doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


HOOFDSTUK XVII.

Voor den tweeden keer binnen eene week werd de groote poort van Dorenzathe weder geopend, nu om een

[99:]

lijkbaar in plaats van een bruidsstoet den doortocht te verleenen.
De arme douairière had den verkoop van Dorenzathe, hoewel alles buiten haar om was gegaan, slechts weinige uren overleefd en het was haar bespaard geworden ooit te weten, voor welken prijs Isabelle haar het oude stamslot had willen verzekeren.
Terwijl het stoffelijk overschot weggedragen werd, lag Isabelle uitgeput van alle uitbarstingen harer smart voor het ledige ledekant ter aarde.
Op deze plek had zij in de laatste maanden de oude vrouw met zorgen overladen; hier had zij hare lieve stem gehoord, hier den blik opgevangen uit hare schoone, liefdevolle oogen en nu was alles voorbij, alles, en haar offer vergeefs gebracht!
lsabelle wilde alleen zijn, zij sloot zich op en hier ongezien wierp ze zich op de knieën, het hoofd verborgen in de zijden gordijnen, die zoo vaak het bleeke gelaat der geliefde doode tegen het scherpe licht beschut hadden. Zij weende niet meer, want hare tranen had zij allen vergoten; bidden kon ze evenmin. Het stormde in hare ziel; alle berusting, alle vertrouwen op den Hemelschen Vader, in wien zij steeds haar troost gezocht had, was geweken. Hoe lang zij daar bleef knielen, wist ze niet, er moest veel tijd verloopen zijn, want de treurstoet was wedergekeerd. De vicomte en Alfred Brons hadden den rouw gedragen, de laatste van de vrouw, die hem nooit gezien, niet eens vermoed had welke band hem aan haar hechtte, welke weldaad hij aan de heren bewees.
Isahelle hoorde niet dat men van buiten de deur ontsloot, dat éen záchte tred over de dikke tapijten gleed.
Eerst toen zich een hapd op haar schouder legde en een stem melodieus en vol liefde haar toefluisterde: "Isabelle..." sprong zij heftig op.
"U hier? U! In dit uur! Ga heen, ik wil u niet zien. Ik veracht U! U heeft misbruik gemaakt van mijne kinderliefde, en nu heeft God mij gestraft. Nu is bonne-

[100:]

maman toch dood, zij weigerde mijn offer en ik ken u niet. Wat Dinsdag gebeurd is, was komedie, een lage komedie. Ik heb gelogen! U is niet mijn man!"
"Isabelle, de smart doet u ijlen."
"Neen, ik ijl niet! Ik ben kalm. Wat ik nu zeg, zal ik altijd zeggen, ga heen, raak me niet aan! Noem mij geen Isabelle! Ik ben nog altijd jonkvrouw de Marcy en u is een schoenpoetserszoon, dien ik veracht, diep veracht. De band tusschen ons kan ontbonden worden, want ik werd gedwongen tot die komedie en nu bestaat er geen reden meer ze langer te spelen. Ik ga naar het klooster; daar zal ik veilig zijn voor uw liefde! Ha, liefde, bemint zoo het rijk geworden grauw?"
"Freule, matig u, zulke woorden graven een, afgrond tusschen u en mij!"
"Dat wil ik juist, hoe dieper de afgrond, hoe beter! 't Grauw, ja daaruit komt gij voort; gij lafaard, wiens vader eens de laarzenknecht van den mijne was, gij, wien het bloed van wilden in de aderen vloeit. Wien kan het verwonderen, dat zulk een wezen verraderlijk graven dochters in zijn bezit tracht te lokken. Doch bij den levenden God, ik ben u vreemd; ik heb gelogen toen ik u voor mijn echtgenoot aannam en zal het steeds verklaren voor God en de menschen!"
"Ik begrijp u, freule, geen woord meer, alles is me duidelijk! Mogen uwe woorden U niet berouwen."
"Ik vrees u niet, ik vrees niets meer, nu ik weeze ben; u heeft mij gekocht, wie weet tot welken prijs, maar de koop is verbroken! Vloek over het geld, dat uw vader, God weet waar, heeft opgeraapt; vloek, eeuwige vloek! Neem het terug, neem Dorenzathe, neem alles wat hier is. Arm zal ik nog jonkvrouwe de Marcy blijven, maar ik zou mij zelf verachten zooals ik u veracht, wanneer ik juffrouw Brons heette, de vrouw van een zielkooper!"
"Freule, ik zal uw vader waarschuwen. U heeft den dokter noodig" zeide Alfred en boog. Zijn leden waren echter verstijfd van ingehouden toorft en schrik.

[101:]

Neen, zoo had hij niet vermoed dat die zachte, blauwe oogen konden fonkelen en zulke woorden, wie had ze uit die vriendelijke lippen verwacht? Hij antwoordde niets, verliet het vertrek, raadde den vicomte overwijld een dokter te doen roepen en ging ondertusschen naar zijn kamer, hij trad van schrik terug, toen hij zich in den spiegel zag. Zoo rood en verhit scheen hem zijn gelaat toe.
"Mijn lot is beslist," sprak hij tot zichzelf en zette zich voor den lessenaar, "maar de pen beefde in zijne hand; hij streek langs zijn gelaat, dat gloeide alsof er bloedige striemen op rustten, hare woorden waren de roeden geweest, waarmede zij hem naar het voorhoofd had geslagen.
"Zij was het niet waard," riep hem een inwendige stem, die hij al zoo vaak gehoord had opnieuw toe, maar tegelijk was er een ander gevoel dieper nog in zijn hart, dat geen deel nam aan zijn toorn en ontgoocheling. Op den bodem van zijn ziel voelde hij een anderen Alfred, die zich diep nederboog voor de verbitierde vrouw om haar zelfs in haar toorn te bewonderen en te aanbidden. Op dezen Alfred was hij zoo 't kon nog meer verontwaardigd dan op lsabelle, en hij besloot door eene haastige daad een scheidsmuur op te richten tusschen het tegenwoordige en het verledene,
"Zij heeft het verdiend, zij zal het weten, ik ontneem haar ten minste het recht mij te verachten," en weer trachtte hij te schrijven, doch de letters dansten op het papier, hij las het geschrevene over en verscheurde het onmiddellijk.
Drie, vier keer begon hij, daar stonden de woorden eindelijk! Een glimlach van zelfvoldoening speelde over zijn trekken, hij doorliep nogmaals de regels en verzegelde zijn brief, maar toen viel de hand, die het adres geschreven had, moedeloos neer, zijn hoofd zonk in de handen, zijn lichaam sidderde en een onderdrukte snik ontsnapte zijn borst.
Toen hij na eenige minuten zijn gelaat weer ophief, lagen er tranen tusscben zijne vingers en alle kleur was van zijn wangen geweken.

[102:]

"Het doet nog pijn voor het oogenblik, maar de teerling is geworpen. Ik wil en zal vergeten. De wereld is zoo groot en onzinnig zou het wezen, mijn -even te verwoesten ter wille van een dom, eigenzinnig kind."
Er werd aan de deur geklopt.
De Marcy trad binnen en verhaalde aan zijn schoonzoon dat de dokter er geweest was die Isabelle in een toestand van overspanning bevonden en haar een zenuw stillend middel voorgeschreven had.
"Komt ge nu een morgenwijntje met me drinken?"
"U is zeer vriendelijk, mijnheer, maar ik heb nog veel te schrijven en ik beloofde mijn vader vandaag bij hem te dineeren."
"Ja, maar weet je wel, dat het ons niet past van daag uit te gaan? In de eerste zes weken mag ik niet in de societeit komen, wegens den rouw, 't is een heele tijd; ik denk er ernstig-aan een uitstapje te maken naar den Haag. Laten wij vandaag het maar eens en garçon aanleggen; je vrouw komt toch zeker niet van haar kamer!"
"Ik moet toch dadelijk uit, en bedank u zeer voor uwe invitatie."
"Jongen, je bent zoo stijf als hoorde je niet tot onze familie. Is Belle nog niet in haar humeur? Wacht een poosje, dan zal het beter gaan. Je komt dus niet mee?A la volonté; maar zeg 'reis. . . hm. . . ja, je weet dat... papiertje. Kan je het nog niet missen?"
"Morgen, graaf, laat me nu als het u belieft alleen. Der Mohr hat seine Schuldigkeit gethan.."
"Wat bedoel je daarmee?"
"Niets, volstrekt niets! Morgen zult ge allen tevreden zijn."
De Marcy droop af; Alfred imponeerde hem, hij voelde dat hij veel aan den jongen schuldig was, meer aan hem, dan aan zijn eigen kind dat zich alleen voor haar grootmoeder meende opgeofferd te hebben.
Na zijn vertrek schreef Alfred een tweeden brief, pakte zijn voornaamste benoodigdheden in een reistasch, voorzag

