Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK II.
"Mevrouw de douairière verwacht monsieur le vicomte na het ontbijt in hare kamer," zoo kwam Germain de oude kamerdienaar van mevrouw de Marcy, die vijftig jaren geleden zijne toen nog jeugdige meesteres uit Frankrijk gevolgd was, haar zoon tot een afzonderlijk onderhoud oproepen.
[9:]
De vicomte had juist zijn morgentoilet verwisseld met zijn jachtkostuum: want ofschoon pas gisterenavond van een jachtpartij te huis gekomen, kon hij dezen dag niet laten voorbijgaan zonder zich als naar gewoonte aan zijn lievelingsvermaak over te geven. De boodschap scheen hem onaangenaam te zijn. "Je ziet dat ik op 't punt ben om uit te gaan, Germain," sprak hij gemelijk. "Kan mevrouw niet tot van avond wachten?" "Mevrouw heeft gezegd, onmiddellijk na 't ontbijt." Het ontbijt, dat de vicomte in zijn eigen kamer gebruikte, was al lang verdwenen en Germain scheen dit ook opgemerkt te hebben, want hij bleef in eerbiedige maar toch afwachtende houding bij de deur staan. "Zal ik madame la douairière zeggen, dat monsier le vicomte dadelijk komt?" "Verd... nu maak dat je weg komt en zeg voor mijn part, dat ik eventjes, heel eventjes haar goeden morgen zal wenschen." Germaine boog heel diep, bij deze alles behalve burggrafelijke boodschap en verwijderde zich. De vicomte deed zijn weitasch om, nam zijn geweer en half onverschillig, half gemelijk een deuntje neuriende, ging hij de lange gang door aan welks einde zich de kamer der douairière bevond. Halfweg gekomen, trad hem zijne dochter tegemoet. Isabelle droeg een bouquet herfstbloemen in de hand, en glimlachend wenschte zij haar vader goeden morgen. De vicomte omhelsde haar zeer hartelijk, koos een der bloemen uit haar bouquet en stak die in zijn knoopsgat. "Een gelukkige dag voor mij, Belle, die met bloemen begint..." "En misschien eindigt met dorre blaren. O papaatje, ik benijd u niet." "Waarom? Heeft bonne maman weer een réprimande of zoo iets klaar... of is er een rekening gekomen misschien." "Erger nog! O, u weet niet wat u. wacht. Maar foei, is me dat dan ook een idee."
[10:]
"Wat toch, kind, je spant beiden tegen mij samen, schijnt het. Is dat eerbied voor een vader hebben? "Goedenmorgen papalief, grootmama brandt van verlangen om u een heele boel aardige dingen te zeggen." "Nu ik ga er niet heen; van avond is 't nog tijd. Ik wil mijn dag niet bederven." "Neen, neen, grootma rekent er op. Reeds sinds twee dagen heeft ze haar redeneering klaar." En zij wipte naar een der deuren, maakte die even open en riep luid genoeg dat haar vader het hoorde: "Voici papa!" "Entrez!" Met een zeer lang ontevreden gezicht ging de Vicomte zijn schalksch lachende dochter voorbij en haar met den vinger dreigend mompelde hij: "Ik zal 't je betaald zetten." "Moed papa, moed! O wat een prettig half uurtje wacht u." Hij trad altijd even gemaakt onverschillig de kamer in, zij gleed de gang door. De douarière lag of liever zat nog op in haar bed, dat zij eerst gewoon was tegen den middag te verlaten. Zij was echter reeds gekapt met een fijn kanten mutsje, en een doek van donzige witte wol lag in dichte plooien om haar hals en schouders. Het overschot van haar ontbijt stond op een tafeltje voor haar ledikant, met een godsdienstig boek, waaruit Isabelle haar juist voorgelezen had. Nu hield zij een potlood in de eene en een zakboekje in de andere hand; zij maakte zooals gewoonlijk hare aanteekeningen over 't geen zij gedurende een gedeelte van den nacht overwogen en gedacht had. Bij het binnenkomen van haar zoon legde zij beide voorwerpen echter. neer en wachtte nu met een effen gelaat den vrij vormelijken kus af, waarmede hij haar voorhoofd even aanraakte. "Ik moest u spreken," begon zij in 't fransch. "Ja, dit heeft Germain mij gezegd en Belle herhaald,"
[11:]
antwoordde hij in dezelfde taal en zijn horloge uithalende, "maar ik heb niet veel tijd." "Dat zal wel gaan; de hazen en patrijzen zullen geduld hebben om zich te laten doodschieten tot wij uitgepraat zijn." "Uitgepraat? Dat zou nog wel een paar dagen kosten en een week er bij. Wanneer is een dame ooit uitgepraat?" "Alle ongepaste scherts ter zijde, mon fils, en antwoord mij slechts op deze vraag: waarom wilt ge Dorenzathe verkoopen?" Als door een adder gestoken zag de baron haar aan. "Dorenzathe verkoopen, maar chère mère, hoe komt u aan zoo'n sensatie-bericht. Barends misschien?" "Die naam zegt me genoeg. Dus geen ontkenningen, niet waar, Gaston? Zeg me wat uw plannen zijn." "Mijn plannen? Ik heb geen plannen. Als 't niet was omdat u zoo gehecht was aan dit oude kot, zou ik 't reeds lang verkocht hebben. Voor Belle's toekomst was 't veel beter, dat ik mij in den Haag ging vestigen." "Ik wist niet, Gaston, dat de zoons van den tegenwoordigen tijd rekenden op den dood hunner moeder, om hun plannen vast te stellen." "Dat is te belachelijk, dan dat ik er u op antwoord, maar