"Vindt je dat zoo prettig?"
"Ja zoolang ik dit kasteel nog bezit; mijn naam verliezen zou ik niet willen, daarom alleen zou ik ongetrouwd blijven."
"Nu daarin is te voorzien; al trouwdet je ook den zoon van vrouw Piering, dan behoefdet je nog geen juffrouw Piering te wezen."
"Vrouw Piering, vrouw Piering, weet u wel dat de Notaris van haar broer..."
"Nu ja, begin bonne maman's straf preek maar niet weer opnieuw. Veel pleizier met je adellijke prullen!"
En hij ging de poort uit onzeker of hij het veld zou ingaan of wel den weg kiezen naar de stad, die vijf minuten verder lag.
Hij deed het laatste en belde aan het nette huis van den notaris.
"Meneer Barends op zijn kantoor?" vroeg hij de meid.
"Om u te dienen, mijnheer."
"Verzoek hem even bij mij in zijn voorkamer te komen" en zelf ging hij in dit vertrek, dat hij zeer goed scheen te kennen.
De notaris verscheen een poosje later.
"Ha; meneer de Marcy! Zeer vereerd; weer aan het jagen? Een goeden dag gehad in Paalbosch, ik hoor dat ze enorm veel hazen hebben gesehoten."
"Dat gaat nog al, maar Barends ik verzoek je een volgenden keer geen misbruik te maken van mijn afwezigheid, om onrust, tweedracht, oproer, ik weet niet wat al meer in mijn huis te zaaien."
"Onrust, stoken, ik? Kom meneer de Marcy, dat is gekheid; bedoelt u misschien de zaak van het huis? Om U de waarheid te zeggen, ik had graag poolshoogte genomen om te weten wat de dames er van dachten, want zonder die twee meende ik..."

[16:]

"Zoo, hebben die in jou oog ook al een stem in het parlement? Me dunkt dat ik als eigenaar van het kasteel en voogd van mijn dochter alleen hier te beschikken heb en daarbij mama heeft er niet het minste vermoeden van, hoe de zaken staan."
"Ja, dat heb ik gemerkt."
"Nu ik kan er niets aan doen. Zooals ik nu leef, zoo leeft er geen tweede van mijn stand. Vroeger ja, toen heb ik zoo al 't een en ander verteerd, maar broer Alfred en vroeger nog mijn hooggeschatte ouders, die verstonden niet minder de kunst om hun geldkist op een smaakvolle wijze te ledigen."
"Het kasteel verlaten of zelfs een duidelijk inzicht van de zaken krijgen zou de dood voor uw mama zijn."
"O ja, zij denkt ook, après nous le déluge. Maar ik moet nu toch ook eens aan mijn eigen lot en dat van mijn dochter gaan denken."
De vicomte zette zulk een gewichtig, angstig gezicht dat de notaris onwillekeurig in een lach schoot. Nu kon de andere zich evenmin langer goed houden.
"Je lacht me uit," hernam hij, het zelf uitschaterend, "wat vindt je voor belachelijks in mijn woorden?"
"Ik kan mij u niet goed als denkende voorstellen, mijnheer de Marcy."
"Ik zelf ook niet, maar wat moet, dat moet ook, Barends; als je nog eens iemand vinden kon, die me afhielp van dat oude kasteel en de hypotheek, mijn adel, mijn naam, mijn wapen die heele rommel kon hij er bij krijgen, als hij mij maar een paar duizend gulden rente verzekerde."
"Het kasteel dat zou nog gaan, maar of ze aan uw naam en wapen zooveel ten koste willen leggen, daar vrees ik voor."
"Die Brons wil zich op Dorenzathe vestigen. Verbeeld je een jongen, die eens blij mocht wezen, dat ik hem als schoenpoetser wilde gebruiken. Hij is 't kort geweest, maar toen ik hem eens mijn laars naar het hoofd geworpen had, liep hij weg en wachtte Alfred en mij

[17:]

's avonds op om de zaak eens heel eventjes onder ons af te rekenen, alsof wij gewone menschenkinderen waren."
"En de vicomte de Marcy zette het toen op een loopen, als ik me niet vergis, en liet zijn broer in den steek."
"Dat wil zeggen, ik wou me niet meten met dien jongen, mijn schoenpoetser," dat werd op een heel anderen toon gezegd dan het te koop aanbieden van zijn adellijken titel.
"Dat gevecht is uw broer blijven heugen.'
"Ja, Alfred werd aan 't hoofd gewond. 't Was zijn eigen, schuld, waarom zich met dien kwajongen in te laten? Hij kreeg zware ijlende koortsen en na dien tijd is zijn verstand (hij had er trouwens niet veel van) noiit meer in orde geweest. Dat verklaart vele van zijn dolle streken en vooral die laatste: als koloniaal dienst nemen en ellendig in een hospitaal te sterven!"
"Zoo ik 't wel heb, is Brons juist om dit ongelukkige geval ook naar de Oost gegaan?"
"Weel zeker! papa heeft het geval aangegeven en daarvoor moest hij een week of wat zitten en na dien tijd hoorde men niets van den jongen, totdat mama eens een brief van hem kreeg, waarin hij vertelde, dat hij mijn broer Alfred in 't hospitaal bezocht en zijn laatste oogenblikken zoo veel mogelijk verzacht had."
"Ja, 't is hem goed gegaan; hij had zijn broer geschreven naar een mooi huis voor hem om te zien en toen deze met mij er over sprak, dacht ik dadelijk aan ons gesprek."
"Wil hij zich hier vestigen?"
"Het schijnt zoo."
"Millionnair zijn en zich hier vestigen, waar hij boodschapslooper, schoenpoetser is geweest, in dit vervelende nest: Wonderlijke smaak! Natuurlijk zullen de affaires van alle, mogelijke Bronzen en Pieringen een einde nemen."
"Wat de verdere plannen van hem zijn weet ik niet, maar in eIk geval, moet ik naar een huis omzien. Het

[18:]

huis van den oud-burgemeester heb ik voorloopig voor u gehuurd en heeft u er dus van afgezien?"
"Afgezien, wel neen; maar die vrouwen zijn door jou zoo opgewonden, dat ik er vooreerst niet mee durf aankomen."
"Zal ik dus hem er over schrijven?"
"Neen wacht er mee, tot hij zelf hier is, maar vooral geen woord aan zijn broer hierover, dan is het ook de stad door en dat wil ik voor geen prijs."
"Daar kan u zeker van zijn, mijnheer de Marcy!"
"Dus dat blijft afgesproken, maar denk er om, ik moet er een goede som er voor hebben."
"Natuurlijk, dat spreekt van zelf."
"Bonjour à revoir."
En een half uur later had Gaston de Marcy in de vervolging van een vlucht patrijzen al zijn huisvaderlijke zorgen vergeten.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina