doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885


HOOFDSTUK XIII.

Isabelle was dezen morgen bijzonder vroolijk.
De lente was nu voor goed begonnen want het zonnetje scheen helder en glanzend en op bare borst staken de eerste geurige viooltjes, die ze in het park had geplukt; maar wat haar vooral zoo blijde stemde, waren de woorden van den dokter die na zijn dagelijksch bezoek bij de douairière haar de hand reikte met de volgende woorden:
"Proficiat, freule! Mevrouw de gravin is, naar we hopen, hare kwaal geheel en al te boven. Niets echter is haar noodiger dan rust, rust en nog eens rust; de minste aandoening moet haar bespaard blijven!"
"Dat zal ook gebeuren, dokter, daar kan u op aan en zou ze dan weer worden als vroeger?"
"Wij willen het hopen, maar het zal heel langzaam gaan; ze mag in de eerste twee maanden stellig haar bed niet verlaten."
Stralend van geluk trad het meisje in de ziekenkamer en kuste vluchtig het witte voorhoofd der lieve zieke, die haar vriendelijk toelachte en verzekerde hoe het zonnetje, dat door de jalousieën naar binnen scheen, haar bijzonder goed deed.

[77:]

't Was tijd voor de koffie en na zich overtuigd te hebben dat het grootmama tijdens hare afwezigheid aan niets zou ontbreken, begaf zich Isabelle naar het zaaltje, waar de vicomte tegen zijn gewoonte reeds aan tafel zat.
"Bonjour, papa!" zeide de freule opgewekt, "goed nieuws!"
"Nu zeg maar gauw op! In den laatsten tijd ben ik het goede nieuws heelemaal ontwend."
"De dokter zegt dat grootmama op weg van genezing is, maar ze moet zich vooral dood kalm houden."
"Dat komt haar mooi te pas."
"Wat belieft u?"
Als we het kasteel moeten ontruimen."
"Ontruimen?" en doodsbleek zag het verschrikte kind hem aan.
"Nu ja, trek zoo'n gezicht maar niet! Met primo Mei moeten we er uit zijn, anders zet men er ons uit."
"En hoe komt dat, papa? Heeft u ons kasteel verkocht?"
"Ja."
"Aan Brons?"
"Juist aan hem, En hij wil reeds in Mei beginnen met het verbouwen."
"O papa, dat is toch niet lief van u, ons kasteel te verkoopen, zonder grootma en mij er in te kennen."
"Onnoozel schepsel! Kun je nog rekenen?"
"Jawel, papa!"
En nu begon de vicomte zijn dochter voor te telIen welke schulden op het huis rustten, welke rechten Jacobson er op had, hoe Brons hem er afhielp, anders wel het gerechtelijk verkocht en dat het nu niets meer dan billijk was, hem in dit eene punt zijn zin te geven. Van de ergerlijk:e zaak niets.
"Maar 't is bonne-maman's dood," snikte Isabelle wier hoofd duizelde van al de cijfers.
"Wel mogelijk, maar wat kan hem dat schelen?"
"O.. die akelige man, die schoenpoetser! Hij kan het niet meenen, ik zal naar hem toegaan, ik zal hem

[78:]

bidden en smeeken ons uitstel te geven, totdat bonne-mamlan beter is."
"Probeer dat maar, het helpt je niet!"
"Ach, hoe is 't mogelijk, dat men om het akelige geld zooveel te doen kan maken; ik kan het niet begrijpen, bonne-maman en ik geven niets om geld!"
"Had zij er meer om gegeven, dan zouden wij er nu niet zoo ellendig aan toe zijn."
"Ik wist wel dat die Brons ons een kwaad hart toedroeg en dien man heeft u hier aan huis ontvangen, horreur!"
"Ja, lamenteeren helpt niets! Er moet raad geschaft worden. Die vent heeft ons in handen; geloof je anders niet, dat ik nog meer lust dan ooit gevoel hem een laarzenknecht naar zijn gezicht te gooien?"
"Foei papa, hoe grof!"
"Je zult nog wel andere grofheden moeten hooren, als je hem verteederen wilt; ik weet toch wel wat hij je antwoorden zal."
"Zou hij naar geen rede luisteren?"
"Misschien wel; doch hij zal een voorwaarde stellen..."
"En die is?"
"Oprecht gesproken, heeft hij ze mij reeds laten zeggen, maar ik durf er niet bij je mee aan te komen. Grootmama behoeft er niets van te weten, want het hangt alleen van je zelf af, haar leven te redden en daarenboven het kasteel te behouden."
"Ligt het aan mij dit te doen, papa?"
"Ja, geheel en al!"
"Nu zeg het mij auw, als het eenigszins kan..."
"'t Is geen kleinigheid. Je moet trouwen..."
"Met hem?Neen, dat kan niet zijn, nooit!"
"Niet met den ouden, maar met zijn zoon. Een knappe, goed ontwikkelde jongen, die je aanbidt!"
"De neef van vrouw Piering en ik... Grootmama..."
"Wat die zegt moet, zij weten, maar nu voorloopig geen woord van de heele zaak aan haar, begrepen?"

[79:]

"Maar papa, ik kan me toch niet mésallieeren!"
"Dat moet jij weten! Jelui praat zoo veel over edele, verheven gevoelens; we zullen zien wat die praatjes in de praktijk uitwerken, of jij voor je vader en grootmoeder zooveel over hebt, om je eigen gevoel aan belachelijke ideeën ten offer te brengen."
"Maar wil die jongen mij trouwen op die voorwaarde? Zoo gedwongen? Dan ontzeg ik hem alle achting!"
"Hij is zoo verliefd, dat alle middelen om je te krijgen hem goed en bruikbaar toeschijnen!"
"Wanneer kan hij liefde voor mij hebben opgevat? Ik heb hem eens gesproken op het bal en toen ben ik bovendien zoo koel en stuf mogelijk tegen hem geweest? O mijn God, wat een keuze, den zoon van uw schoenpoetser trouwen of grootmama zien sterven!"
"Kom, kom, als de jongen graaf of baron was dan zou je er niets tegen hebben hem tot man te kiezen."
"Dat kan wel zijn!" was het naïve antwoord.
"En nu heb je niets te doen dan over dat vooroordeel heen te stappen en de boel is in orde!"
"Ach God, zoo had ik mij het huwelijk niet voorgesteld!"
"Neen, jij had gehoopt op een rijken, ouden baron met veel rhumatisme, jicht en asthma-aanvallen, hé, dan deugt een gezonde burgeljongen toch beter."
"Gedwongen moet ik doen wat tante Isaure uit eigen wil deed. De keus is dezelfde."
"Behalve dat er op 't oogenblik geen oude millioenenhertog voor je klaar staat. Kon ik er maar een opduiken, doch ze zijn tegenwoordig ook dun gezaaid. Wat besluit je nu?"
"Ik zal nadenken, maar ik vind het verschrikkelijk om zoo opgeofferd te worden aan een jongen, die ver beneden mij staat." En het kind begon opnieuw te schreien. "En ik kan niemand om raad vragen; als hij ten minste wachten wilde tot ik met bonne-maman spreken kon."

[80:]

"Dan is het te laat."
"Dus als zij beter is, dan ben ik verkocht?"
"Als je dat verkoopen wilt noemen, mij wel; zij behoeft niets te weten, noch van je engagement, noch van je bruiloft."
"Wat een huwelijk, wat een huwelijk!"
"Recht romanesk, volstrekt niet alledaagsch! En nu, jonge juffrouw, van avond komt je aanstaande; maak je maar klaar hem met een lief gezichtje te ontvangen."
"Dat zullen we zien," en bevend van toorn, ergernis en smart stond de freule op om naar hare kamer te gaan.
"Ze zal wel wijzer zijn," mompelde de vicomte, "anders moet zij de volle waarheid hooren; ik geef Alfred groot gelijk, dat hij die voor haar wil verborgen houden. Als zij het wist met wat voor oogen zou ze mij aanzien!" En de Marcy sidderde bij de gedachte, hoe verlegen en vernederd hij dan voor zijn dochter zou staan.
"Après tout, win ik er bij; Isabelle krijgt een flinken man, ik raak mijn schulden kwijt en houd genoeg over, om, waar ik wil, te leven. Ik ben nog jong en flink en kan dus gerust uitkijken naar een rijke vrouw, die me helpt den adellijken tak van de Marcy's voort te zetten. Maar als zij dien jongen te barsch aanspreekt, wie weet of hij zich niet terugtrekt. Ik vind het heel aardig van hem, zich zoo voor ons te interesseeren."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina