Melati van Java: Dorenzathe Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915 (Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885
HOOFDSTUK XV.
Alfred Brons en Isabella de Marcy ondertrouwd! In jaren had Groothuizen zulk interessant nieuwtje
[88:]
niet vernomen; het eerst werd de heugelijke tijding in de societeit beklonken, toen denzelfden avond in de huizen der beloekers herhaald en den volgenden dag druk in alle winkels en op alle visites besproken; er werden invitatiën rondgezonden alleen met het doel om in ruimer kring die belangrijke gebeurtenis uit te pluizen. De belanghebbenden echter kreeg men noch te zien, noch te spreken; Alfred kwam niet op straat, en eerst tegen den tijd van het diner. dat hij voortaan gedurende zijn bruidsdagen op 't kasteel zou nemen, begaf hij zich daarheen. Onderweg ontmoette hij menigeen, die hem nauwelijks bij name kende en toch met felicitaties overlaadde. Hij nam ze aan en verzakerde op den natuurlijksten toon der wereld, dat hij niet had kunnen hopen, zoo spoedig zijn liefsten wensch vervuld te zien: en dus boven de wolken was. De vicomte herhaalde aan ieder, die het hooren wilde, dat hij verre boven alle ouderwetsche vooroordeel en verheven was en zich trotsch gevoelde over de keuze zijner dochter; tegenover zijn adellijke vrienden echter, die hem toch al bij wijle van groot kind behandelden, sloeg hij een lager toontje aan. 't Was jammer van Isabelle, dat ze à tout prix dien jongen wilde hebben. Het speet hem wel, maar hij was een !iefhebbend vader, en een ingenieur zoo knap als zijn aanstaande schoonzoon kon het ver brengen. Zijn eerste werk zou zijn, haar den titel van haar geslacht te verzekeren. Brons alleen was ontevreden; de woorden van zijn zoon hadden hem zeer onaangenaam gestemd; hij vond het dwaas dat de jongen zich opofferde voor die adellijke hanzen, maar hij kon en mocht toch niet dien de Marcy het geld voorschieten, in 't bezit van het kasteel laten en het bewijsstuk van zijn misdaad vernietigen. Dat zou al te dol zijn! Waarom stond Alfred er dan op het meisje tegen wil en dank te trouwen? Isabelle had dien nacht en dag in een groote opge
[89:]
wondenheid doorgebracht, die zij echter voor de zieke grootmoeder trachtte te verbergen. Ze had met Barends een onderhoud gehad, hij kon haar echter geen troost geven. Het lag aan haar; wilde zij niet, ja, dan had Brons alle recht haar en de zieke Dorenzathe te doen ruimen. De eerlijke notaris had Alfred zijn eerewoord gegeven, om niets van het groote geheim te verraden en het was dan ook niet noodig; Isabelle's teedere zorg voor hare grootmoeder was voldoende om haar tot een stap over te halen, die haar tegen de borst stuitte. Dien avond ontving zij haar verloofde koel en stijf als te voren; hij scheen het niet te bemerken en zij moest in stilte de ongedwongenheid zijner manieren bewonderen, want hij sprak met den vicomte over alles, richtte nu en dan het woord, tot haar en scheen overigens in het minste niet te voelen, hoe onaangenaam zijn tegenwoordigheid haar was. Na het diner verdween Isabelle en kwam eerst tegen het theeuur terug; zij vervulde hare plichten aan de theetafel onberispelijk, nam in de tusschenpoozen een haakwerkje ter hand en tegen acht uur verontschuldigde zij zich daar grootmama weer aanspraak op hare tegenwoordigheid maakte. Zoo ging het alle dagen; zij begon nooit een gesprek, maar de vicomte en Alfred deden zoo hun best haar telkens in het hunne te mengen, dat hare stilzwijgendheid nauwelijks opviel. Tegen haar vader richtte zij geen verwijt; zij schikte zich zonder morren in haar lot en trachtte zoo trotsch en fier mogelijk overwonnen te zijn. Eens alleen kwam het tot een krachtig verzet; er was sprake van den ouden Brons aan haar voor te stellen. "Neen," zeide ze vastbesloten, "wacht daarmee tot tot den laatsten April." Dit was de dag voor de voltrekking van het huwelijk besloten. "Dan wordt het koopcontract geteekend en de koopwaar afgeleverd," voegde ze er bij met een bitterheid, die Alfred door de ziel sneed.
[90:]
Toen Brons die weigering hoorde, overviel hem een aanval van woede. "Wat verbeeldt zich dat dievenkind," riep hij, "je gaat niet meer naar Dorenzathe toe! Laat de zaak aan mij over, ik zal de boel regelen!" "Vader," antwoordde Alfred beslist, "dat mag u niet meer doen. Ik ben met Isabelle verloofd en zal haar ook trouwen, wanneer zij mij niet mijn woord teruggeeft, al is ze ook het kind van een geschandvlekt man. Bemoei u dus niet meer met de zaken tusschen mijn bruid en mij." Brons pruttelde wel wat tegen, maar hij begreep dat zijn zoon het ernstig meende en hoe 't hem ook berouwde Alfred in zulk een zonderlinge situatie te hebben gebracht, hij kon het niet van zich verkrijgen, de Marcy van zijn drukkende banden te ontslaan en daardoor ook zijn zoon de vrijheid terug te geven. "Maar het zal veranderen," zoo hoopte hij en schikte zich opnieuw naar de omstandigheden. Isabelle ontving noch bracht bezoeken en verschool zich achter bonne-maman's toestand; de uren, welke zij in tegenwoordigheid van haar aanstaande doorbracht, vielen haar zeer pijnlijk en ze stond er op dat haar vader hen geen oogenblik alleen liet. Alfred vermeed voorzichtig alles wat aan eenig liefdebewijs herinneren kon; eens alleen, terwijl de vicomte in een briefje dat hem gebracht was, verdiept scheen, sloeg zij de oogen op en ontmoette zijn blik, die onophoudelijk op haar gevestigd bleef. Een merkbare verwarring overmeesteerde haar, zij bloosde en boog als een schuldige het hoofd, maar den geheelen avond vervolgde haar de blik uit die wonderbaar fluweelen oogen. "Ik heb nog zelden zulke prachtige kijkers gezien," dacht zij dan, "wanneer ze de spiegels der ziel werkelijk zijn, wat moet die ziel dan een pronkstuk der schepping wezen! Als hij zich ten minste niet zoo aan mij opgedrongen had, wie weet of ik zijn lage geboorte niet kon vergeven!"
[91:]
De tijd ging voort en hoe langer het duurde, hoe onverschilliger Isabelle scheen te worden; alles scheen haar toe een droom te zijn; het was haar of zij van al het voorgevallene het bewustzijn verloren had, zoo maakte een gevoel. van dofheid zich geheel en al van haar meester. Een zorg alleen bleef haar over! Te beletten dat hare grootmoeder het minste bemerkte van hetgeen in 't kasteel omging; zij las de oude dame als naar gewoonte voor, sprak over haar aanstaande beterschap, over de schoonheid der lente, over een verblijf in het zuiden van Frankrijk; soms, wanneer zij druk in een gesprek, schijnbaar vroolijk en kinderlijk als naar gewoonte, gewikkeld was, sprak als een pijnlijke dolksteek haar de herinnering aan de vreeselijke werkelijkheid; dan zweeg zij plotseling en bracht duizelend de hand aan het voorhoofd. "Scheelt er iets aan, chérie?" was dan de deelnemende vraag der oude dame. "Een duizeling, grootmama! 't Beteekent niets!" "Dat komt van uw opgesloten leven tijdens mijn ziekte. Als we een maand verder zijn, hoop ik dat we een wandeling door het park kunnen maken!" "Zeker, grootma, over een maand stellig!" En zij trachtte weer haar gewone koelheid aan te nemen. Het bruidstoilet kwam aan, een rijk maar eenvoudig kleed van wit satijn, een bloemkrans en een kanten sluier; zij zag er nauwelijks naar, tot groote verwondering der modiste, die verzekerde dat zij nog nooit zulk een konde bruid had gezien. "Het offerdier wordt getooid," zeide zij met een glimlach vol snijdende bitterheid aan haar vader, die onder luide uitroepen van bewondering en met het gezicht van een fijnen kenner het toilet monsterde. "En wie betaalt dat alles?" vroeg zij na een poos, "de kooper of de verkooper?" "Foei kind! wat een uitdrukking! Je bent ondankbaar, schandelijk ondankbaar. Hoe velen benijden je dien knappen, rijken, bruidegom niet."
[92:]
"Maar u antwoordt me niet op mijn vraag! Après tout, wat deert het mij ook! Ik doe, wat ik doen moet, en met het overige laat ik me niet in!" Zij verliet de kamer en trachtte haar gemoed weer tot kalmte en bedaardheid te brengen.
inhoud | vorige pagina | volgende pagina