[103:]

zijn portefeuille van de bankbiljetten, die zijn vader hem in de laatste dagen kwistig had toegestoken en bemerkte nauwelijks dat het reeds vijf uren was, toen hij met zijne voorbereidselen gereed was.
De vicomte zat in zijn salon met een paar verre neven, die voor de begrafenis waren overgekomen en die hij allerlei leugens opdischte over de ongelukkig opgekomen neiging zijner dochter voor een parvenu; de bedienden zaten in de keuken druk bezig de laatste gebeurtenissen op het stille Dorenzathe voorgevallen, te bespreken en Alfred ging dus ongezien de lange gang door, die naar een zijdeur leidde, waardoor hij op straat kon komen In deze gang kwamen de vertrekken der douairiére en de daarnaast liggende van Isabelle uit.
Het hart van Alfred klopte met onweerstaanbaar kracht; hij bleef staan, de bekoring was sterk. Alle was zoo stil; misschien berouwden haar reeds de woorden van straks, doch hij was een man, zij had hem beleedigd in zijne liefste gevoelens, in zijn eer, in zijn trots, nee! hij mocht haar niet vergeven, al vroeg zij hem ook knielend om medelijden. Zijn tegenwoordigheid zou haar wel licht aanleiding geven tot nieuwe bitterheden, nieuwe uitvalen en de afgrond tusschen hen was reeds groot genoeg.
Neen, hij wist zich te beheerschen en ging voorbij maar een seconde later, sidderend en aarzelend, drukte hij aan den deurknop en trad toch binnen.
De kamer, waarin de gravin gestorven was, stond geheel ledig; op de plaats waar hare kleindochter van morgen als een furie had gestaan, waren de gordijnen van hooge lit d'ange nog ter zijde geschoven. Zou hij nu terug keeren? Hij was reeds te ver gegaan en nu wilde hij nu een blik in haar eigen kamertje werpen, dat hij nooit gezien had.
De portière, die beide vertrekken sçheidde, zacht op heffend, gluurde hij naar binnen.
Het waseen vroolijk vertrekje; de zon wierp een bundel van gouden stralen door het half geopende ras op het witte behangsel, de ouderwetsche stoelen in

[104:]

lichtblauw damast bekleed, het kleine bureau, waarvoor haar tabouretje stond en de berceuse, vlak tegenover het raam geplaatst, waarop ze rustte.
Zij lag daar kalm ingeslapen, als had nimmer toorn en smart hare schoone trekken ontsierd; het lange rouwgewaad viel in bevallige plooien ter aarde, haar eene hand ondersteunde haar hoofd en verdween bijna onder hare schat van asch-blonde lokken, die langs hals en schouders afkrulden; de andere hield een boek vast, "L'imitation de JesusChrist", waaruit zij grootmama altijd voorlas; zij glimlachte niet, maar toch scheen de uitdrukking van haar gelaat niet onrustig. Was haar laatste gedachte vóór den slaap kalmer geweest, of wiegde haar nu een schoone droom in de vergetelheid? De zon overgoot haar met een overglans; haar kleur scheen uit sneeuwen rozen samengesmolten en slechts uit goud waren hare lokken gestrengeld.
Alfred staarde met stomme verrukking op dat beeld.
"O mijn God, wat is zij mooi, zij is de mijne! En we zijn doodsvijanden. Ik moet haar verliezen, ik zal haar nimmer meer terugzien!"
De hartstocht kwam met geweld in zijn ziel op; hij wilde haar in zijn armen sluiten, toeroepen op een toon, die alles in zich bevatte, zijn liefde, zijn wanhoop, zijn onoverwinbare smart. Doch, zoo ze ontwaakte en weder voor hem stond als dezen morgen, dan gevoelde hij, zou de stem, welke nog altijd in opstand kwam tegen zijn verontwaardiging, voor eeuwig verstommen, en plotseling alles het leven voor hem op als de eenzaamste woestenij, zoo het hem niet meer vergund was, haar liefelijk beeld in zijn geest om te dragen.
Hij deed eenige schreden zacht en onhoorbaar vooruit, totdat hij aan haar rustbed kwam; als beging hij een misdaad, knielde Alfred neder, nam een slipje van haar kleed en drukte het aan de lippen.
Toen stond hij op, verliet zonder om te zien de kamer, vloog snel de gang door en een oogenblik later verwijderde hij zich in de richting van het station.


inhoud | vorige pagina | volgende pagina