doorzoek de gehele Leestrommel
Leestrommel
Leestrommel

a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z

Melati van Java: Dorenzathe
Schiedam: H.A.M. Roelants, 1915
(Serie romantische werken) (deel 1) Eerste dr. 1885

p>

[69:]

HOOFDSTUK XII.

"En is dat strafbaar, Barends, meen je dat? Heeft die bloedzuiger dat stuk uit zijn handen gegeven? O mijn God, wat begin ik nu?"
"Ja, 't is erg. graaf, zeer erg!'
"Wat ik schrikte, toen Jacobson mij dat briefje zond, waarin hij zijn verzekering herhaalt om het geld terug te ontvangen tegen Mei met de renten en de laatste schuld! Hoe komen we er aan, notaris, 't is niet mogelijk in zoo korten tijd een nieuwe hypotheek te krijgen op het kasteel."
"Wie zal dat er nu voor willen geven?"
"Maar Brons dan?"
"Brons is verschrikkelijk opgewonden. Reeds morgen wil hij gevolg geven aan de zaak."
"Mij aanklagen, een proces Dorenzathe verkocht... de gevangenis,.. wat een schandaal in het land! Barends, help mij voordat de dames het weten!"
"Die zullen het vroeg genoeg weten," en hij zag met een gevoel van ergernis en medelijden den jammerenden man aan, die voor het eerst van zijn leven eigen zaken wilde doen en begon met een misdaad. Waarlijk, als de douairière en de freule niet zulke hoogst achtenswaardige dames waren, Barends zou de hand van den verwaanden, onnoozelen hals hebben getrokken; maar hoe Brons er pleizier in kon hebben de zaak door te drijven, neen, dat begreep hij niet.
"Zal ik naar Brons gaan, mij voor hem vernederen, hem bidden en smeeken alles in den doofpot te verstikken."
"Ik zou 't u van avond niet raden, Brons is nogal driftig."
"Maar voor den drommel, wat raadt ge mij dan te doen?"

[70:]

"Ik zal morgen vroeg hem eens weer zien te spreken en voorloopig al het mogelijke inspannen om aan geld te komen."
"Doe dat Barends, mijn eeuwige dank!" en 't scheen of een zware last van zijn hart gewenteld was; dat Barends zijn best zou doen om iets gedaan te krijgen, vervulde hem reeds met hoop.
"Maar ik vrees, Ik vrees..."
"Ik niet, het kasteel is nog vrij goed en daarbij de naam."
"Ja, als het nog wat vroeger was, maar over een paar weken dan schrijven we reeds Mei; ik vrees dat het op een executie zal uitloopen."
"En wil Brons het niet meer koopen?"
"Zeker, maar hij zal nu andere voorwaarden stellen."
De notaris ging diep in gedachten naar huis en hoe slim hij anders ook was, nu kon hij geen uitweg vinden.
Brons' eerste werk bij het t'huis komen was naar de kamer van zijn zoon te gaan om hem met de schurkenstreek van den vicomte bekend te maken. Alfred was echter uitgegaan, hij scheen in haast zijn kamer verlaten te hebben, want de pen stak nog in den inktkoker en de schrijfmap lag open. De lamp brandde boven het bureau en verspreidde een breede vlam.
Brons naderde en naar een oude gewoonte, die hij zelfs in deze stemming niet ontrouw werd, draaide hij het gas wat neer. Zijn oog viel op een beschreven papier, dat half tusschen het vloeipapier stak; hij nam het ter hand en las de woorden:

"Dwaze die ik ben! Hoe dikwijls herhaal ik mij die
"woorden, ik zal ze opschrijven en hoop dan dat de
"oorzaak uit mijn geest gewischt mag worden. Wat
"deed ik niet om hare herinnering te verbannen, maar
"overal waar ik was, mijlen ver van hier verscheen haar
"beeld voor mijn oogen! Ik heb mij moe gestaard op
"een schilderij in een Engelsch museum, ik heb er een
"gravure van gekocht, alleen omdat in de oogen van
"het beeld een straal van de hare glom. In de steen-

[71:]

"kolenmijnen, waarin ik afdaalde, verliet ze mij niet, en
"nu ik hier zit, starend naar het lamplicht, verschijnt ze
"mij weer! Gisteren zag ik haar onder de hooge boomen
"van Dorenzathe, zij plukte bloemen en ik was op nog
"geen tien stappen van haar; ik groette, zij zag naar
"mij en me dunkt, haar hoofdknik was minder koud,
"minder trotsch. Ik geloof niet, dat een koel hart in die
"koninginnen-gestalte klopt. Hare opvoeding, hare begrip-
"pen maken haar zoo afgetrokken. Gekke Alfred, wat
"baat het je ook, zij is immers te ver boven je verheven. ..."

"Verheven boven mijn Alfred; die ijdeltuit, de dochter van een falsaris, neen mijn zoon is nu te goed voor haar. Veel te goed!"
Hij stak het papiertje bij zich.
"Maar wat is hij doodelijk van dat kind. Dat verklaart zijn koelheid op reis; een ongelukkige keuze, zeer ongelukkig, want wie zou nu dat meisje nog willen hebben? Morgen niemand."
Daar kwam Alfred aan; hij neuriede het lied van Mozart :

"Ein Veilchen auf der Wiese stand,
In sich gebückt und unbekannt."

"Papa!"
"Ja jongen, ik ben maar zoo ongegeneerd op je kamer gekomen en ik raad je aan voortaan wat voorzichtiger te zijn met je geheime papieren. Ik vond hier 't een en ander, dat je liever wel niet in andere handen zou zien."
"O papa, toch niet..."
"Een onbetaalde rekening, neen! Jammer genoeg, die had ik liever. Neen, een ontboezeming!"
"Heeft U die gelezen, die zotheid?"
"Jawel zotheid! Foei, een verstandig mensch als jij kunt je zoo laten beheksen door dat schepsel?"
"'t Spijt me genoeg," en Alfred beet geërgerd op zijn lippen, "maar ik kan er niets aan doen. Niemand heeft er meer het land over dan ik; dat papiertje had ik volgeklad voor dat ik het wist."
"Zou je haar graag tot vrouw hebben?"

[72:]

"Aan die mogelijkheid heb ik nog nooit gedacht! Ik zie haar in de verte en dan ben ik tevreden."
"Hemel wat een verheven soort van... hoe noemt men zoo'n liefde ook in het latijn?"
"Platonisch? Juist, meer niet! Of liever 't is een kwajongens-gril, ik weet er geen naam voor te vinden. Ik wou dat ik dit gevoel kwijt was."
Brons voelde geen lust meer zijn zoon nog over de zaak te spreken, die tusschen hem en den vicomte was voorgevallen, waarom, dat wist hij misschien zelf niet.
"Goeden nacht, droom maar niet te veel over je schoone, die eigenlijk veel te min voor je is met haar schulden en adeltrots. Ha, ha, wat zal die madam opkijken!"
"Arm kind, ik wilde dat alle zorgen van dien aard verre van haar mochten blijven."
"Ik ga naar mijn kamer, ik ga vroeg slapen! Zware hoofdpijn, morgen meer!"
De slaap bezocht Dorus Brons echter eerst tegen den morgen en toen hij ontwaakte was zijn gemoedsstemming geheel anders dan daags te voren; hij kleedde zich en zat alleen te ontbijten (want Alfred maakte van den lentemorgen gebruik om een groote wandeling te doen) toen Barends aangediend werd.
"Zoo, notaris, wat voor nieuws?"
Barends begon weer zijn redeneeringen om Brons te overtuigen, dat hij verkeerd handelde door die ongelukkige zaak publiek te maken. Brons at zijn eitjes en antwoordde niet.
Eindelijk, terwijl hij op Oost-Indische manier de handen in een vingerglas wies, sprak hij beslist:
"Allemaal praatjes; de Marcy dwaalt in den pot!"
"Uw laatste woord?"
"Ja, of..."
Dit eene woordje was de reddingsplank, waaraan de notaris zich vastklampte, en hij herhaalde:
"Of, of?"
"Hij moet zijn dochter overhalen met mijn zoon te trouwen."

[73:]

Verbaasd staarde Barends hem aan.
"Alfred, de dochter trouwen van hem, dien u naar de rechtbank wilt zenden?"
"Natuurlijk blijft dan de zaak onder ons. Ik zeg aan Jacobson, dat ik me vergist heb en de brief wel degelijk van mij was. Ik koop Dorenzathe voor 60,000 gulden, en laat er de jongelui op wonen; ik blijf hier of vestig me in Arnhem of in 't Haagje waar het mij bevalt en ook de graaf kan optrommelen, waarheen hij wil."
Barends dacht na.
"Zoo komt alles in orde. notaris, en waarlijk ik heb nog geen jonker gezien, die in de schaduw van mijn Alfred mag staan."
"Zeker, zeker, een knappe jongen! Maar die dames met hare dwaze ideeën... ik geef het toe..."
"Haar adelboel, wil je zeggen, een mooie adel, een mooie naam, die prachtig effect zal maken in een gerechtelijk vonnis! Ga naar je beschermeling toe, notaris, en zeg hem tot wat voor prijs ik hem sparen zal."
"Maar de jongelui dienen toch ook geraadpleegd te worden."
"Het meisje moet willen! De keus is niet moeilijk, vrouw te worden van een mooien, rijken jongen met een eerlijken naam, of wel levenslang geschandvlekt te zijn. En wat mijn zoon betreft, die is verzot op dat kind."
"En zal hij haar onder deze omstandigheden tot vrouw willen nemen?"
"Wel zeker. elk voorwendsel zal hem goed dunken. En nu, notaris complimenten aan den graaf en laat hem vóór morgenavond beslissen."
"Dus de conditieën zijn: freule Isabelle trouwen met Alfred Brons, dan wordt het kasteel verkocht aan u, de hypotheek ingelost, het briefje verbrand en Jacobson tevreden gesteld?"
"En zoo niet: groot schandaal, openbare verkoop van Dorenzathe; of neen, ik neem het onmiddellijk voor f 30,000 en trek er dadelijk in. De dames moeten dan maar zien, waar ze blijven."

[74:]

En toen de notaris vertrokken was, mompelde Brons:
"Wat. doet men toch al niet voor zijn kinderen..."
Alfred kwam t'huis; frisch en opgewekt door de lange wandeling deed hij zich het ontbijt zeer goed smaken.
De vader zag hem met welgevallen aan.
"Hoe is 't? Van nacht gedroomd van je weet wel?"
Hij glimlachte en antwoordde:
"Goddank, niet!"
"Kom, kom, maak me dat niet wijs! Wat dunkt je ervan als ik vandaag naar den vader ging en accès voor je vroeg?"
"Gekheid, papa!"
"En ik zeg je van niet. Nog vóór van avond ben jij haar gelukkige bruidegom."
Verbaasd zag Alfred op.
"En hoe zoo dan; u maakt toch met dien knoeier van een de Marcy een contract, waarbij zij verkocht wordt?"
"Wat een vraag! Verkocht, wel neen! Altijd heb je ook zulke romanphrases in den mond! Verkoopen, wie denkt er aan; wees verzekerd, dat de familie, de hoog-adellijke familie, wat blij is haar prachtigen naam te mogen ruilen tegen onzen burgerlijken, en Brons verhaalde zijn zoon alles.
"Papa!" riep Alfred, "'t is een schande, neen tot dien prijs nooit!"
"Zooals je wilt," was het kalme antwoord, "dan ga ik naar den officier van justitie, vertel de heele boel in de societeit, en is de zaak meteen ruchtbaar."
"En haar naam geschandvlekt! O papa, doe dat niet. U maakt mij op beide wijzen ongelukkig."
"Ongelukkig maken, wie denkt er aan jou ongelukkig te maken? Jij bent verliefd op het meisje, ik zorg dat je haar tot vrouw krijgt; uit liefde voor jelui, vergeef ik haar vader een gemeene streek en tot huwelijks-cadeau kun je haar het kasteel meebrengen, vrij van alle lasten."
"Wat baat het mij wanneer ze met tegenzin en als het ware gedwongen hare toestemming geeft?"

[75:]

"En wie weet, misschien vindt zij haar lot verschrikkelijk."
"Dat kan niet zijn, dan is zij de onnoozelste nuf, die er bestaat! Jongen, wees toch practisch, je vader wil niets dan je geluk. Ik heb volstrekt geen redenen om die familie met onderscheiding te behandelen. Ze hebben het er niet naar gemaakt. Heb ik niet Alfred de Marcy, den verloopen koloniaal, met alle mogelijke zorg omringd en wie heeft er mij voor bediankt? Noch zijn broer, noch zijn moeder! Ik was vast besloten hem loon naar werken te geven toen dat papiertje mij in handen viel. 't Zal Alfred grieven, dacht ik, als hij zijn liefste getroffen ziet door het vonnis, dat ik haar vader ga bezorgen."
"Dat is waar, u heeft gelijk! Ik zou het steeds diep betreuren."
"Maar nu is de gelegenheid mooi; ik bezorg mijn zoon de vrouw, die hij bemint, en de zaak is vergeten en vergeven."
"En als ik u nu zeide: ik wil freule de Marcy niet frouwen; wat ik voor haar gevoel is sterker dan mijn wil, maar zij is mij te trotsch, te hoogadellijk. In geen geval wil ik gebruik maken van uw aanbod."
"Welnu, dan wordt Dorenzathe publiek verkocht en ik dien mijn aanklacht in."
Alfred dacht na.
"Vader,' zeide hij na een poos, "u weet niet wat u doet; U wilt mij, ondanks mij zelf, gelukkig maken en de weg, dien U inslaat, leidt regelrecht voor mij naar mijn ongeluk. Wat kan ik verwachten van een vrouw, die een groot offer meent te brengen door mijn hand aan te nemen?"
"Een groot offer? Zij zal God danken dat de eerlijke Alfred Brons de dochter van een falsaris nog wil."
"Weet ze dat?"

[76:]

"Barends zou met den vader spreken, en hem mijn voorwaarden overbrengen."
"Welnu schrijf den onmiddellijk een briefje, of neen, ik ga zelf bij Barends aan om hem te zegg-en, dat hij zorgen moet van deze geschiedenis tegenover het meisje niets te reppen."
"Zeer goed! dat is ook beter. Wil ze volstrekt niet, dan kunnen we dit argument nog gebruiken bij wijze van grof geschut."


inhoud | vorige pagina | volgende pagina