begrijpt u dan niet, mama, dat een leven zooals ik hier negen maanden van de twaalf leid, verschrikkelijk is voor iemand van mijn beschaving en mijn neigingen? Als de jachttijd open is dan, ja dan leef ik, maar anders wat heb ik hier? Niets, minder dan niets. Een societeit vol burgers en halve boeren, een paar oude vervelende jonkers, een whistpartij met Barends en anders niets, dat kan ik op den duur niet volhouden.' "Ik beklaag er mij niet over, mijn zoon, dat noch uw moeder, noch uw lieve, geestige dochter in uw leven schijnen te rekenen dat weet ik van ouds, maar zie, om in den Haag, Brussel of beter nog Parijs zoo te leven als. gij het verlangt, is wel wat anders noodig dan goede wil, en vrijheid. Hebt ge wel er aan gedacht dat
[12:]
dit geld kost, en ofschoon ik me liefst niet inlaat met geldzaken, zoo meen ik toch te weten dat de financien onzer familie nu juist niet schitterend zijn! Denkt ge wel aan dit punt? Ge weet, ik geef niets om geld, maar toch kan ik niet ontkennen dat men er soms mee rekenen moet." De douairière had zich altijd van jongs af hoog verheven gevoeld boven die kleinigheid, de geldkast, dat ging haar immers niet aan, maar wel haar homme d'affaires; het was zoo vervelend van zulke zaken te hooren en toch in den laatsten tijd was haar zoo 't een en ander ter oore gekomen, dat haar belette zich langer in haar Olympische onverschilligheid te hullen. "Rekenen, wel zeker moet men rekenen, dat behoeft u mij niet te vertellen en juist omdat ik in den laatsten tijd zoo gerekend heb, ben ik op de gedachte gekomen - een losse voorbijgaande gedachte, die ik zoo al pratende Barends heb meegedeeld - of het niet beter was Dorenzathe te verkoopen en van de opbrengst ruim te leven, waar het ons blieft." "Bij mijn leven zal dit niet gebeuren, mijn zoon! Geen steen van Dorenzathe wil ik afstaan, geen steen!" "Dat kan ook moeielijk," en de vicomte lachte schamper, "geen steen van Dorenzathe behoort u meer toe." "Hypotheken, ja ik weet het, welk huis is niet daarmee belast, evenals elk land gedrukt gaat onder staatsschuld; maar verkoopen is heel iets anders." "Nu wanneer u 't wil, dan verkoop ik Dorenzathe niet," en de vicomte stond op, "dan wordt er niets meer van de zaak gesproken. Ik ga voort mijn schulden te vermeerderen en daarbij te leven als een kluizenaar, Belle zal ouder en ouder worden, zonder dat een goede partij ooit komt opdagen." "Isabelle is van mijn oordeel. Beter als freule de Marcy te sterven dan zich met een rijken roturier te mésallieeren." "Wie zal zich willen mésallieeren met de arme Isabelle, die meer schulden dan geld heeft, hoe lief en aardig zij
[13:]
er ook uitziet? Was Dorenzathe goed verkocht, de hypotheek afgelost, de schulden betaald en bleef er dan nog wat over, à la bonne heure. In den Haag zou ze misschien wel een ouden baron kunnen vinden, die haar en zich zelf door een huwelijk gaarne ongelukkig zou willen maken; als dit haar lot is, heeft zij geen reden tot klagen, haar vader immers..." "Spreek geen kwaad van de dooden, Gaston, laat het verledene rusten; Camille was een paar jaar ouder dan jij en had lang niet de Marcy's schoonheid maar een femme comme-il-faut dat was zoo." "O ja, en daarom heeft zij mij eenige jaren lang het leven vergald en haar bruidschat is nu ook weer ingekrompen en weggevloeid, waar alle geld heen stroomt. Een paar jaar ouder! Ze had haast mijn moeder kunnen zijn, maar ze was van ouden adel, dat had ik vergeten." "Brisons là dessus! Dus ge ziet van uw dol plan af?" "Het was nog geen plan. Ik vergeef het Barends nooit dat hij u en Bella daarmee van streek heeft gebracht. De vraag is of er zich een koop er voor deze oude ruïne ooit zal opdoen. "Dien had Barends reeds op 't oog." "En die is p...?" "De broer van onzen timmerman, Doris Brons." "Bronzen Dorus; zoo, die kan 't goed betalen. Maar die is nog niet eens in het land. Weet u wel mama, dat is dezelfde die Alfred te Ambarawa in het hospitaal in der tijd, heeft...." "Ik weet het nog, Gaston! Ik begrijp u van morgen niet, al die nare herinneringen oproepen, waar dient het toe?. "Dan komt het onaangename ten minste niet van een kant. Mag ik heengaan?" "Een oogenblik, zeg aan Barênze dat nu die zaak toch geen verder beloop zal hebben, hij met niemand er over spreekt. De wereld mag niet eens weten dat een de Marcy er aan gedacht heeft zijn stamslot te verkoopen. "Ik zal het hem zeggen," was 't laatste verstrooide
[14:]
woord van den vicomte, klaarblijkelijk meer met de lippen dan met het hart gezegd. Hij boog zeer ceremonieel voor de douairière en verwijderde zich met vlugger schreden dan toen hij binnen gekomen was. Zijn moeder zag hem na. "Een oud kind! Helaas, hoe heel anders was het vroeger; zijn vader zou het nooit gewaagd hebben in jachtkostuum bij mijn levée te komen en hij verontschuldigt zich niet eens daarover, Die jeugd, die jeugd!"
inhoud | vorige pagina | volgende pagina