Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK XVI.
De belangrijke dag naderde en eindelijk tot de Marcy's groote verlichting brak hij aan; nooit had de egoistische vader de maand April zoo lang, de verbitterde bruid die zoo kort gevonden. Dien dag was reeds sinds 's morgens vroeg de stad in beweging. Ieder wilde het jonge paar zien, de dwaasste praatjes gingen rond over het onverwachte engagement en het overijld huwelijk, doch allen waren het er over eens, dat liefde zeer weinig, maar geld alles geregeld had. Nog nooit was een bruid in haar bruidsdagen zoo onzichtbaar geweest; nog nooit had een bruidegom onverschilliger gelaat in de societeit en op straat getoond. Zij vielen dus zeker als slachtoffers der geld- en eerzucht van de respectieve vaders. En wat een haast maakten ze! Was het niet mogelijk, om ten minste te wachten totdat de onde douairière iets beter was? Wel fluisterde men, dat deze niets van de zaak wist, maar dit kon niet mogelijk zijn. Geen dochter kon met inniger liefde hare moeder aanhangen, dan Isabelle haar grootmoeder en zou nu zulk een gewichtige zaak haar verborgen blijven? Freule Elodie had vergeefs beproefd een visite bij de zieke dame te brengen; zij werd niet toegelaten en Isabelle, heette het, was te druk bezig met hare voorbereidingen.
[93:]
Den laatsten nacht voor Isabelle's huwelijk, was de oude dame zeer onrustig geweest en het jonge meisje had weinig rust gehad; geen wonder dus dat zij er den volgenden morgen bleek en moe uitzag. Zwijgend kleedde zij zich aan, toen zij gekleed voor den spiegel trad, schrikte zij hevig bij het zien der bleeke bruid. "Neen, nooit had ik kunnen denken," zeide ze, "zulk een bruidsdag te moeten beleven. Moed, moed! straks is alles gedaan! O bonne-maman, wat doe ik niet voor u!" Het deed haar bijna goed, dat bonne-maman vandaag zoo zwak en onrustig was, het overtuigde haar van de noodzakelijkheid van haar offer. Als ze niet aan bonne-maman's toestand dacht, werd de bekoring bij haar sterker en sterker om haar bruidstooi weg te werpen en hen allen, die haar verkochten of kochten, toe te roepen: "Ik blijf vrij, ik wil uw gunsten niet!" Voordat zij haar kamer verliet, zond zij haar kamenier heen en viel toen op haar prie-dieu neer. "Mijn God! Gij ziet mij in dezen toestand! Ge kent mijn eenigen beweeggrond; misschien handel ik slecht, misschien mag ik over mijn toekomst niet op deze wijze beschikken. Wellicht doe ik straks voor Uw altaar een eed, dien ik niet houden kan, maar mijn hart is rein en geen zelfzucht kleeft mijn ziel aanl Grootmama, gij vermoedt niet wat een offer uw kind brengt, maar Gij ziet het, o God, verlaat mij niet in dit uur!" En zij ging naar beneden, kond en fier als altoos. De beide vaders, de bruidegom en de getuigen, wachtten in de groote zaal; zij groette hen statig en nam den arm van haar vader aan. Brons boog zich voor haar en zij beantwoordde zijn groet uit, de hoogte; Alfred trad nader en bood haar een bouquet van oranjebloesems aan, dat zij aarzelend ter hand nam; even zag zij hem aan en het trof haar, dat hij er even bleek en ontdaan uitzag. Dien nacht had hij ook in onbeschrijfelijke onrust en spanning doorgebracht.
[94:]
"Wat heb ik gedaan? Zal zij het mij vergeven? Moet ik haar alles zeggen en zal ik daardoor kans hebben een klein gedeelte van haar hart te winnen? Of neen, ik wil haar niet vernederen en alles aan den tijd overlaten! Arm kind, dat nu haar smart en zorgen juist van mij moesten komen, van mij die eIken stap harer voeten het liefst met rozen had bestrooid," zoo pijnigde hij zichzelf. Het uur sloeg, de rijtuigen kwamen voor en nu was het aan Alfred, zijne bruid den arm te geven; de hooge poort van Dorenzathe, die slechts zelden en alleen bij groote gebeurtenissen geopend werd, liet den bruidsstoet door en terwijl links en rechts ontelbare nieuwsgierigen geschaard stonden, bestegen Alfred en Isabelle met twee der getuigen, waarin de notaris één was, het eerste rijtuig. Toen volgden Brons en de Marcy met de twee anderen, Brons zag er zorgvol en knorrig uit en sprak haast niet met den vicomte, die een zenuwachtige gejaagdheid niet verbergen kon en daarom vroolijk en druk met de andere heeren redeneerde. Nog dienzelfden morgen had Brons zijn zoon opgezocht en gevraagd: "Ben je vast tot die komedie besloten?" "Ja vader!" "Heb je er nog geen berouw van?" "Volstrekt niet." "Nou, zeg een woord en de zaak is uit." Het woord kwam niet en de voltrekking van het huwelijk bood verder niets bijzonders aan: overal waren de menschen samengestroomd en algemeen was de roep: "Een prachtig paar, maar,... maar het gaat hen niet van harte." Op het kasteel teruggeekomen, was Isabelle's eerste vraag aan Germain, die in groot toilet het bruidspaar opwachtte: "Hoe is 't met mevrouw?" "Zij heeft reeds drie keer naar u gevraagd!" Isabelle trad in de groote zaal, liet zich door haar
[95:]
vader omhelzen, reikte Brons en de getuigen de hand, nam hunne gelukwenschen aan, en had met haar echtgenoot nog geen woord gesproken. Hij zeide haar evenmin iets en gaf haar arm de vrijheid terug; hypocras werd ingeschonken toen Adèle, de oude meid der douairière, binnensloop en de freule twee woorden toefluisterde. Zonder het glas, dat zij in de hand hield, aan de lippen te brengen, zette zij het neer en zonder eenige veronschuldiging voor haar vreemd gedrag keerde zij zich om en verliet de kamer door de meid gevolgd. "Is er iets, Adèle?" vroeg de vicomte. "Mevrouw ligt al sedert een kwartier flauw," was het antwoord. "Geen wonder, dat zij dan zoo spoedig verdwijnt. 't Is zwakte, het gebeurt mijne moeder meer," verschoonde de Marcy. Ondertusschen had Alfred zijn vader bij het raam getrokken en fluisterde hem toe: "Vader, geef mij nu den brief!.De voorwaarde is vervuld." Brons haalde zijn portefeuille uit en gaf hem 't papier. "Jij hebt je wil, jongen! God geve dat alles zich ten beste mag schikken! Ik had je gaarne die historie bespaard." Een oogenblik later kwam de Marcy naar Brons toe en zeide op zijn beurt: "Geef me dat lor nu, Brons! Jij hebt je zin." "Ik heb 't niet meer in mijn bezit. Je schoonzoon heeft het mij gevraagd, dat mag de arme jongen er wel van hebben. Bij heeft je een kapitalen dienst bewezen, hoor! Jullie beiden mag hem wel op de handen dragen." "Dat was tegen de afspraak," mompelde de Marcy, "maar enfin! 't is veiliger bij Alfred dan bij zijn vader! Of zou hij nog iets anders in zijn schild voeren?" Isabella was naar boven gegaan, zoo snel als haar lange kleeren het toestonden. Zij liep hare kamer door en hield de hand reeds aan den deurknop der ziekekamer, toen het haar inviel welk toilet zij droeg. Snel trad ze
[96:]
terug, ontdeed zich van hare japon, haar krans en sluier en trok haar gewone huisjurk aan, terwijl Adèle haar verhaalde, dat zij, niettegenstaande hare kamers aan den achterkant van het huis lagen, toch het gerol der rijtuigen had gehoord. Zij was hoe langer hoe onrustiger geworden en riep telkens om de freule: "Isabelle, Isabelle! Ze onrooven mij mijn kind! Waar is ze? Roep haar dan!" Men trachtte haar tevreden te stellen, doch het baatte niets, totdat ze eindelijk in de flauwte was gevallen, die tot nu toe duurde. Door Isabelle's teedere zorgen vond zij haar bewustzijn terug en sloeg haar matte oogen op. "Zijt ge daar? Goddank! ik heb zoo zwaar gedroomd. Ze wilden u wegvoeren, Isabelle, verre van mij! En uw vader was het, die 't verlangde; blijf hier, geef me uw hand, laat me niet los! Gij behoort mij toe! Ach, arm meisje, wat zal uw lot wezen, als ik u niet meer beschermen kan?" Isabelle boog het hoofd en trachtte haar smart te verbergen. "Mijn kind! vergeet het niet, Noblesse oblige! O ik ben zoo benauwd, ik wil mij voorbereiden tot den dood, want die komt, ik voel het." Met een snijdenden gif sprong bet meisje overeind. "Neen, grootma, dat kan niet wezen! U mag niet sterven. Ik heb uw leven gekocht!" De zieke sloot weer de oogen en verstond de laatste woorden niet. Een oogenblik later zag zij rond en fluisterde zwak: "Wat is het hier donker? Is 't reeds avond?" "Ach, hare oogen zijn reeds gebroken! Adèle vlieg naar den dokter, zeg aan papa dat ze erg, zeer erg is! O 't is alles vergeefs geweest, vergeefs!" En snikkend viel ze op hare knieen, terwijl zij nu eerst den vollen omvang van haar toestand begreep. De dokter kwam en gaf weinig hoop. Isabelle bleef
[97:]
aan bet ziekbed en vescheen niet aan bet diner, waar een gedrukte stemming heerschte, doch later toen de champagne verscbeen, vergat zelfs Brons zijn grieven, en de Marcy scheen er nauwelijks meer aan te denken hoe erg zijne moeder er aan toe was, Alfred verdween onder bet dessert; ieder dacht dat hij zijne jonge vrouw gezelschap hield, en vond zijn afwezigheid zeer natuurlijk. Zoo werd het avond, de gasten gingen heen en de Marcy zocht zijn schoonzoon op. In den linkervleugel van het kasteel waren de vertrekken voor het jonge paar gereed gemaakt. In een dezer zat Alfred voor het raam. "Ben je hier en je vrouw?" "Mijn vrouw? Ik heb haar niet gezien sedert wij terug zijn." "En je zoekt haar niet op?" "Ik wil de laatste oogenblikken der douairière niet verbitteren; ik ben nog niet in hare kamer geweest en zal het ook niet doen." "Zoo, zoo! Nu het gaat mij niet aan! Doe wat je goeddunkt. A propos! Je hebt nog zoo'n papiertje in handen hé, daar heb je eigenlijk niets aan! Wil je het mij niet geven?" "Nog niet, graaf! Maar wees gerust, uw eer en die van de freule zijn mij goed toevertrouwd." "Hm, hm, ja dat begrijp ik wel, maar toch... Anders is het in orde. Alle stukken zijn geteekend; Jacobson is tevreden, als ik dat ding nu vernietigd zag, zou ik heelemaal gerust zijn." "U zal geduld moeten hebben, mijnheer! Alles is voor u zoo goed afgeloopen, dat u deze kleine teleurstelling nog wel dragen mag." De vicomte, inziende dat zijn aandringen niet baatte, ging naar de kamer zijner moeder, waar Isabelle bij het ziekbed waakte, aan een hevige smart ter prooi, waarvan zij met geweld de al te sterke uitingen moest bedwingen. De douairière, die kalm en biddend haar laatste uur wacbtte, troostte haar soms.
[98:]
"Maar, Isabelle, weet ge wel, dat ge mij het verlaten dezer wereld vreselijk zwaar maakt? Ik heb al zoolang geleefd en ik verlang le bon Dieu van aanschijn tot aanschijn te zien evenals hen, die me lief waren hier op aarde. Mon enfant, sois raisonnable!" Een oogenblik later viel ze weder in een bewusteloosheid, die telkens in den dood scheen over te gaan. "Vergeefs, vergeefs!" dat was de telkens terugkeerende noodkreet van bet arme kind. "Papa, ziet u wel, dat het voorbarig was, dat ik me opofferde?" "Maak zoo'n geweld toch niet, kind," vermaande Gaston, "grootma is zoo erg niet, en kijk liever eens naar je man om." "Mijn man! Ik heb geen man, 't is niet waar, 't is een droom," en zij overdekte de reeds witte handen der stervende vrouw met vurige kussen. Zoo brak de nacht aan, een stormachtige, woeste, echte Walpurgisnacht. "De beksen gaan naar den Sabbat," dacht Alfred, die met over elkander geslagen armen bleek en verbitterd naar den woedenden storm zag, terwijl zijn vrouw het kalme scheiden van hare grootmoeder snikkend volgde. De uren gingen om en toen de zooveel besprokene late Mei twintig minuten oud was, slaakte de gravin-douairière zachtkens den laatsten zucht. Hare laatste woorden waren een "God zegene u, mijn arm kind!" geweest; het bijgen werd hoe langer hoe zwakker, een luide snik en alles was voorbij. De adellijke dame had aan de algemeene wet voldaan, die het geheim bezit vorsten en plebs aan zich te doen gehoorzamen.
inhoud | vorige pagina | volgende pagina